header oranje fruit en groenten

Omgevingspathogenen

Pathogenen zijn een veelvoorkomend onderwerp in de voedselindustrie omdat de besmetting van levensmiddelen met pathogenen gevaarlijk kan zijn voor de gezondheid van de consument. Tijdens het productieproces kunnen pathogenen voorkomen in het product maar ook in de omgeving van de productielocatie. Dit noemen we dan een omgevingspathogeen. Er zijn verschillende omgevingspathogenen aanwezig in verschillende sectoren van de levensmiddelenindustrie.

Wat is een omgevingspathogeen en hoe kan het in het product komen?

Omgevingspathogenen zijn ziekteverwekkers (zoals bacteriën, virussen, schimmels of parasieten) die in de omgeving kunnen voorkomen — buiten het lichaam van mensen of dieren — en van daaruit een infectie kunnen veroorzaken. Ze kunnen zich bevinden in water, bodem, oppervlakken in de productieomgeving, lucht en andere plekken binnen de productieomgeving. Deze pathogenen kunnen lange tijd in de productieomgeving overleven en zelfs groeien. Omgevingspathogenen vormen daarom een groot risico voor de consument, omdat ze producten kunnen besmetten ná een reducerende behandeling heeft plaatsgevonden. Dit noemen we dan nabesmetting. Daarom is het belangrijk om deze in kaart te brengen en een goed monitoringsplan op te stellen om de groei van omgevingspathogenen uit te kunnen sluiten.  

De meest voorkomende omgevingspathogenen in de levensmiddelenindustrie zijn Listeria Monocytogenes en Salmonella spp. Ook in de wetgeving ligt op deze twee pathogenen de meeste focus. Daarnaast zijn er nog verschillende omgevingspathogenen die vooral in specifieke sectoren relevant zijn. Voorbeelden hiervan zijn: 

  • Bacillus Cereus 
  • E. coli (STEC) 
  • Campylobacter spp. 
  • Enterobacteriaceae 
  • Staphylococcus aureus 
  • Clostridium perfringens 

Het is goed om te weten dat er zich passanten of persistente stammen (huisstammen) in de productieomgeving kunnen bevinden. Passanten worden eenmalig gevonden tijdens omgevingsmonitoring en kunnen door de reinigings-en ontsmettingsprocedures verwijderd worden, terwijl persistente stammen gedurende langere tijd teruggevonden. Ze kunnen zich bijvoorbeeld vestigen in niches en een herhaaldelijk probleem gaan vormen doordat ze mogelijk niet volledig geïnactiveerd worden door standaard reinigings-en ontsmettingsprocedures. 

De groei van pathogenen hangt sterk af van de omstandigheden waarin het pathogeen zich bevindt. Factoren als temperatuur, aanwezigheid van voeding, pH, aw-waarde (wateractiviteit), zoutgehalte en zuurstof aanwezigheid kunnen ervoor zorgen dat een pathogeen snel of juist vermindert kan groeien. Het is dus belangrijk om te weten wat deze parameters zijn binnen je bedrijf om beter te kunnen begrijpen welke pathogenen een risico kunnen vormen. Hieronder zal verder beschreven worden welke omgevingspathogenen een gevaar kunnen vormen en voor welke sectoren specifiek. 

Listeria Monocytogenes 

Listeria monocytogenes is een bacterie die behoort tot de familie van de Listeriaceae en staat bekend als een gevaarlijk omgevingspathogeen, vooral binnen de voedingsmiddelenindustrie. De bacterie kan de ziekte listeriose veroorzaken, een ernstige infectie die vooral risicogroepen treft, zoals zwangere vrouwen, ouderen en mensen met een verzwakt immuunsysteem. Ook kan Listeria zogenaamde biofilms vormen waarin de bacterie robuuster is en zich kan hechten aan oppervlakten. 

Listeria monocytogenes is bijzonder vanwege zijn vermogen om te groeien onder omstandigheden waar veel andere bacteriën dat niet kunnen: 

  • Temperatuurbereik à groeit tussen -0,4°C en 45°C met een optimum tussen de 30–37°C. Dit betekent dat de bacterie kan groeien in gekoelde producten.  
  • pH-bereik à heeft een pH tolerantie tussen 3,3-9,6 met een optimum van 7. Onder een pH van 4,4 is er geen groei mogelijk. 
  • Aw-waarde à groeit boven een Aw waarde van 0,92 met een optimum van 0,97. Groeit dus niet onder een Aw waarde van 0,92. 
  • Zouttolerantie à Kan groeien bij zoutgehaltes tot 10%. Overleeft in zoutgehaltes van 20%. 
  • Zuurstof aanwezigheid à Listeria is facultatief anaeroob, wat betekent dat het zowel met als zonder zuurstof kan groeien. 

Omdat we het beschouwen als een omgevingspathogeen heeft het naast mogelijk aanwezigheid op het product, ook andere mogelijke leefomgevingen: 

  • Vochtige en koele productieomgevingen 
  • Afvoeren, vloerputten, naden en kieren van machines 
  • Plekken waar condensvorming mogelijk is 
  • Biofilms (listeria kan zich vastzetten in biofilms waardoor het resistenter is tegen standaard reiniging en desinfectie) 

Daarnaast komt de bacterie ook in de natuurlijke omgeving voor zoals in de bodem, in water, planten en uitwerpselen van dieren. Listeria is niet veeleisend als het gaat om voedingsstoffen. Het groeit goed in eiwitrijke en koolhydraatrijke omgevingen zoals: 

  • Vleesproducten (gegaard/gekookt)  
  • Zachte kazen en zuivel (brie, camembert, rauwmelkse kazen) 
  • Vis (gerookt) 
  • Ready-to-eat producten 
  • Voorverpakte rauwkost en/of salades 

Listeria monitoring is vooral van belang in sectoren waar gekoelde, Ready-to-eat producten worden geproduceerd. De reden hiervoor is dat deze producten vaak al een reducerende behandeling hebben gehad, waardoor nabesmetting ervoor kan zorgen dat consumenten de pathogeen direct consumeren zonder een verhittende stap.  

Daarom zijn relevante sectoren voor Listeria Monocytogenes: 

  • Vlees-en pluimvee verwerkende bedrijven (met name gegaarde en gekookte producten zoals vleeswaren) 
  • Zuivelindustrie (met name zachte kazen en rauwe melkproducten) 
  • Visverwerkende bedrijven (met name gerookte, rauwe zalm of andere vissoorten) 
  • Groente verwerkende bedrijven (met name rauwkostsalades en gesneden groenten) 
  • Ready-to-eat producten (kant-en-klaar maaltijden) 

Naast dat het in deze sectoren een verhoogde kans heeft, is het risico op Listeria monocytogenes een relevant gevaar voor vrijwel elke sector. Zorg ervoor dat de factoren in kaart worden gebracht die de groei van listeria kunnen bevorderen of remmen, zodat een goede inschatting gemaakt kan worden betreffend het risico op listeria besmettingen. 

Salmonella spp. 

Salmonella spp. zijn een groep bacteriën binnen de familie Enterobacteriaceae die wereldwijd bekend staat als veroorzaker van voedselinfecties. Salmonella komt vaak voor bij landbouwhuisdieren en hun producten en is daarom een frequente oorzaak van gastro-intestinale infecties. Het veroorzaakt de ziekte salmonellose.

Salmonella heeft relatief milde eisen voor groei en overleving: 

  • Temperatuurbereik: Groeit tussen 8°C en 47°C, met een optimum rond 37°C. 
  • pH-bereik: Tolerantie van ongeveer pH 4,4 tot 9, met optimale groei tussen pH 6,5–7,5. 
  • Aw-waarde: Groeit vanaf een minimale aw van 0,95, maar kan overleven in lagere waarden! 
  • Zuurstofbehoefte: Facultatief anaëroob — groeit zowel mét als zonder zuurstof. 
  • Droge omstandigheden: Salmonella kan overleven in droge omstandigheden. 

Salmonella komt van nature voor in de darmen van dieren en kan via ontlasting in het milieu terechtkomen. Op productielocaties kan het binnenkomen via besmette grondstoffen zoals rauw vlees, eieren, kruiden of noten. De bacterie kan overleven op droge oppervlakken, in stof en in moeilijk te reinigen plekken zoals naden, kieren en machines. Ook in vochtige zones zoals afvoeren, natte vloeren en condensatiepunten kan Salmonella zich ophopen. Via personeel, luchtstromen of kruisbesmetting tussen ‘vuil’ en ‘schoon’ gebied kan het zich verspreiden.  

Salmonella is een bacterie die relatief weinig eisen stelt aan zijn voeding en gebruikt een breed scala aan voedingstoffen die vaak aanwezig zijn in dierlijke producten. Denk hierbij dan vooral aan eiwitten en vetten, maar ook suikers en mineralen worden gebruikt als voedingsstoffen voor Salmonella spp. Als je dat dan vertaald naar producten moet je denken aan producten als: 

  • Vlees, eieren en zuivel (eiwitten) 
  • Deeg, zuivel en groenten (koolhydraten) 
  • Vleesbereidingen en sauzen (vetten) 

Deze voorkeur aan voedingsstoffen is ook terug te zien in de sectoren waar salmonella vooral vaak voorkomt. Denk hierbij aan: 

  • Vlees-en pluimvee industrie 
  • Eierverwerking 
  • Zuivelindustrie 
  • Diervoeder sector 

Daarnaast kan salmonella ook in andere productgroepen voorkomen omdat het ook in droge omstandigheden kan overleven en daardoor alsnog in een product kan komen. Hiervan bewust zijn is cruciaal omdat droge producten vaak niet meteen als risicovol gezien worden voor salmonella. Voorbeelden hiervan zijn: 

  • Kruiden en specerijen 
  • Noten en pinda’s 
  • Chocolade 
  • Meel en bloem

Bacillus Cereus 

Bacillus cereus is een sporenvormende bacterie die veel voorkomt in de natuur en in voedselproductieomgevingen. De bacterie is vooral berucht vanwege zijn vermogen om hittestabiele toxines te produceren die voedselvergiftiging kunnen veroorzaken. Deze sporen zijn lastig te verwijderen waardoor het ook na reducerende stappen als pasteuriseren en garen aanwezig kan blijven in het product. 

De groeifactoren van bacillus cereus: 

  • Temperatuurbereik: Groeit tussen 5°C en 50°C, met een optimum rond 30–37°C. 
  • Sommige stammen kunnen zelfs groeien bij koeltemperaturen, wat ze gevaarlijk maakt in gekoelde producten. 
  • pH-bereik: Ongeveer 4,3 tot 9,3, met een optimum rond 6–7. 
  • Aw-waarde: Groeit vanaf een minimale aw van 0,91, maar overleving in droge producten via sporen is uitstekend. 
  • Zoutgehalte: groeit tot een zoutgehalte van maximaal 10% 
  • Zuurstofgehalte: B. cereus is facultatief anaeroob – groeit zowel mét als zonder zuurstof. 

Zoals eerder vermeld vormt B. cereus sporen die zeer resistent zijn tegen hitte, uitdroging en chemische reiniging – deze kunnen overleven tijdens pasteurisatie en droging. 

Bacillus cereus komt van nature voor in bodem, stof, plantaardig materiaal en water, en is daardoor wijdverspreid in de omgeving. De bacterie kan in productielocaties terechtkomen via grondstoffen zoals granen, rijst, melk en groenten. Omdat B. cereus sporen vormt, kan het overleven op oppervlakken, in stofdeeltjes en in droge producten zoals poeders of kruiden. Slechte hygiëne, onvoldoende reiniging van apparatuur of het gebruik van besmette grondstoffen vergroot het risico op verspreiding. B.cereus haalt z’n voedingsstoffen uit eiwitten en suikers, maar voornamelijk uit zetmeel. De bacterie kan namelijk efficiënt zetmeel omzetten tot voedingsstoffen om daarna toxines te produceren. Daarom kan B. cereus veelvoudig voorkomen in producten als:

  • Aardappelen, rijst, pasta en granen 
  • Melk en roomproducten (zowel rauw als in poedervorm) 
  • Desserts/ Patisserie
  • Kruiden en specerijen 
  • Bereide maaltijden en maaltijdsalades met kruiden en zetmeelcomponent

Dit betekent dat er een aantal sectoren zijn die een grotere kans hebben om B. cereus tegen te komen tijdens hun productieproces: 

  • Zuivelindustrie (melk en desserts) 
  • Graanverwerkende industrie (bron van zetmeel) 
  • Kruiden en specerijen industrie 
  • Bereide maaltijden

Naast verschillende sectoren in het productieproces, is er ook een grote kans om B. cereus aan te treffen in grootkeukens of cateringbedrijven. Denk hierbij aan restaurants, kantines, en andere bedrijven waar eten wordt klaargemaakt. Doordat producten hier worden bewaard (niet altijd even goed gekoeld), voorgekookt en opgewarmd is er een kans dat er toxinevorming heeft plaatsgevonden.  

E. Coli (STEC)

Escherichia coli (STEC), oftewel Shiga-toxine producerende Escherichia coli, is een bacterie die in het darmstelsel van mensen en dieren leeft, maar ook in de omgeving kan overleven. Het is vooral bekend vanwege het veroorzaken van ernstige voedselvergiftiging, met symptomen variërend van diarree tot nierfalen (HUS – hemolytisch-uremisch syndroom). Het gevaar zit voornamelijk in de productie van Shiga-toxines, die schadelijk zijn voor de darmen en nieren. 

De groeiomstandigheden voor STEC zijn als volgt:  

  • Temperatuurbereik: Groeit tussen 2,5 °C en 50 °C met een optimum van 37 °C 
  • pH-bereik: Groeit tussen een pH van 4,2 en 9,5 met een optimum van 6,8 
  • Awwaarde: Groeit vanaf een minimale Aw waarde van 0,935. 
  • Zuurstofgehalte: STEC is facultatief anaeroob – groeit zowel met als zonder zuurstof aanwezigheid. 

Shiga-toxine producerende Escherichia coli (STEC) leeft van nature in de darmen van dieren, vooral runderen, waar het via ontlasting in de omgeving terechtkomt. Het komt op productielocaties via rauw vlees, groenten (via besmet water of mest), en onvoldoende verwerkte zuivel. De bacterie kan overleven op oppervlakken van machines, vloeren en verpakkingsmaterialen, vooral als deze niet goed gereinigd worden. STEC kan zich handhaven in zowel koelomstandigheden als warme omgevingen, wat het risico vergroot. Slechte hygiënepraktijken, zoals kruisbesmetting tussen rauw en bereid voedsel, zorgen ervoor dat STEC zich blijft verspreiden binnen de productielocatie. 

De voornaamste voedingsbronnen van STEC zijn producten die rijk zijn aan eiwitten, vetten en suikers. Voorbeelden hiervan zijn: 

  • Rauw vlees (voornamelijk rundvlees) 
  • Zuivelproducten (voornamelijk rauwe melkproducten) 
  • Groenten (ook voornamelijk rauwe producten) 
  • Vruchtensappen (ongepasteuriseerd) 

Daarom zijn relevante sectoren waarin STEC een vergrote kans van voorkomen heeft ook sectoren waarin deze producten geproduceerd worden. Denk daarbij aan: 

  • Vleesverwerkers die rauwe rundvlees producten maken 
  • Zuivelverwerkers die rauwe melkproducten maken 
  • Groenteverwerkers die onbewerkte producten produceren waarbij de groenten bijvoorbeeld besmet kunnen worden met vervuild water. 
  • Vruchtensappen producenten waar bij het product niet gepasteuriseerd wordt. 

Campylobacter spp. 

Campylobacter spp.(vooral Campylobacter jejuni en Campylobacter coli) zijn bacteriën die wereldwijd verantwoordelijk zijn voor een van de meest voorkomende voedselinfecties bij mensen: campylobacteriose. Een kleine hoeveelheid bacteriën is al voldoende op iemand ziek te kunnen maken. Deze bacteriën kunnen ernstige maag-darmklachten veroorzaken, zoals diarree, buikpijn, koorts en in sommige gevallen ernstige complicaties zoals Guillain-Barré-syndroom. 

De groeiomstandigheden voor campylobacter zijn als volgt: 

  • Temperatuurbereik: Groeit tussen 32°C en 45°C, met een optimum rond 41–42°C. Campylobacter is een thermofiele bacterie en groeit het beste rond de lichaamstemperatuur van pluimvee. Ook kan de bacterie niet groeien buiten het lichaam van dieren. 
  • pH-bereik: Ongeveer 4,9 tot 9,0 
  • Aw-waarde: Groeit vanaf een minimale Aw van 0,99 en is gevoelig voor uitdroging. 
  • Zoutgehalte: groeit vanaf een zoutgehalte van 2-4,5% 
  • Zuurstofgehalte: Campylobacter is micro-aërofiel, wat betekent dat het groeit bij lage zuurstofgehaltes. Het optimum ligt tussen de 6-10% O2 met 2-10% CO2 

Campylobacter komt voor in het maagdarmkanaal van warmbloedige dieren voornamelijk bij pluimvee, maar ook anderen dieren kunnen drager zijn. Op productielocaties komt de bacterie vaak voor in pluimveeslachterijen op de snijmachines, vloeroppervlakken, werkbanken en leidingen. De bacterie kan zich ook gemakkelijk verplaatsen via kruisbesmetting, zowel op de productielocatie als uiteindelijk in de keuken van de consument.  

Vergeleken met andere omgevingspathogenen heeft campylobacter een specifiekere voorkeur voor voedingstoffen. De voorkeur gaat namelijk uit naar aminozuren als energiebron en dan specifiek de aminozuren asparagine, serine en glutamine. Campylobacter gebruikt ten opzichte van andere pathogenen geen suikers als voedingsbron waardoor het goed groeit op eiwitrijke producten zoals vlees en melk. 

Campylobacter is een omgevingspathogeen wat kan voorkomen in dierlijke producten. Daarom zijn de meest relevante sectoren die rekening moeten houden met het omgevingspathogeen zijn daarom als volgt: 

  • Pluimveeverwerking 
  • Dit is veruit de belangrijkste sector. Pluimvee is de natuurlijke drager van campylobacter en in deze omstandigheden groeit het pathogeen het best. 
  • Vleesverwerking van andere diersoorten 
  • Melk en zuivelverwerkers 

Staphylococcus Aureus 

Staphylococcus aureus (S. aureus) is een veelvoorkomende bacterie die leeft op de huid en slijmvliezen van mensen en dieren. Deze bacterie kan voedselinfecties veroorzaken via toxinevorming, en wordt gezien als een typisch omgevingspathogeen door zijn vermogen om lange tijd te overleven op oppervlakken en zich via personeel of luchtdeeltjes te verspreiden. 

De groeiomstandigheden van S. aureus zijn als volgt: 

  • Temperatuurbereik: Groeit tussen 7°C en 48°C, met een optimum rond 35°C. Toxines kunnen worden geproduceerd tussen de 10°C en 48°C. 
  • pH-bereik: Ongeveer 4,5 tot 9,3 met een optimum groei bij 6,8 
  • Aw-waarde: Groeit vanaf een minimale Aw van 0,83-0,86 en gedijt daarom goed bij droge omgevingen.  
  • Zoutgehalte: S. aureus is halotolerant waardoor het groeit in omgevingen tot een zoutgehalte van 15%. 
  • Zuurstofgehalte: S. aureus is een facultatief anaerobe bacterie – groeit zowel met als zonder zuurstof.

S. aureus is een omgevingspathogeen dat niet veel voorkomt in producten zelf maar vooral van nature voorkomt op de huid, neus en keel van mensen en dieren. Binnen productielocaties kan het voorkomen via personeel zelf (vooral met slechte hygiëne), contactoppervlakken zoals snijplanken en werkbanken, en kan zich hechten aan ruwe oppervlakten via de vorming van biofilm.

De voedingstoffen die S. aureus gebruikt om te kunnen groeien bevinden zich vooral in eiwit- en koolhydraatrijke producten zoals: 

  • Vleesproducten  
  • Zuivelproducten 
  • Eiproducten 
  • Banketbakkerswaren 
  • Visproducten 

S.aureus is vooral besmettelijk via slechte bereidingstechnieken in de keuken en grootkeukens, waarbij nabesmetting het grootste risico betreft. Ook wordt S. aureus vooral een probleem wanneer producten niet goed gekoeld bewaard blijven. In die gevallen zijn de volgende sectoren extra gevoelig voor S. aureus: 

  • Zuivelindustrie 
  • Vlees-en vleeswarenindustrie 
  • Banket-en bakkerijsector 
  • Horeca, catering en grootkeukens 
  • Visverwerkende industrie 

Klimaatverandering en effect op voedselzekerheid

Met een groeiende wereldbevolking is er meer aandacht voor de vraag of we in de toekomst nog genoeg voedzaam en veilig voedsel ter beschikking zullen hebben. Wetenschappelijk Comité van het Spaanse Agentschap voor Voedselveiligheid en Voeding (AESAN) heeft recentelijk een verslag uitgebracht over de relatie tussen klimaatverandering en voedselzekerheid en de gevolgen daarvan voor de bevolking. Onderstaand artikel vat samen wat de resultaten zijn uit dat verslag. 

Wat is voedselzekerheid? 

Voedselzekerheid betekent dat mensen genoeg, voedzaam en veilig voedsel hebben. Dit hangt af van hoe beschikbaar en betaalbaar voedsel is. De Verenigde Naties zeggen dat voedselzekerheid betekent dat iedereen op elk moment toegang heeft tot voldoende voedsel voor een gezond leven. Dit is anders dan voedselveiligheid, dat gaat over het voorkomen van schadelijke stoffen in voedsel. De One Health-aanpak wordt steeds meer gezien als een manier om voedselzekerheid te waarborgen, vooral door de gevolgen van klimaatverandering. Dit beleid richt zich op duurzame veehouderij en milieubeheer, zowel lokaal als wereldwijd. Tijdens de klimaattop COP28 in Dubai (december 2023) werd het beëindigen van honger en het aanpakken van voedselrisico’s door klimaatverandering als een belangrijk doel gesteld. Dit vraagt om oplossingen zoals duurzaam landgebruik en sterke voedselsystemen. 

Klimaatverandering, veroorzaakt door menselijke activiteiten, leidt tot hogere temperaturen, minder neerslag en extremere weersomstandigheden, wat een grote bedreiging vormt voor voedselzekerheid. Als de temperatuur wereldwijd met meer dan 2°C stijgt, kan dit leiden tot ernstige voedselonzekerheid, vooral in gebieden die afhankelijk zijn van landbouw. Ook bedreigt klimaatverandering de biodiversiteit, met een kwart van de onderzochte soorten die met uitsterven worden bedreigd, wat de voedselzekerheid verder onder druk zet. Het Wetenschappelijk Comité van de Spaanse Voedselveiligheidsautoriteit (AESAN) onderzoekt de impact van klimaatverandering op voedselzekerheid en biodiversiteit. 

Huidige situatie 

Voedsel is een basisbehoefte en een tekort aan voedsel leidt tot ondervoeding. Door de COVID-19-pandemie steeg het aantal ondervoede mensen wereldwijd van 8,4% in 2019 naar 9,9% in 2020. De FAO (De Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties) schat dat de voedselproductie tegen 2050 met 60% moet toenemen om aan de groeiende vraag te voldoen, terwijl bijna 800 miljoen mensen nog steeds honger lijden. De belangrijkste risico’s van klimaatverandering voor voedselzekerheid zijn onder andere het verlies van inkomen in plattelandsgebieden, de achteruitgang van mariene en terrestrische ecosystemen en de verslechtering van voedselsystemen. 

Verlies van middelen en ecosystemen

Verlies van bestaansmiddelen en inkomen in plattelandsgebieden 

Klimaatverandering vormt een bedreiging voor plattelandsgemeenschappen, maar biedt ook kansen voor aanpassingen. Veranderingen in temperatuur en neerslag beïnvloeden de landbouw en ook de verspreiding van plagen en ziekten speelt een rol. Dit heeft negatieve gevolgen voor de gezondheid van gewassen en dieren, wat leidt tot lagere opbrengsten en economische verliezen. 

Verlies van mariene en kust ecosystemen 

Klimaatverandering heeft grote gevolgen voor mariene ecosystemen, zoals de opwarming van de zee en verzuring, wat de biodiversiteit bedreigt. Dit heeft directe gevolgen voor de visserij, een belangrijke bron van voedsel en inkomen. In Spanje veranderen de gebieden waar vis gevangen wordt door het noordwaarts trekken van vissoorten, wat de beschikbaarheid van zeeproducten beïnvloedt. 

Verlies van terrestrische ecosystemen en binnenwateren 

Land- en zoetwaterecosystemen zijn kwetsbaar voor klimaatverandering, wat leidt tot een versnelde uitsterving van soorten. Dit heeft grote gevolgen voor de biodiversiteit en voedselproductie. De verschuiving van landbouwgebieden en veranderingen in groeiseizoenen beïnvloeden de opbrengsten van gewassen.

De effecten van de verslechtering van voedselsystemen 

Klimaatverandering verstoort de voedselvoorziening en kan leiden tot hogere prijzen en instabiliteit in het voedselsysteem. Dit kan ervoor zorgen dat mensen meer ongezonde voedingsmiddelen gaan eten, wat ondervoeding en obesitas kan verergeren. Er is dringend behoefte aan een herstructurering van het voedselsysteem en aanpassing van consumptiepatronen. Lees in dit artikel verder over hoe mycotoxinen in ons voedsel toenemen door klimaatverandering.  

Vermindering van de impact van klimaatverandering op voedselzekerheid 

Aanpassing aan klimaatverandering vereist dat mensen hun inkomsten diversifiëren en duurzame landbouwmethoden toepassen. Gemeenschappen moeten zich voorbereiden op natuurrampen en de schaarste aan natuurlijke hulpbronnen aanpakken. Duurzaam beheer van deze hulpbronnen is cruciaal om de biodiversiteit te behouden en de gevolgen van klimaatverandering te verminderen. 

Conclusies van het Wetenschappelijk Comité 

Klimaatverandering heeft een grote impact op de toegang tot gezond en veilig voedsel over de hele wereld. De belangrijkste risico’s zijn het verlies van biodiversiteit, de achteruitgang van mariene en kustecosystemen en de verslechtering van land- en zoetwaterecosystemen. Dit zorgt ervoor dat planten en dieren zich anders gaan verspreiden en hun levenscycli veranderen, wat de kwaliteit van de bodem en de biodiversiteit aantast. Dit leidt ook tot lagere gewasopbrengsten en voedingswaarde van voedsel. Daarnaast neemt het risico op plagen en verliezen na de oogst toe en hogere temperaturen hebben een negatieve invloed op de gezondheid van dieren. 

De voedingsstatus van mensen wordt bedreigd door minder beschikbaarheid van voedsel, beperkte toegang tot voedsel en instabiliteit in het voedselsysteem. Het is belangrijk om de risico’s en kwetsbaarheden goed te begrijpen, zodat we effectieve aanpassingsstrategieën kunnen ontwikkelen. Om voedselzekerheid te waarborgen, is het nodig om over te stappen naar sterkere en duurzamere landbouw- en voedselsystemen. Dit vraagt om een geïntegreerde aanpak die sociale bescherming, duurzame praktijken en risicobeheer omvat. 

Food contactmaterialen: wijziging VO(EU) 10/2011 door VO(EU) 2025/31

In 2025 zijn er belangrijke wijzigingen doorgevoerd in Verordening (EU) nr. 10/2011, die betrekking heeft op materialen en voorwerpen van kunststof bestemd om met levensmiddelen in contact te komen. Deze wijzigingen zijn vastgelegd in Verordening (EU) 2025/351 van de Commissie, gepubliceerd op 24 februari 2025.

Belangrijkste wijzigingen:

Verhoogde zuiverheidseisen

Er zijn strengere zuiverheidseisen ingevoerd voor stoffen die worden gebruikt bij de vervaardiging van kunststof materialen en voorwerpen die met levensmiddelen in contact komen. Dit is bedoeld om de veiligheid en kwaliteit van deze materialen te waarborgen. Betreft Aanpassing van de definitie van “specificatie” in artikel 3: Het begrip “specificatie” is herzien en omvat nu expliciet zuiverheidseisen voor stoffen. Deze wijziging benadrukt het belang van zuiverheid bij stoffen die worden gebruikt in materialen en voorwerpen van kunststof die met levensmiddelen in contact komen.

‘Specificatie’: “de samenstelling van een stof, zuiverheidseisen voor een stof, fysische of chemische eigenschappen van een stof, bijzonderheden over het vervaardigingsproces van een stof of een nadere toelichting op de wijze waarop de migratielimieten uitgedrukt zijn.”

Uitbreiding van de regelgeving naar gerecycleerde kunststoffen

De verordening is aangepast om ook gerecycleerde kunststof materialen en voorwerpen te reguleren. Dit omvat wijzigingen in Verordening (EU) 2022/1616, met als doel het gebruik van gerecycleerde kunststoffen in voedselcontactmaterialen te bevorderen en te controleren. Hieronder een overzicht van de wijzing.

  • Integratie van gerecycleerde kunststoffen: De verordening breidt de bestaande regelgeving uit door specifieke bepalingen op te nemen voor gerecycleerde kunststofmaterialen en -voorwerpen die bestemd zijn om met levensmiddelen in contact te komen. Dit betekent dat gerecycleerde kunststoffen nu expliciet onder de reikwijdte van Verordening (EU) nr. 10/2011 vallen.
  • Verwijzing naar Verordening (EU) 2022/1616: Materialen en voorwerpen van gerecycleerde kunststof moeten voldoen aan de eisen van Verordening (EU) 2022/1616, die specifieke regels stelt voor gerecycleerde materialen in contact met levensmiddelen. Deze verordening legt nadruk op decontaminatieprocessen en vereist het aantonen van drie veiligheidsniveaus: recyclingtechnologie, recyclingproces en recyclinginstallatie.
  • Intrekking van Verordening (EG) nr. 282/2008: Met de invoering van Verordening (EU) 2025/351 is Verordening (EG) nr. 282/2008 ingetrokken. Hierdoor zijn de regels voor gerecycleerde kunststoffen geactualiseerd en afgestemd op de nieuwste inzichten en technologieën.

Implementatie en overgangsperiode

Materialen en voorwerpen die voldoen aan de eerdere versie van Verordening (EU) nr. 10/2011 mogen tot 16 september 2026 op de markt worden gebracht, mits ze vóór deze datum voor het eerst in de handel zijn gebracht.

Deze wijzigingen benadrukken de voortdurende inspanningen van de EU om de veiligheid en kwaliteit van materialen die met levensmiddelen in contact komen te verbeteren, met speciale aandacht voor de toenemende integratie van gerecycleerde materialen.

Verbod op Bisfenol A (BPA)

Per 20 januari 2025 is het gebruik van Bisfenol A (BPA) in voedselcontactmaterialen binnen de EU verboden. Deze maatregel is vastgelegd in Verordening (EU) 2024/3190 van de Europese Commissie en heeft als doel de blootstelling van consumenten aan deze schadelijke stof te minimaliseren.

Achtergrond en redenen voor het verbod

BPA is een chemische stof die voornamelijk werd gebruikt in de productie van bepaalde voedselcontactmaterialen, zoals epoxyharsen voor coatings in metalen voedsel- en drankblikken en duurzame kunststoffen voor herbruikbare drinkflessen of voedseltransportapparatuur. Vanwege de gezondheidsrisico’s die BPA met zich meebrengt, waaronder hormonale verstoringen, heeft de Europese Commissie besloten tot een algeheel verbod op het gebruik en de handel van BPA in voedselcontactmaterialen.

Gevolgen voor de industrie

Fabrikanten die BPA gebruikten in hun producten moeten nu overstappen op alternatieve, veiligere stoffen. Dit verbod geldt voor een breed scala aan voedselcontactmaterialen, waaronder:

  • Herbruikbare plastic flessen
  • Coatings voor metalen blikken
  • Waterkoelers

Hoewel het verbod op BPA op 20 januari 2025 is ingegaan, zijn er overgangsregelingen getroffen om de industrie de tijd te geven zich aan te passen. Zo mogen voedselverpakkingen voor eenmalig gebruik die vóór deze datum zijn geproduceerd en voldoen aan de eerdere regelgeving, tot 20 juli 2026 op de markt worden gebracht. Voor bepaalde producten, zoals verpakkingen voor de conservering van groenten, fruit of vis, geldt een langere overgangsperiode.

Nuttige info:

Wijziging van Warenwetregelgeving: schadelijke stoffen in voedingssupplementen en kruidenpreparaten 

Het Nederlandse Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft onlangs een internetconsultatie gehouden over aanpassingen in de Warenwetregelgeving betreffende voedingssupplementen en kruidenpreparaten. Deze voorgestelde wijzigingen zijn bedoeld om schadelijke stoffen in deze producten beter te herkennen en te reguleren, zodat de veiligheid van consumenten wordt gewaarborgd. 

Wat is de aanleiding van deze wijzigingen?

Voedingssupplementen en kruidenpreparaten mogen geen stoffen bevatten die schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarom is het belangrijk om te bepalen welke stoffen mogelijk een risico vormen en maatregelen te nemen om het gebruik ervan te beperken of te verbieden. Met deze aanpassingen kan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) beter toezicht houden en sneller reageren op nieuwe inzichten over de veiligheid van bepaalde stoffen. 

Wat verandert er? 

Warenwetbesluit Kruidenpreparaten: Er komt een nieuwe regel die het mogelijk maakt om via een ministeriële regeling bepaalde planten en schimmels te verbieden of onder voorwaarden toe te staan. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er een maximale dosering wordt vastgesteld of dat er een gebruiksadvies wordt verplicht. Hierdoor kan sneller worden ingespeeld op nieuwe wetenschappelijke inzichten over mogelijke gezondheidsrisico’s. In het concept worden in bijlage 1 de verboden planten en schimmels genoemd. Materiaal wat geheel of gedeeltelijk van deze planten of schimmels afkomstig is mag niet worden toegepast in kruidenpreparaten. In bijlage 2 staan de planten en schimmels vernoemd waarvan materiaal enkel onder voorwaarden is toegestaan. Bij planten en schimmels (of delen daarvan) welke in bijlage 3 genoemd zijn is er een gebruiksadvies op het etiket verplicht.  

Warenwetbesluit Voedingssupplementen: Een nieuw artikel maakt het mogelijk om specifieke stoffen in voedingssupplementen te verbieden of alleen onder bepaalde voorwaarden toe te staan. Ook hier kunnen regels worden ingesteld over maximale hoeveelheden of gebruiksadviezen, zodat supplementen veiliger worden voor consumenten. Er zijn in het concept in bijlage 1 stoffen genoemd welke niet meer mogen voorkomen in voedingssupplementen en in bijlage 2 stoffen welke slechts onder voorwaarden worden toegelaten.  

De bijlages zijn reeds inzichtelijk in het ontwerp. Volg deze link en download de ‘relevante informatie’.  

Wat is de status van de wijzigingen? 

De internetconsultatie was open tot 24 maart 2025. In deze periode konden bedrijven, deskundigen en andere belanghebbenden hun mening geven over de voorgestelde veranderingen. Het is nog niet bekend of de regels nog worden aangepast op basis van deze feedback of wanneer de definitieve wijzigingen ingaan. 

Meer schimmels in grondstoffen door klimaatverandering 

Het Europees Milieuagentschap (EMA) en de Europese autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) waarschuwen dat door de opwarming van de aarde het risico toeneemt dat mensen in contact komen met mycotoxinen in voedsel.  

Wat zijn Mycotoxines en waarom stijgt het risico? 

Mycotoxinen zijn schadelijke stoffen welke door schimmels gevormd worden en ze komen voor in voedingsmiddelen zoals tarwe, maïs en gerst. De stoffen worden door planten opgenomen tijdens de groei of na de oogst en blijven in het voedsel, zelfs na wassen, koken of verwerken. Mensen krijgen ze vervolgens binnen via deze granen en producten daarvan zoals brood, pasta, bier, maar ook via fruit en zelfs besmet water. Ze kunnen ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken, zoals hormonale verstoringen, een verzwakt immuunsysteem, lever- en nierschade, miskramen, schade aan ongeboren kinderen en zelfs kanker.  

Vocht en warmte bevordert de groei van schimmels, daardoor beïnvloedt klimaatverandering het gedrag en de verspreiding van schimmels. In Europa ziet men wereldwijd de grootste stijging in temperatuur en neemt het risico op blootstelling aan mycotoxinen toe. In de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara is het nu al een groot probleem. Als de besmetting daar nog toeneemt, kan dat tot grote oogstverliezen leiden. 

Bovendien kunnen verhoogde neerslag, overstromingen en bodemerosie mycotoxinen van de bodem naar rivieren en grondwater verplaatsen. Dit vergroot de kans op besmetting van voedsel en diervoeder en verhoogt het risico dat mycotoxinen in drinkwater terechtkomen. Extreme weersomstandigheden, zoals zware regenval of langdurige droogte, verhogen ook de stress op planten, waardoor gewassen (vooral maïs) kwetsbaarder worden voor schimmelinfecties en besmetting met mycotoxinen. 

Daarnaast kan de toename van schimmels die mycotoxinen produceren ook onbedoelde risico’s voor de volksgezondheid en duurzaamheid met zich meebrengen door een groter gebruik van bestrijdingsmiddelen zoals fungiciden.  

Huidige situatie en mogelijkheden voor de toekomst 

Uit studies blijkt dat ongeveer 25 procent van de gewassen de EU-limieten voor mycotoxinen overschrijdt. Volgens gegevens van de EU wordt 14 procent van de volwassen Europese bevolking blootgesteld aan het mycotoxine deoxynivalenol (DON) in gevaarlijke hoeveelheden. Andere schadelijke mycotoxinen die belangrijk zijn voor de gezondheid zijn aflatoxinen, fumonisine, zearalenon en ochratoxine A 

Er wordt al gekeken naar de invloed van milieufactoren zoals neerslag, zonuren en temperatuur op het risico van mycotoxinen. Dit toezicht kan worden uitgebreid naar voedsel, diervoeder, dieren en mensen. Het EMA stelt ook andere mogelijke acties voor om besmetting met mycotoxinen te verminderen, zoals het kweken van gewassen die resistent zijn tegen schimmelinfecties, het toepassen van goede landbouwpraktijken (zoals vruchtwisseling om de bodemvruchtbaarheid te verbeteren en schimmeloverdracht te minimaliseren) en het gebruik van biologische bestrijdingsmethoden en voorspellende modellen. 

Hoe worden technologische trends als cloudmigratie en AI ingezet in de voedingsmiddelenindustrie?

Technologische systemen om bedrijven te ondersteunen als ERP (Enterprise Resource Planning), QMS (Quality Management Systems) zijn reeds geruime tijd in gebruik. Technologische trends die op dit moment in trek zijn, zijn bijvoorbeeld: cloudmigratie en AI-toepassingen.  

Cloudmigratie 

Cloudmigratie biedt verschillende voordelen voor bedrijven, zoals verhoogde efficiëntie, schaalbaarheid en kostenbesparing. Tegelijkertijd brengt de overstap naar de cloud ook uitdagingen met zich mee, waaronder beveiligingsrisico’s en afhankelijkheid van externe aanbieders. 

Mogelijkheden van cloudmigratie 
  • Flexibiliteit en schaalbaarheid: Cloudoplossingen maken het mogelijk om IT-capaciteit dynamisch aan te passen op basis van de bedrijfsbehoeften. Dit is vooral relevant voor waar seizoensgebonden pieken in productie en distributie een flexibele IT-infrastructuur vereisen. 
  • Kostenbesparing: Door over te stappen op de cloud kunnen bedrijven de kosten van lokale IT-infrastructuur, zoals servers en onderhoud, verlagen. Daarnaast bieden veel cloudproviders een pay-per-use-model, waardoor bedrijven alleen betalen voor wat ze daadwerkelijk gebruiken. 
  • Verbeterde samenwerking en toegankelijkheid: Cloudplatforms maken realtime samenwerking mogelijk tussen verschillende afdelingen en locaties. Dit kan de coördinatie tussen productie, logistiek en verkoop verbeteren en besluitvorming versnellen. 
  • Geavanceerde data-analyse en automatisering: Cloudtechnologie ondersteunt het gebruik van big data en kunstmatige intelligentie (AI) om productieprocessen te optimaliseren, vraagvoorspellingen te verbeteren en de supply chain efficiënter te maken. 
  • Betere disaster recovery en uptime: Veel cloudproviders garanderen hoge beschikbaarheid en implementeren back-up- en hersteloplossingen om gegevensverlies te voorkomen en de continuïteit van bedrijfsprocessen te waarborgen. 
Mogelijke nadelen en uitdagingen 
  • Beveiligings- en privacy-risico’s: Gevoelige bedrijfsgegevens, zoals recepturen en klantinformatie, worden opgeslagen op externe servers, wat een risico kan vormen bij datalekken of cyberaanvallen. Hoewel cloudproviders geavanceerde beveiligingsmaatregelen implementeren, blijft databeheer een gedeelde verantwoordelijkheid tussen de provider en het bedrijf. 
  • Afhankelijkheid van externe leveranciers: De overstap naar een cloudomgeving betekent dat bedrijven afhankelijk worden van cloudproviders voor prestaties, kosten en ondersteuning. Veranderingen in servicevoorwaarden of prijsmodellen kunnen onverwachte gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering. 
  • Migratiekosten en complexiteit: Hoewel cloudmigratie op de lange termijn kosten kan besparen, kan de initiële overstap duur en tijdrovend zijn. Dit omvat kosten voor systeemaanpassing, training van medewerkers en de integratie met bestaande IT-systemen. 
  • Vertraging door internetafhankelijkheid: Werken in de cloud vereist een stabiele internetverbinding. Onderbrekingen in de netwerkverbinding kunnen de toegang tot cruciale systemen beperken en productieprocessen verstoren. 
  • Regelgeving en compliance: In de voedingsmiddelenindustrie gelden strikte regelgeving en standaarden met betrekking tot voedselveiligheid en traceerbaarheid. Cloudoplossingen moeten voldoen aan nationale en internationale regelgeving, wat extra controles en nalevingseisen met zich meebrengt. 

AI (Kunstmatige intiligentie) 

AI biedt veel mogelijkheden, van geavanceerde procesoptimalisatie tot het verbeteren van voedselveiligheid en consumentgerichte productontwikkeling. Tegelijkertijd brengt de toepassing van AI ook uitdagingen met zich mee, zoals hoge implementatiekosten, afhankelijkheid van data en ethische vraagstukken. 

Mogelijkheden van AI 
  • Procesoptimalisatie en efficiëntie: AI kan productieprocessen analyseren en optimaliseren door middel van geavanceerde voorspellende modellen. Dit helpt bij het verminderen van energieverbruik, het efficiënter inzetten van grondstoffen en het minimaliseren van productieverlies. 
  • Voorspellend onderhoud: Door AI-gestuurde analyses van sensordata kunnen bedrijven storingen in machines voorspellen voordat ze optreden. Dit voorkomt onverwachte stilstand, verlaagt onderhoudskosten en verlengt de levensduur van apparatuur. 
  • Kwaliteitscontrole met computer vision: AI kan beeldherkenningstechnologie gebruiken om defecten en afwijkingen in producten sneller en nauwkeuriger te detecteren dan menselijke inspecteurs. Dit verbetert de productkwaliteit en vermindert verspilling. 
  • Verbeterde voedselveiligheid en traceerbaarheid: AI kan helpen bij het monitoren van voedselveiligheidsnormen door het analyseren van temperatuurgegevens, opslagomstandigheden en transportomstandigheden. Daarnaast kan AI de traceerbaarheid van producten verbeteren door supply chain-data in realtime te analyseren. 
  • Voorspellende vraaganalyse en voorraadbeheer: AI kan markttrends, seizoensinvloeden en consumentengedrag analyseren om de vraag naar bepaalde producten beter te voorspellen. Dit helpt bedrijven bij een efficiënter voorraadbeheer en vermindert voedselverspilling. 
  • Productinnovatie en consumentgerichtheid: AI kan consumentendata analyseren om nieuwe smaken, ingrediënten en productformules te ontwikkelen die beter aansluiten op veranderende consumententrends, zoals de groeiende vraag naar plantaardige en duurzame voedingsmiddelen. 
  • Supply chain en logistieke optimalisatie: AI kan helpen bij het optimaliseren van transport- en distributieroutes, het voorspellen van leveringsvertragingen en het beheren van leveranciersrelaties, wat leidt tot een efficiëntere toeleveringsketen. 
Uitdagingen en mogelijke nadelen van AI 
  • Hoge implementatiekosten: De ontwikkeling en implementatie van AI-oplossingen vergen aanzienlijke investeringen in technologie, infrastructuur en personeelstraining. Voor kleinere bedrijven kan dit een financiële drempel vormen. 
  • Afhankelijkheid van data: AI-algoritmen functioneren optimaal wanneer ze worden gevoed met grote hoeveelheden nauwkeurige en relevante data. Een gebrek aan kwalitatieve data of inconsistenties in datasets kan de effectiviteit van AI beperken. 
  • Complexiteit en integratieproblemen: AI moet worden geïntegreerd in bestaande productie- en logistieke systemen, wat technische en organisatorische uitdagingen met zich mee kan brengen. Verouderde IT-infrastructuur kan de implementatie vertragen of bemoeilijken. 
  • Ethische en privacyvraagstukken: Het gebruik van AI in de voedingsmiddelenindustrie roept ethische vragen op, zoals de verwerking van consumentengegevens en de transparantie van AI-beslissingen. Bedrijven moeten ervoor zorgen dat zij voldoen aan regelgeving rondom gegevensbescherming en ethisch verantwoord gebruik van AI. 
  • Risico op baanverlies: Automatisering door AI kan leiden tot een afname van de behoefte aan menselijke arbeid in bepaalde processen, wat impact kan hebben op werkgelegenheid in de sector. 
  • Vertrouwen en acceptatie: Zowel binnen bedrijven als bij consumenten kan er weerstand bestaan tegen AI-technologieën. Transparantie over hoe AI wordt ingezet en welke voordelen het biedt, is essentieel om vertrouwen en acceptatie te vergroten. 
Hoe te beginnen met AI?  

AI komt pas echt tot zijn recht wanneer bedrijven een sterke digitale basis hebben. Betrouwbare AI-resultaten zijn afhankelijk van hoogwaardige data – wat erin gaat, bepaalt wat eruit komt.  Daarom is het cruciaal om eerst te investeren in solide software, efficiënte processen en een goed geïntegreerd IT-systeem. Sommige technologieaanbieders leveren complete pakketten waarin AI al is geïntegreerd. Toch is het belangrijk om alert te blijven op ‘AI-washing’ – bedrijven die AI promoten zonder de noodzakelijke digitale fundamenten op orde te hebben.  Om AI succesvol toe te passen, moet je als bedrijf dus eerst de technologische basis versterken en vervolgens strategisch gebruikmaken van geavanceerde AI-oplossingen. 

Dierenwelzijnswetgeving: Europa, België en Nederland toegelicht 

Dierenwelzijnswetgeving wordt op zowel Europees als nationaal niveau gereguleerd, waarbij Europese richtlijnen en verordeningen de basis vormen voor nationale wetten in lidstaten zoals België en Nederland. 

Europese Unie 

De EU-wetgeving omtrent dierenwelzijn is een van de strengste ter wereld en de komende jaren wordt nog meer regelgeving verwacht om het welzijn van dieren verder te verbeteren. De diverse richtlijnen en verordeningen omvatten onder andere regels voor de bescherming van dieren tijdens transport, bij slacht, in veehouderijsystemen, maar ook in ongediertebestrijding. Lidstaten zijn verplicht deze Europese normen te implementeren in hun nationale wetgeving, maar hebben de vrijheid om strengere maatregelen te nemen indien gewenst. 

De EU erkent dieren als “voelende wezens” en heeft bindende regelgeving en richtlijnen om dierenleed te minimaliseren. 

Wettelijke basis 

Belangrijke EU-wetten en -regels zijn onder andere: 

Dierenwelzijn in de veehouderij 

De EU heeft minimumnormen voor de bescherming van dieren in de veehouderij. Dit omvat: 

  • Huisvesting: Dieren moeten voldoende ruimte, voeding en verzorging krijgen. Het is verboden legkippen in batterijkooien te houden. Het routinematig couperen van staarten bij varkens is beperkt en het houden van kalveren in individuele hokken is beperkt tot de eerste acht levensweken. 
  • Transport van dieren (Verordening 1/2005):  De EU-regels over dierentransport zijn bedoeld om stress en letsel te minimaliseren. Enkele belangrijke regels zijn: 
    • Maximale transportduur is 8 uur voor de meeste dieren. Langere reizen zijn toegestaan onder strikte voorwaarden (rustpauzes, ventilatie, water). 
    • Voldoende ruimte en ventilatie, geschikt vervoer, met minimale stress voor de dieren en verbod op transport van zieke of gewonde dieren. 
  • Slacht en doding van dieren (Verordening 1099/2009): Dieren moeten vóór de slacht worden verdoofd om onnodig lijden te voorkomen. Uitzondering voor religieuze slacht: In sommige lidstaten is ritueel slachten zonder verdoving toegestaan, maar er zijn strengere regels en toezicht. Sommige landen verplichten cameratoezicht in slachthuizen. 
  • Dierproeven (Richtlijn 2010/63/EU): Alleen als er geen alternatief is en met zo min mogelijk pijn en stress voor de dieren. Experimenten moeten ethisch worden beoordeeld. Sinds 2013 mogen in de EU geen cosmetische producten worden verkocht die op dieren zijn getest. 
  • Huisdieren en illegale handel: Sommige EU-landen verplichten chipregistratie van huisdieren. De EU werkt ook aan strengere controles op de handel in pups en exotische dieren. 
  • Dierenwelzijn en Europese strategieën: EU “Farm to Fork”-strategie (2020-2024) heft als doel Duurzame landbouw en betere dierenwelzijnsnormen’’ en door het Burgerinitiatief “End the Cage Age” heeft de EU in 2021 besloten om kooihuisvesting geleidelijk te verbieden tegen 2027. 
  • Handhaving en sancties: De EU controleert of lidstaten de wetten naleven. Als een lidstaat de regels niet naleeft, kan de EU sancties opleggen. 

België 

In België is dierenwelzijn een regionale bevoegdheid, wat betekent dat Vlaanderen, Wallonië en Brussel elk hun eigen regelgeving hebben. De drie gewesten stellen dus elk specifieke maatregelen en accenten in hun dierenwelzijnswetgeving, afgestemd op regionale prioriteiten en inzichten. Doordat de regels variëren per regio, kan dit leiden tot bijvoorbeeld verschillen in toegestane diersoorten, vergunningsplichten, enz. 

Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste initiatieven per gewest. 

Vlaanderen: 

In Vlaanderen geldt de Dierenwelzijnscodex, die diverse bepalingen omvat. Voor de wijzigingen per 1 januari 2025 lees hier verder.  

  • Strenge straffen: Overtredingen kunnen leiden tot gevangenisstraffen tot 5 jaar en boetes tot 100.000 euro, oplopend tot 1,6 miljoen euro bij herhaling. 
  • Erkenning van dieren: Dieren worden erkend als levende wezens met gevoel en intrinsieke waarde. 
  • Verbod op elektrische halsbanden: Vanaf 2027 zijn elektrische halsbanden voor honden en katten verboden, met uitzondering van bepaalde situaties zoals bij de Civiele Bescherming en Politie. 
  • Dierenpolitie: Elke politiezone is verplicht een Dierenpolitie in te stellen. 
  • Beschutting voor buiten gehouden dieren: Vanaf 2029 is het verplicht om natuurlijke of kunstmatige beschutting te voorzien voor dieren die buiten worden gehouden. 
  • Verbod op lijmvallen: Het gebruik van lijmvallen en verdrinkingsvallen tegen ratten en muizen is verboden. 
  • Onverdoofd slachten: Er is een verbod op onverdoofd slachten. 
  • Verbod op paardencarrousels: Het inzetten van paardachtigen voor kermissen en soortgelijke evenementen is verboden. 
  • Kooisystemen voor legkippen: Nieuwe kooisystemen zijn reeds verboden met een volledig verbod vanaf 2036.
Wallonië: 

Wallonië heeft de ‘Code wallon du Bien-Être animal’ ingevoerd, met onder andere de volgende maatregelen: 

  • Erkenning van dieren: Dieren worden expliciet erkend als levende wezens met gevoelsvermogen en bewustzijn. 
  • Verbod op batterijkooien: Nieuwe bedrijven die leghennen in kooien houden zijn verboden; bestaande bedrijven moeten uiterlijk in 2028 stoppen. 
  • Kermispony’s: Vanaf 2023 zijn pony’s op kermissen reeds verboden. 
  • Strenge sancties: Er kunnen gevangenisstraffen tot 10 à 15 jaar en geldboetes tot 10 miljoen euro worden opgelegd voor ernstige dierenmishandeling. 
  • Verbod op walvisachtigen in gevangenschap: Het houden van dolfijnen en andere walvisachtigen is verboden. 
  • Cameratoezicht in slachthuizen: Installatie van CCTV-camera’s in slachthuizen is verplicht. 
  • Verbod op levend plukken: Het levend plukken van dieren voor dons is verboden. 
  • Verbod op lijmvallen: Het gebruik van lijmvallen is verboden. 
  • Verbod op permanent vastbinden: Dieren permanent vastbinden is verboden. 
  • Strategie voor proefdiergebruik: Er wordt gewerkt aan een strategie voor de afbouw van proefdiergebruik. 
  • Vergunning voor het houden van dieren: Vanaf 1 juli 2022 is een vergunning vereist om een gezelschapsdier te verwerven.
Brussels Hoofdstedelijk Gewest: 

Het Brussels Gewest heeft recentelijk het eerste Brussels Dierenwelzijnswetboek goedgekeurd , met onder andere: 

  • Verbod op het houden van bepaalde dieren: Het houden van amfibieën en wilde dieren is verboden. 
  • Verbod op dierenmarkten: De verkoop en tentoonstelling van levende dieren op markten is verboden. 
  • Vergunning voor het houden van dieren: Voor bepaalde diersoorten is een vergunning vereist na het volgen van een erkende opleiding of het slagen voor een examen. 
  • Uitbreiding identificatieplicht: Alle dieren kunnen onderworpen worden aan een verplichte identificatie. 
  • Strengere sancties: Het niet-verlenen van hulp aan een dier in nood wordt strafbaar gesteld. 
  • Regeling bij echtscheiding: Bij echtscheidingen wordt het belang van het dier mee in overweging genomen voor de toewijzing van de zorg. 
  • Gezamenlijke begrafenis: Het wordt mogelijk om samen met het huisdier begraven te worden. 
  • Principe van non-regressie: Het beschermingsniveau voor dieren mag niet verminderd worden. 

Nederland 

Nederland hanteert de ‘Wet dieren’ en het ‘Besluit houders van dieren’ als belangrijkste wettelijke kaders voor dierenwelzijn. De wet dieren werd in 2013 ingevoerd en heeft als doel het welzijn van dieren te bevorderen en dierenleed te voorkomen. Beide wetten stellen regels voor het houden, verzorgen en behandelen van dieren, en omvatten specifieke welzijnseisen voor verschillende diersoorten. Nederland werkt ook aan een positieflijst voor zoogdieren, die bepaalt welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ziet toe op de naleving van deze regels.  

Belangrijkste aspecten van de Wet dieren 

  • Erkenning van dierenwelzijn: Dieren worden erkend als wezens met gevoel en een intrinsieke waarde. Eigenaren en houders zijn verplicht om dieren op een verantwoorde manier te verzorgen. 
  • Verbod op dierenmishandeling en verwaarlozing: Het is verboden om dieren pijn of onnodig lijden toe te brengen. Dieren moeten voldoende voeding, water, verzorging en onderdak krijgen. 
  • Regels voor het houden van dieren: Dieren moeten gehuisvest worden op een manier die past bij hun soortspecifieke behoeften. Er gelden eisen voor de grootte en inrichting van hokken en stallen. 
  • Positieflijst voor huisdieren: Niet alle diersoorten mogen als huisdier gehouden worden. De overheid stelt een lijst op van diersoorten die wél toegestaan zijn. 
  • Regels voor landbouw- en proefdieren: Specifieke welzijnseisen voor veehouderij, zoals minimale ruimte voor varkens en kippen en strikte regelgeving voor dierproeven, waarbij alternatieven zoveel mogelijk gestimuleerd worden. 
  • Slacht en transport van dieren: Er gelden regels voor het transporteren van dieren om stress en verwondingen te voorkomen. Dieren mogen alleen geslacht worden onder verdoving, behalve bij religieuze slacht (onder voorwaarden). 
  • Handhaving en sancties: De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controleert naleving. Overtredingen kunnen leiden tot boetes, gevangenisstraffen en een houdverbod voor dieren. 
Recente wijzigingen en toekomstplannen:  
  • Striktere regels voor veehouderij: Nederland werkt aan strengere eisen voor de leefomstandigheden van vee. 
  • Nieuwe positieflijst: Vanaf 2024 is de lijst met toegestane huisdieren vernieuwd. 
  • Afbouw van dierproeven: Nederland streeft naar een vermindering van dierproeven. 
  • Verbod op bepaalde ingrepen: Staart couperen bij honden en het knippen van snavels bij kippen zijn verboden. 

Nuttige info:

EU: 
België: 
Nederland: 

Vlaamse Codex Dierenwelzijn (en ongediertebestrijding) gewijzigd per 1 januari 2025 

De Vlaamse Codex Dierenwelzijn, die op 1 januari 2025 in werking treedt, vervangt de Dierenwelzijnswet van 1986 en introduceert diverse wijzigingen om het welzijn van dieren te verbeteren. Naast een modernisering van de bestaande wetgeving voert de Codex ook enkele strengere regels in. De meeste bepalingen gelden vanaf 1 januari 2025, maar sommige wijzigingen worden pas later van kracht. Zo krijgen bedrijven voldoende tijd om zich aan de nieuwe regels aan te passen. 

Wijzigingen in de Vlaamse CODEX Dierenwelzijn  

Wijzigingen vanaf 1 januari 2025: 
  • Verbod op het houden van in het wild gevangen dieren: Het is niet langer toegestaan om dieren die in het wild zijn gevangen als huisdier te houden. Uitzonderingen gelden voor onder andere asielen, wildopvangcentra en dierentuinen.  
  • Verbod op verkoop van dieren aan minderjarigen: Dieren mogen niet meer worden verkocht aan personen jonger dan 18 jaar zonder uitdrukkelijke toestemming van een ouder of voogd. 
  • Verbod op gebruik van lijmvallen: Het gebruik van lijmvallen voor de bestrijding van ratten en muizen wordt verboden.  
  • Verbod op thuis slachten van bepaalde dieren: Het thuis slachten van schapen, geiten en varkens is niet langer toegestaan, met uitzonderingen voor actieve landbouwers en personen met een vakbekwaamheidsgetuigschrift en een verdovingstoestel.  
  • Aanwijzing van verantwoordelijke voor dierenwelzijn binnen politie: Elke lokale politiezone moet een verantwoordelijke voor dierenwelzijn aanduiden als vast aanspreekpunt.  
  • Verbod op paardencarrousels: Het inzetten van paard achtige voor kermissen en soortgelijke evenementen is verboden. 
Wijzigingen op latere data: 
  • 1 januari 2026: Verbod op verkoop van dieren op markten: De verkoop van dieren op markten wordt verboden, met uitzonderingen voor jaarmarkten, beurzen en tentoonstellingen.  
  • 1 januari 2029: Verplichte beschutting voor buiten gehouden dieren: Dieren die buiten worden gehouden, moeten tegen deze datum voorzien zijn van adequate natuurlijke of kunstmatige beschutting.  
  • 1 januari 2036: Verbod op kooisystemen voor legkippen: Het houden van legkippen in kooisystemen wordt volledig verboden. Nieuwe bedrijven mogen vanaf 2024 geen kooisystemen meer gebruiken; bestaande bedrijven moeten uiterlijk in 2036 zijn omgeschakeld. 
  • Verbod op elektrische halsbanden: Vanaf 2027 zijn elektrische halsbanden voor honden en katten verboden, met uitzondering van bepaalde situaties zoals bij de Civiele Bescherming en Politie.
Andere belangrijke bepalingen: 
  • Erkenning van dieren als wezens met gevoel en intrinsieke waarde: De codex erkent expliciet dat dieren levende wezens zijn met gevoel en een intrinsieke waarde.  
  • Verbod op doden van dieren voor folkloristische evenementen: Het doden van dieren tijdens folkloristische praktijken of evenementen wordt verboden.  
  • Verplichte camerabewaking in slachthuizen: Alle slachthuizen moeten voorzien zijn van camerabewaking om toezicht te houden op het naleven van dierenwelzijnsregels. 
  • Strengere straffen: Overtredingen kunnen leiden tot gevangenisstraffen tot 5 jaar en boetes tot 100.000 euro, oplopend tot 1,6 miljoen euro bij herhaling. 

Handboek Voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen en kruidenpreparaten 

Het Handboek Voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen en kruidenpreparaten van de NVWA, gepubliceerd op 25 augustus 2022, is een handboek dat het bedrijfsleven helpt te voldoen aan de Europese en Nederlandse wetgeving. Naast een uitleg over welke wetgeving van toepassing is, wordt ook aangegeven wat de prioriteiten zijn bij handhaving door de NVWA. 

Algemene regelgeving 

Als eerste is in het handboek een overzicht gegeven van algemene Europese en nationale regelgeving van toepassing op voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen en kruidenpreparaten. Naast de algemene levensmiddelenverordening kun je denken aan regelgeving over bijvoorbeeld etikettering, levensmiddelenhygiëne, contaminanten, residuen van bestrijdingsmiddelen, additieven, voedselcontactmaterialen en microbiologie.  

 Bij elke verordening worden de belangrijkste vereisten opgenoemd. In Verordening (EU) 2023/915 over contaminanten zijn bijvoorbeeld de vereisten over lood, cadmium, kwik, dioxinen en pcb’s en pyrrolizidinealkaloïden te vinden. Specifiek voor kruidenpreparaten gelden normen voor bijvoorbeeld polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en pyrrolizidinealkaloïden voor gedroogde kruiden.  

Het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen verbiedt het toevoegen van vitaminen, fluor- en jodiumverbindingen en aminozuren of hun zouten aan levensmiddelen tenzij dat mag volgens Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen of een ander wettelijk voorschrift. 

 Specifieke regelgeving 

In het handboek is ook specifieke wetgeving benoemd. Voor elke productgroep wordt dit verder toegelicht in aparte hoofdstukken.  

  • Voor voedingssupplementen is alleen de toevoeging van vitaminen en mineralen vastgelegd in regelgeving (in Richtlijn 2002/46/EG, geïmplementeerd in Warenwetbesluit voedingssupplementen, Warenwetregeling voedingssupplementen en Warenwetregeling vrijstelling voedingssupplementen). In de genoemde richtlijn staan minimale en maximale gehalten voor mineralen en vitaminen. Ook benoemt de richtlijn vereisten voor de etikettering en presentatie. Voor andere nutriënten of ingrediënten zijn geen voorschriften vastgesteld. Niet of beperkt toegelaten stoffen in voedingssupplementen zijn vastgelegd in bijlage III van Verordening (EG) nr. 1925/2006. Zoals we eerder vermeldden in het artikel “belangrijke wijzigingen wetgeving”, is een nationale lijst met verboden stoffen in de maak die waarschijnlijk begin 2023 in de Warenwet opgenomen gaat worden. 
  • Voor verrijkte levensmiddelen is Verordening (EG) nr. 1925/2006 van belang. Hierin staat welke vitaminen, mineralen en bepaalde andere stoffen die een nutritioneel of fysiologisch effect hebben, toegevoegd mogen worden aan levensmiddelen. Daarnaast staan van toepassing zijnde presentatie- en etiketteringsvereisten vermeld en de lijsten met niet of beperkt toegelaten stoffen. In nationale wetgeving zijn aanvullende regels te vinden in het Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen, de Warenwetregeling vrijstelling vitamine D en de Warenwetregeling vrijstelling toevoeging foliumzuur en vitamine D aan levensmiddelen. 
  • Voor kruidenpreparaten is geen specifieke Europese regelgeving, in Nederland is het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten van toepassing. Naast de algemene eis dat producten niet schadelijk moeten zijn voor de gezondheid, zijn maximale waarden opgenomen voor bepaalde stoffen, schimmels en planten die niet toegevoegd mogen worden. Qua etikettering wordt een gebruiks- of doseringsadvies gevraagd. Voor sint-janskruid komt waarschijnlijk dit jaar nog de verplichting voor een waarschuwingstekst 

Handhaving 

Prioriteiten bij de handhaving door de NVWA op voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen en kruidenpreparaten zijn de voedselveiligheid en misleiding. Misleiding kan betrekking hebben op etiketinformatie, maar ook op de informatie die via internet of social media wordt gegeven valt daar onder. Juist hiervoor heeft de NVWA steeds meer aandacht. Naast het algemene interventiebeleid heeft de NVWA specifiek interventiebeleid ontwikkelt ten aanzien van de samenstelling en de etikettering van voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen en kruidenpreparaten.    

Parasieten in voedsel: waar komen ze voor en hoe voorkom je besmetting?  

Parasieten in voedsel vormen een vaak onderschat risico voor de gezondheid. Goede hygiëne, zorgvuldige voedselverwerking en het vermijden van rauw of onvoldoende verhit voedsel helpen besmetting te voorkomen. Vooral zwangere vrouwen en mensen met een verzwakt immuunsysteem moeten extra voorzichtig zijn. Veel infecties door voedselparasieten blijven onopgemerkt. Door globalisering en internationale handel neemt het aantal besmettingen toe. Sommige parasieten hebben een lange incubatietijd, soms zelfs jaren, waardoor de bron moeilijk te achterhalen is. In dit artikel bespreken we de belangrijkste voedselparasieten, de gezondheidsrisico’s en hoe je besmetting kunt voorkomen.

Wat zijn parasieten? 

Parasieten zijn micro-organismen die een gastheer nodig hebben om te overleven en zich voort te planten. Sommige parasieten veroorzaken ziektes, terwijl anderen onschadelijk zijn. Ze nestelen zich in verschillende delen van het lichaam, zoals de darmen, lever, longen, huid of bloed. Parasieten worden ingedeeld in ectoparasieten (zoals vlooien en teken) en endoparasieten, die zich in het lichaam bevinden. Alleen endoparasieten vormen een risico voor voedselveiligheid. 

Endoparasieten en Symptomen 

Endoparasieten zijn onderverdeeld in protozoa en wormen (nematoden, lintwormen en zuigwormen). Besmetting kan plaatsvinden via contact met uitwerpselen, vervuild water of slechte hygiëne. Dit kan maag- en darmklachten veroorzaken, zoals diarree, misselijkheid en gewichtsverlies. De ernst van de symptomen hangt af van het type parasiet en de weerstand van de persoon. 

Protozoa 

Protozoa worden steeds via de fecale-orale route overgedragen en kunnen als cyste langdurig buiten een gastheer overleven. Denk aan vervuild irrigatiewater of uitwerpselen van dieren op de akkers.   

  • Cryptosporidium: Veroorzaakt cryptosporidiose met waterige diarree. Verspreiding gebeurt via besmet water of voedsel. De cysten van Cryptosporidium zijn zeer resistent tegen weersinvloeden en ontsmettingsmiddelen, zoals chloor. Besmetting vindt vaak plaats door het inslikken van besmet water (bijvoorbeeld uit zwembaden) of het eten van groenten besproeid met besmet water. Ook besmet vlees of zuivel kunnen een bron van infectie zijn. Besmetting kan worden voorkomen door groente en fruit goed te wassen en vooral door goede hygiëne tijdens voedselbereiding. In 2024 was er een grote uitbraak in Engeland door besmet leidingwater, veroorzaakt door een beschadigde klep in het leidingsysteem. Cryptosporidium staat in de top 14 van beruchte ziekmakers in voedsel.
  • Toxoplasma gondii: Komt voor in rauw vlees en kattenuitwerpselen. De infectie is meestal mild, maar gevaarlijk voor zwangere vrouwen en mensen met een verzwakt immuunsysteem. Preventie kan door het invriezen van vlees. Toxoplasma gondii staat eveneens in de top 14 van beruchte ziekmakers in voedsel.
  • Cyclospora cayetanensis: Komt voor in tropische gebieden en wordt verspreid via dierlijke ontlasting en besmet water. Het komt vaak via besmette groenten en fruit in het darmkanaal terecht. Sommige dieren, zoals duiven, kunnen het overbrengen door contact met besmette uitwerpselen of water, waardoor de aanwezigheid van deze dieren nabij waterbronnen een risicofactor is. In 2024 was er een uitbraak in de VS waarbij 60 mensen gastro-enteritis opliepen door besmette groenten en fruit. Goed wassen van fruit en groenten kan besmetting voorkomen.
  • Entamoeba histolytica: Komt voor in de tropen en subtropen en veroorzaakt amoebiasis, waarbij de darmwand wordt beschadigd. Besmetting gebeurt via vervuild voedsel of water.
  • Giardia lamblia: Wordt overgedragen via besmet water, voedsel, of door slechte hygiëne van mens tot mens. Het veroorzaakt diarree en spijsverteringsproblemen. Giardia lamblia staat ook in de top 14 van beruchte ziekmakers in voedsel. Een goede hygiëne, zoals handen wassen voor het eten en na toiletbezoek, is essentieel om besmetting te beperken. Water filteren of koken gedurende enkele minuten helpt ook om besmetting te voorkomen.
Cestoden (lintwormen) 
  • Echinococcus spp. (honden- en vossenlintworm): Overdracht vindt plaats via besmette dieren of voedsel. Deze parasiet kan cysten in organen veroorzaken, wat ernstige gevolgen heeft. Wordt vaak door vossen overgedragen. Besmetting kan worden voorkomen door groenten en fruit grondig te wassen. In 2023 waarschuwde de NVWA plukkers in Zuid-Limburg voor besmetting van laaghangend zacht fruit, en adviseerde hen dit voor consumptie grondig te wassen.
  • Diphyllobothrium latum (brede lintworm): Overdracht gebeurt via rauwe vis of schaaldieren die besmette vis hebben gegeten. Deze parasiet kan buikklachten en bloedarmoede veroorzaken. Voorkomen kan door vis en visetende schaaldieren voldoende te verhitten.
  • Taenia spp. (runder- en varkenslintworm): Deze parasiet komt voornamelijk voor in warmere gebieden. Taenia solium kan cysten in de hersenen veroorzaken. De parasiet verspreidt zich via rauw of onvoldoende verhit vlees. Besmetting kan worden voorkomen door fruit en groenten goed te wassen en door goede handhygiëne na toiletbezoek.
Nematoden (rondwormen) 
  • Ascaris lumbricoides (spoelworm): Besmetting vindt plaats via groenten die op vervuilde grond groeien. Vaak is besmetting asymptomatisch, maar het kan buikklachten veroorzaken. Preventie: Zorg voor goede sanitaire voorzieningen en verhit voedsel voordat je het consumeert.
  • Anisakis (haringworm): Deze parasiet komt voor in rauwe vis zoals haring en zalm. Het kan hevige maag- en darmklachten veroorzaken. Preventie: Invriezen of koken doodt de larven.
  • Toxocara spp.: Besmetting vindt plaats via honden- en kattenuitwerpselen. De parasiet kan organen aantasten. Preventie: Goede handhygiëne voorkomt besmetting.
  • Trichinella spiralis: Komt voor in varkens- en wildvlees. Deze parasiet kan spiercysten veroorzaken, wat leidt tot ernstige klachten. Het risico op besmetting is zeer klein in Nederland en België door de strenge controle op slachtvee, maar bij wild vlees blijft het risico bestaan. Besmetting gebeurt door het eten van onbehandeld of onvoldoende verhit vlees, zoals varkensvlees, worst, paardenvlees, of wilde dieren (zoals everzwijn) dat besmet is met de wormlarven. In 2024 was er een uitbraak in Argentinië, veroorzaakt door besmet varkensvlees.
Trematoden (zuigwormen) 

Trematoden zijn parasitaire platwormen die lever- en galwegaandoeningen kunnen veroorzaken, vaak met ernstige gezondheidsgevolgen op de lange termijn. De meeste infecties komen voor in Zuidoost-Azië, maar ook in Amerika en Europa neemt het aantal infecties toe. Wetenschappers voorspellen dat het aantal voedselgerelateerde trematodeninfecties wereldwijd tot 2030 stabiel blijft. Deze parasieten, zoals lever-, long- en darmbotten, worden overgedragen via besmette vis, schaaldieren of planten en kunnen ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. In 2021 waren er wereldwijd 44,5 miljoen infecties, met 85% van de gevallen in China, Thailand, Zuid-Korea en Vietnam. 

De bestrijding is moeilijk door de complexe levenscyclus van de parasieten en culturele eetgewoonten. In lage-inkomenslanden ontbreekt effectieve monitoring, wat de impact onderschat. Wetenschappers benadrukken het belang van educatie, vooral bij kinderen, om gedragsverandering en preventie te bevorderen. Trematodeninfecties blijven een onderschat volksgezondheidsprobleem. 

Drie belangrijke soorten trematoden zijn: 

  • Clonorchis sinensis: Komt voor in Oost-Azië en infecteert de galwegen na consumptie van rauwe of onvoldoende verhitte zoetwatervis. Kan op lange termijn leiden tot galstenen, levercirrose en verhoogd risico op galwegkanker. 
  • Opisthorchis viverrini: Voorkomend in Zuid-Oost Azië, wordt overgedragen via onvoldoende verhitte vis. Het kan leiden tot ernstige galwegproblemen, zoals ontstekingen, galstenen en een verhoogd risico op cholangiocarcinoom (galwegkanker).
  • Fasciola hepatica: Treft vooral herkauwers, maar ook mensen kunnen besmet raken via besmette waterplanten (zoals waterkers). De parasiet migreert naar de lever en kan leiden tot geelzucht, bloedarmoede, gewichtsverlies en leververgroting. Was waterkers grondig voor consumptie, hoewel dat niet altijd voldoende is om besmetting te voorkomen. Het is beter om de herkomst van de waterkers te achterhalen, bijvoorbeeld door te controleren of dieren niet bij de waterkersvelden kunnen komen. Vermijd ook het eten van rauwe vis.