Pathogenen zijn een veelvoorkomend onderwerp in de voedselindustrie omdat de besmetting van levensmiddelen met pathogenen gevaarlijk kan zijn voor de gezondheid van de consument. Tijdens het productieproces kunnen pathogenen voorkomen in het product maar ook in de omgeving van de productielocatie. Dit noemen we dan een omgevingspathogeen. Er zijn verschillende omgevingspathogenen aanwezig in verschillende sectoren van de levensmiddelenindustrie.
Omgevingspathogenen zijn ziekteverwekkers (zoals bacteriën, virussen, schimmels of parasieten) die in de omgeving kunnen voorkomen — buiten het lichaam van mensen of dieren — en van daaruit een infectie kunnen veroorzaken. Ze kunnen zich bevinden in water, bodem, oppervlakken in de productieomgeving, lucht en andere plekken binnen de productieomgeving. Deze pathogenen kunnen lange tijd in de productieomgeving overleven en zelfs groeien. Omgevingspathogenen vormen daarom een groot risico voor de consument, omdat ze producten kunnen besmetten ná een reducerende behandeling heeft plaatsgevonden. Dit noemen we dan nabesmetting. Daarom is het belangrijk om deze in kaart te brengen en een goed monitoringsplan op te stellen om de groei van omgevingspathogenen uit te kunnen sluiten.
De meest voorkomende omgevingspathogenen in de levensmiddelenindustrie zijn Listeria Monocytogenes en Salmonella spp. Ook in de wetgeving ligt op deze twee pathogenen de meeste focus. Daarnaast zijn er nog verschillende omgevingspathogenen die vooral in specifieke sectoren relevant zijn. Voorbeelden hiervan zijn:
Het is goed om te weten dat er zich passanten of persistente stammen (huisstammen) in de productieomgeving kunnen bevinden. Passanten worden eenmalig gevonden tijdens omgevingsmonitoring en kunnen door de reinigings-en ontsmettingsprocedures verwijderd worden, terwijl persistente stammen gedurende langere tijd teruggevonden. Ze kunnen zich bijvoorbeeld vestigen in niches en een herhaaldelijk probleem gaan vormen doordat ze mogelijk niet volledig geïnactiveerd worden door standaard reinigings-en ontsmettingsprocedures.
De groei van pathogenen hangt sterk af van de omstandigheden waarin het pathogeen zich bevindt. Factoren als temperatuur, aanwezigheid van voeding, pH, aw-waarde (wateractiviteit), zoutgehalte en zuurstof aanwezigheid kunnen ervoor zorgen dat een pathogeen snel of juist vermindert kan groeien. Het is dus belangrijk om te weten wat deze parameters zijn binnen je bedrijf om beter te kunnen begrijpen welke pathogenen een risico kunnen vormen. Hieronder zal verder beschreven worden welke omgevingspathogenen een gevaar kunnen vormen en voor welke sectoren specifiek.
Listeria monocytogenes is een bacterie die behoort tot de familie van de Listeriaceae en staat bekend als een gevaarlijk omgevingspathogeen, vooral binnen de voedingsmiddelenindustrie. De bacterie kan de ziekte listeriose veroorzaken, een ernstige infectie die vooral risicogroepen treft, zoals zwangere vrouwen, ouderen en mensen met een verzwakt immuunsysteem. Ook kan Listeria zogenaamde biofilms vormen waarin de bacterie robuuster is en zich kan hechten aan oppervlakten.
Listeria monocytogenes is bijzonder vanwege zijn vermogen om te groeien onder omstandigheden waar veel andere bacteriën dat niet kunnen:
Omdat we het beschouwen als een omgevingspathogeen heeft het naast mogelijk aanwezigheid op het product, ook andere mogelijke leefomgevingen:
Daarnaast komt de bacterie ook in de natuurlijke omgeving voor zoals in de bodem, in water, planten en uitwerpselen van dieren. Listeria is niet veeleisend als het gaat om voedingsstoffen. Het groeit goed in eiwitrijke en koolhydraatrijke omgevingen zoals:
Listeria monitoring is vooral van belang in sectoren waar gekoelde, Ready-to-eat producten worden geproduceerd. De reden hiervoor is dat deze producten vaak al een reducerende behandeling hebben gehad, waardoor nabesmetting ervoor kan zorgen dat consumenten de pathogeen direct consumeren zonder een verhittende stap.
Daarom zijn relevante sectoren voor Listeria Monocytogenes:
Naast dat het in deze sectoren een verhoogde kans heeft, is het risico op Listeria monocytogenes een relevant gevaar voor vrijwel elke sector. Zorg ervoor dat de factoren in kaart worden gebracht die de groei van listeria kunnen bevorderen of remmen, zodat een goede inschatting gemaakt kan worden betreffend het risico op listeria besmettingen.
Salmonella spp. zijn een groep bacteriën binnen de familie Enterobacteriaceae die wereldwijd bekend staat als veroorzaker van voedselinfecties. Salmonella komt vaak voor bij landbouwhuisdieren en hun producten en is daarom een frequente oorzaak van gastro-intestinale infecties. Het veroorzaakt de ziekte salmonellose.
Salmonella heeft relatief milde eisen voor groei en overleving:
Salmonella komt van nature voor in de darmen van dieren en kan via ontlasting in het milieu terechtkomen. Op productielocaties kan het binnenkomen via besmette grondstoffen zoals rauw vlees, eieren, kruiden of noten. De bacterie kan overleven op droge oppervlakken, in stof en in moeilijk te reinigen plekken zoals naden, kieren en machines. Ook in vochtige zones zoals afvoeren, natte vloeren en condensatiepunten kan Salmonella zich ophopen. Via personeel, luchtstromen of kruisbesmetting tussen ‘vuil’ en ‘schoon’ gebied kan het zich verspreiden.
Salmonella is een bacterie die relatief weinig eisen stelt aan zijn voeding en gebruikt een breed scala aan voedingstoffen die vaak aanwezig zijn in dierlijke producten. Denk hierbij dan vooral aan eiwitten en vetten, maar ook suikers en mineralen worden gebruikt als voedingsstoffen voor Salmonella spp. Als je dat dan vertaald naar producten moet je denken aan producten als:
Deze voorkeur aan voedingsstoffen is ook terug te zien in de sectoren waar salmonella vooral vaak voorkomt. Denk hierbij aan:
Daarnaast kan salmonella ook in andere productgroepen voorkomen omdat het ook in droge omstandigheden kan overleven en daardoor alsnog in een product kan komen. Hiervan bewust zijn is cruciaal omdat droge producten vaak niet meteen als risicovol gezien worden voor salmonella. Voorbeelden hiervan zijn:
Bacillus cereus is een sporenvormende bacterie die veel voorkomt in de natuur en in voedselproductieomgevingen. De bacterie is vooral berucht vanwege zijn vermogen om hittestabiele toxines te produceren die voedselvergiftiging kunnen veroorzaken. Deze sporen zijn lastig te verwijderen waardoor het ook na reducerende stappen als pasteuriseren en garen aanwezig kan blijven in het product.
De groeifactoren van bacillus cereus:
Zoals eerder vermeld vormt B. cereus sporen die zeer resistent zijn tegen hitte, uitdroging en chemische reiniging – deze kunnen overleven tijdens pasteurisatie en droging.
Bacillus cereus komt van nature voor in bodem, stof, plantaardig materiaal en water, en is daardoor wijdverspreid in de omgeving. De bacterie kan in productielocaties terechtkomen via grondstoffen zoals granen, rijst, melk en groenten. Omdat B. cereus sporen vormt, kan het overleven op oppervlakken, in stofdeeltjes en in droge producten zoals poeders of kruiden. Slechte hygiëne, onvoldoende reiniging van apparatuur of het gebruik van besmette grondstoffen vergroot het risico op verspreiding. B.cereus haalt z’n voedingsstoffen uit eiwitten en suikers, maar voornamelijk uit zetmeel. De bacterie kan namelijk efficiënt zetmeel omzetten tot voedingsstoffen om daarna toxines te produceren. Daarom kan B. cereus veelvoudig voorkomen in producten als:
Dit betekent dat er een aantal sectoren zijn die een grotere kans hebben om B. cereus tegen te komen tijdens hun productieproces:
Naast verschillende sectoren in het productieproces, is er ook een grote kans om B. cereus aan te treffen in grootkeukens of cateringbedrijven. Denk hierbij aan restaurants, kantines, en andere bedrijven waar eten wordt klaargemaakt. Doordat producten hier worden bewaard (niet altijd even goed gekoeld), voorgekookt en opgewarmd is er een kans dat er toxinevorming heeft plaatsgevonden.
Escherichia coli (STEC), oftewel Shiga-toxine producerende Escherichia coli, is een bacterie die in het darmstelsel van mensen en dieren leeft, maar ook in de omgeving kan overleven. Het is vooral bekend vanwege het veroorzaken van ernstige voedselvergiftiging, met symptomen variërend van diarree tot nierfalen (HUS – hemolytisch-uremisch syndroom). Het gevaar zit voornamelijk in de productie van Shiga-toxines, die schadelijk zijn voor de darmen en nieren.
De groeiomstandigheden voor STEC zijn als volgt:
Shiga-toxine producerende Escherichia coli (STEC) leeft van nature in de darmen van dieren, vooral runderen, waar het via ontlasting in de omgeving terechtkomt. Het komt op productielocaties via rauw vlees, groenten (via besmet water of mest), en onvoldoende verwerkte zuivel. De bacterie kan overleven op oppervlakken van machines, vloeren en verpakkingsmaterialen, vooral als deze niet goed gereinigd worden. STEC kan zich handhaven in zowel koelomstandigheden als warme omgevingen, wat het risico vergroot. Slechte hygiënepraktijken, zoals kruisbesmetting tussen rauw en bereid voedsel, zorgen ervoor dat STEC zich blijft verspreiden binnen de productielocatie.
De voornaamste voedingsbronnen van STEC zijn producten die rijk zijn aan eiwitten, vetten en suikers. Voorbeelden hiervan zijn:
Daarom zijn relevante sectoren waarin STEC een vergrote kans van voorkomen heeft ook sectoren waarin deze producten geproduceerd worden. Denk daarbij aan:
Campylobacter spp.(vooral Campylobacter jejuni en Campylobacter coli) zijn bacteriën die wereldwijd verantwoordelijk zijn voor een van de meest voorkomende voedselinfecties bij mensen: campylobacteriose. Een kleine hoeveelheid bacteriën is al voldoende op iemand ziek te kunnen maken. Deze bacteriën kunnen ernstige maag-darmklachten veroorzaken, zoals diarree, buikpijn, koorts en in sommige gevallen ernstige complicaties zoals Guillain-Barré-syndroom.
De groeiomstandigheden voor campylobacter zijn als volgt:
Campylobacter komt voor in het maagdarmkanaal van warmbloedige dieren voornamelijk bij pluimvee, maar ook anderen dieren kunnen drager zijn. Op productielocaties komt de bacterie vaak voor in pluimveeslachterijen op de snijmachines, vloeroppervlakken, werkbanken en leidingen. De bacterie kan zich ook gemakkelijk verplaatsen via kruisbesmetting, zowel op de productielocatie als uiteindelijk in de keuken van de consument.
Vergeleken met andere omgevingspathogenen heeft campylobacter een specifiekere voorkeur voor voedingstoffen. De voorkeur gaat namelijk uit naar aminozuren als energiebron en dan specifiek de aminozuren asparagine, serine en glutamine. Campylobacter gebruikt ten opzichte van andere pathogenen geen suikers als voedingsbron waardoor het goed groeit op eiwitrijke producten zoals vlees en melk.
Campylobacter is een omgevingspathogeen wat kan voorkomen in dierlijke producten. Daarom zijn de meest relevante sectoren die rekening moeten houden met het omgevingspathogeen zijn daarom als volgt:
Staphylococcus aureus (S. aureus) is een veelvoorkomende bacterie die leeft op de huid en slijmvliezen van mensen en dieren. Deze bacterie kan voedselinfecties veroorzaken via toxinevorming, en wordt gezien als een typisch omgevingspathogeen door zijn vermogen om lange tijd te overleven op oppervlakken en zich via personeel of luchtdeeltjes te verspreiden.
De groeiomstandigheden van S. aureus zijn als volgt:
S. aureus is een omgevingspathogeen dat niet veel voorkomt in producten zelf maar vooral van nature voorkomt op de huid, neus en keel van mensen en dieren. Binnen productielocaties kan het voorkomen via personeel zelf (vooral met slechte hygiëne), contactoppervlakken zoals snijplanken en werkbanken, en kan zich hechten aan ruwe oppervlakten via de vorming van biofilm.
De voedingstoffen die S. aureus gebruikt om te kunnen groeien bevinden zich vooral in eiwit- en koolhydraatrijke producten zoals:
S.aureus is vooral besmettelijk via slechte bereidingstechnieken in de keuken en grootkeukens, waarbij nabesmetting het grootste risico betreft. Ook wordt S. aureus vooral een probleem wanneer producten niet goed gekoeld bewaard blijven. In die gevallen zijn de volgende sectoren extra gevoelig voor S. aureus:
Met een groeiende wereldbevolking is er meer aandacht voor de vraag of we in de toekomst nog genoeg voedzaam en veilig voedsel ter beschikking zullen hebben. Wetenschappelijk Comité van het Spaanse Agentschap voor Voedselveiligheid en Voeding (AESAN) heeft recentelijk een verslag uitgebracht over de relatie tussen klimaatverandering en voedselzekerheid en de gevolgen daarvan voor de bevolking. Onderstaand artikel vat samen wat de resultaten zijn uit dat verslag.
Voedselzekerheid betekent dat mensen genoeg, voedzaam en veilig voedsel hebben. Dit hangt af van hoe beschikbaar en betaalbaar voedsel is. De Verenigde Naties zeggen dat voedselzekerheid betekent dat iedereen op elk moment toegang heeft tot voldoende voedsel voor een gezond leven. Dit is anders dan voedselveiligheid, dat gaat over het voorkomen van schadelijke stoffen in voedsel. De One Health-aanpak wordt steeds meer gezien als een manier om voedselzekerheid te waarborgen, vooral door de gevolgen van klimaatverandering. Dit beleid richt zich op duurzame veehouderij en milieubeheer, zowel lokaal als wereldwijd. Tijdens de klimaattop COP28 in Dubai (december 2023) werd het beëindigen van honger en het aanpakken van voedselrisico’s door klimaatverandering als een belangrijk doel gesteld. Dit vraagt om oplossingen zoals duurzaam landgebruik en sterke voedselsystemen.
Klimaatverandering, veroorzaakt door menselijke activiteiten, leidt tot hogere temperaturen, minder neerslag en extremere weersomstandigheden, wat een grote bedreiging vormt voor voedselzekerheid. Als de temperatuur wereldwijd met meer dan 2°C stijgt, kan dit leiden tot ernstige voedselonzekerheid, vooral in gebieden die afhankelijk zijn van landbouw. Ook bedreigt klimaatverandering de biodiversiteit, met een kwart van de onderzochte soorten die met uitsterven worden bedreigd, wat de voedselzekerheid verder onder druk zet. Het Wetenschappelijk Comité van de Spaanse Voedselveiligheidsautoriteit (AESAN) onderzoekt de impact van klimaatverandering op voedselzekerheid en biodiversiteit.
Voedsel is een basisbehoefte en een tekort aan voedsel leidt tot ondervoeding. Door de COVID-19-pandemie steeg het aantal ondervoede mensen wereldwijd van 8,4% in 2019 naar 9,9% in 2020. De FAO (De Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties) schat dat de voedselproductie tegen 2050 met 60% moet toenemen om aan de groeiende vraag te voldoen, terwijl bijna 800 miljoen mensen nog steeds honger lijden. De belangrijkste risico’s van klimaatverandering voor voedselzekerheid zijn onder andere het verlies van inkomen in plattelandsgebieden, de achteruitgang van mariene en terrestrische ecosystemen en de verslechtering van voedselsystemen.
Klimaatverandering vormt een bedreiging voor plattelandsgemeenschappen, maar biedt ook kansen voor aanpassingen. Veranderingen in temperatuur en neerslag beïnvloeden de landbouw en ook de verspreiding van plagen en ziekten speelt een rol. Dit heeft negatieve gevolgen voor de gezondheid van gewassen en dieren, wat leidt tot lagere opbrengsten en economische verliezen.
Klimaatverandering heeft grote gevolgen voor mariene ecosystemen, zoals de opwarming van de zee en verzuring, wat de biodiversiteit bedreigt. Dit heeft directe gevolgen voor de visserij, een belangrijke bron van voedsel en inkomen. In Spanje veranderen de gebieden waar vis gevangen wordt door het noordwaarts trekken van vissoorten, wat de beschikbaarheid van zeeproducten beïnvloedt.
Land- en zoetwaterecosystemen zijn kwetsbaar voor klimaatverandering, wat leidt tot een versnelde uitsterving van soorten. Dit heeft grote gevolgen voor de biodiversiteit en voedselproductie. De verschuiving van landbouwgebieden en veranderingen in groeiseizoenen beïnvloeden de opbrengsten van gewassen.
Klimaatverandering verstoort de voedselvoorziening en kan leiden tot hogere prijzen en instabiliteit in het voedselsysteem. Dit kan ervoor zorgen dat mensen meer ongezonde voedingsmiddelen gaan eten, wat ondervoeding en obesitas kan verergeren. Er is dringend behoefte aan een herstructurering van het voedselsysteem en aanpassing van consumptiepatronen. Lees in dit artikel verder over hoe mycotoxinen in ons voedsel toenemen door klimaatverandering.
Aanpassing aan klimaatverandering vereist dat mensen hun inkomsten diversifiëren en duurzame landbouwmethoden toepassen. Gemeenschappen moeten zich voorbereiden op natuurrampen en de schaarste aan natuurlijke hulpbronnen aanpakken. Duurzaam beheer van deze hulpbronnen is cruciaal om de biodiversiteit te behouden en de gevolgen van klimaatverandering te verminderen.
Klimaatverandering heeft een grote impact op de toegang tot gezond en veilig voedsel over de hele wereld. De belangrijkste risico’s zijn het verlies van biodiversiteit, de achteruitgang van mariene en kustecosystemen en de verslechtering van land- en zoetwaterecosystemen. Dit zorgt ervoor dat planten en dieren zich anders gaan verspreiden en hun levenscycli veranderen, wat de kwaliteit van de bodem en de biodiversiteit aantast. Dit leidt ook tot lagere gewasopbrengsten en voedingswaarde van voedsel. Daarnaast neemt het risico op plagen en verliezen na de oogst toe en hogere temperaturen hebben een negatieve invloed op de gezondheid van dieren.
De voedingsstatus van mensen wordt bedreigd door minder beschikbaarheid van voedsel, beperkte toegang tot voedsel en instabiliteit in het voedselsysteem. Het is belangrijk om de risico’s en kwetsbaarheden goed te begrijpen, zodat we effectieve aanpassingsstrategieën kunnen ontwikkelen. Om voedselzekerheid te waarborgen, is het nodig om over te stappen naar sterkere en duurzamere landbouw- en voedselsystemen. Dit vraagt om een geïntegreerde aanpak die sociale bescherming, duurzame praktijken en risicobeheer omvat.
In 2025 zijn er belangrijke wijzigingen doorgevoerd in Verordening (EU) nr. 10/2011, die betrekking heeft op materialen en voorwerpen van kunststof bestemd om met levensmiddelen in contact te komen. Deze wijzigingen zijn vastgelegd in Verordening (EU) 2025/351 van de Commissie, gepubliceerd op 24 februari 2025.
Er zijn strengere zuiverheidseisen ingevoerd voor stoffen die worden gebruikt bij de vervaardiging van kunststof materialen en voorwerpen die met levensmiddelen in contact komen. Dit is bedoeld om de veiligheid en kwaliteit van deze materialen te waarborgen. Betreft Aanpassing van de definitie van “specificatie” in artikel 3: Het begrip “specificatie” is herzien en omvat nu expliciet zuiverheidseisen voor stoffen. Deze wijziging benadrukt het belang van zuiverheid bij stoffen die worden gebruikt in materialen en voorwerpen van kunststof die met levensmiddelen in contact komen.
‘Specificatie’: “de samenstelling van een stof, zuiverheidseisen voor een stof, fysische of chemische eigenschappen van een stof, bijzonderheden over het vervaardigingsproces van een stof of een nadere toelichting op de wijze waarop de migratielimieten uitgedrukt zijn.”
De verordening is aangepast om ook gerecycleerde kunststof materialen en voorwerpen te reguleren. Dit omvat wijzigingen in Verordening (EU) 2022/1616, met als doel het gebruik van gerecycleerde kunststoffen in voedselcontactmaterialen te bevorderen en te controleren. Hieronder een overzicht van de wijzing.
Materialen en voorwerpen die voldoen aan de eerdere versie van Verordening (EU) nr. 10/2011 mogen tot 16 september 2026 op de markt worden gebracht, mits ze vóór deze datum voor het eerst in de handel zijn gebracht.
Deze wijzigingen benadrukken de voortdurende inspanningen van de EU om de veiligheid en kwaliteit van materialen die met levensmiddelen in contact komen te verbeteren, met speciale aandacht voor de toenemende integratie van gerecycleerde materialen.
Per 20 januari 2025 is het gebruik van Bisfenol A (BPA) in voedselcontactmaterialen binnen de EU verboden. Deze maatregel is vastgelegd in Verordening (EU) 2024/3190 van de Europese Commissie en heeft als doel de blootstelling van consumenten aan deze schadelijke stof te minimaliseren.
BPA is een chemische stof die voornamelijk werd gebruikt in de productie van bepaalde voedselcontactmaterialen, zoals epoxyharsen voor coatings in metalen voedsel- en drankblikken en duurzame kunststoffen voor herbruikbare drinkflessen of voedseltransportapparatuur. Vanwege de gezondheidsrisico’s die BPA met zich meebrengt, waaronder hormonale verstoringen, heeft de Europese Commissie besloten tot een algeheel verbod op het gebruik en de handel van BPA in voedselcontactmaterialen.
Fabrikanten die BPA gebruikten in hun producten moeten nu overstappen op alternatieve, veiligere stoffen. Dit verbod geldt voor een breed scala aan voedselcontactmaterialen, waaronder:
Hoewel het verbod op BPA op 20 januari 2025 is ingegaan, zijn er overgangsregelingen getroffen om de industrie de tijd te geven zich aan te passen. Zo mogen voedselverpakkingen voor eenmalig gebruik die vóór deze datum zijn geproduceerd en voldoen aan de eerdere regelgeving, tot 20 juli 2026 op de markt worden gebracht. Voor bepaalde producten, zoals verpakkingen voor de conservering van groenten, fruit of vis, geldt een langere overgangsperiode.
Het Nederlandse Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft onlangs een internetconsultatie gehouden over aanpassingen in de Warenwetregelgeving betreffende voedingssupplementen en kruidenpreparaten. Deze voorgestelde wijzigingen zijn bedoeld om schadelijke stoffen in deze producten beter te herkennen en te reguleren, zodat de veiligheid van consumenten wordt gewaarborgd.
Voedingssupplementen en kruidenpreparaten mogen geen stoffen bevatten die schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarom is het belangrijk om te bepalen welke stoffen mogelijk een risico vormen en maatregelen te nemen om het gebruik ervan te beperken of te verbieden. Met deze aanpassingen kan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) beter toezicht houden en sneller reageren op nieuwe inzichten over de veiligheid van bepaalde stoffen.
Warenwetbesluit Kruidenpreparaten: Er komt een nieuwe regel die het mogelijk maakt om via een ministeriële regeling bepaalde planten en schimmels te verbieden of onder voorwaarden toe te staan. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er een maximale dosering wordt vastgesteld of dat er een gebruiksadvies wordt verplicht. Hierdoor kan sneller worden ingespeeld op nieuwe wetenschappelijke inzichten over mogelijke gezondheidsrisico’s. In het concept worden in bijlage 1 de verboden planten en schimmels genoemd. Materiaal wat geheel of gedeeltelijk van deze planten of schimmels afkomstig is mag niet worden toegepast in kruidenpreparaten. In bijlage 2 staan de planten en schimmels vernoemd waarvan materiaal enkel onder voorwaarden is toegestaan. Bij planten en schimmels (of delen daarvan) welke in bijlage 3 genoemd zijn is er een gebruiksadvies op het etiket verplicht.
Warenwetbesluit Voedingssupplementen: Een nieuw artikel maakt het mogelijk om specifieke stoffen in voedingssupplementen te verbieden of alleen onder bepaalde voorwaarden toe te staan. Ook hier kunnen regels worden ingesteld over maximale hoeveelheden of gebruiksadviezen, zodat supplementen veiliger worden voor consumenten. Er zijn in het concept in bijlage 1 stoffen genoemd welke niet meer mogen voorkomen in voedingssupplementen en in bijlage 2 stoffen welke slechts onder voorwaarden worden toegelaten.
De bijlages zijn reeds inzichtelijk in het ontwerp. Volg deze link en download de ‘relevante informatie’.
De internetconsultatie was open tot 24 maart 2025. In deze periode konden bedrijven, deskundigen en andere belanghebbenden hun mening geven over de voorgestelde veranderingen. Het is nog niet bekend of de regels nog worden aangepast op basis van deze feedback of wanneer de definitieve wijzigingen ingaan.
Het Europees Milieuagentschap (EMA) en de Europese autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) waarschuwen dat door de opwarming van de aarde het risico toeneemt dat mensen in contact komen met mycotoxinen in voedsel.
Mycotoxinen zijn schadelijke stoffen welke door schimmels gevormd worden en ze komen voor in voedingsmiddelen zoals tarwe, maïs en gerst. De stoffen worden door planten opgenomen tijdens de groei of na de oogst en blijven in het voedsel, zelfs na wassen, koken of verwerken. Mensen krijgen ze vervolgens binnen via deze granen en producten daarvan zoals brood, pasta, bier, maar ook via fruit en zelfs besmet water. Ze kunnen ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken, zoals hormonale verstoringen, een verzwakt immuunsysteem, lever- en nierschade, miskramen, schade aan ongeboren kinderen en zelfs kanker.
Vocht en warmte bevordert de groei van schimmels, daardoor beïnvloedt klimaatverandering het gedrag en de verspreiding van schimmels. In Europa ziet men wereldwijd de grootste stijging in temperatuur en neemt het risico op blootstelling aan mycotoxinen toe. In de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara is het nu al een groot probleem. Als de besmetting daar nog toeneemt, kan dat tot grote oogstverliezen leiden.
Bovendien kunnen verhoogde neerslag, overstromingen en bodemerosie mycotoxinen van de bodem naar rivieren en grondwater verplaatsen. Dit vergroot de kans op besmetting van voedsel en diervoeder en verhoogt het risico dat mycotoxinen in drinkwater terechtkomen. Extreme weersomstandigheden, zoals zware regenval of langdurige droogte, verhogen ook de stress op planten, waardoor gewassen (vooral maïs) kwetsbaarder worden voor schimmelinfecties en besmetting met mycotoxinen.
Daarnaast kan de toename van schimmels die mycotoxinen produceren ook onbedoelde risico’s voor de volksgezondheid en duurzaamheid met zich meebrengen door een groter gebruik van bestrijdingsmiddelen zoals fungiciden.
Uit studies blijkt dat ongeveer 25 procent van de gewassen de EU-limieten voor mycotoxinen overschrijdt. Volgens gegevens van de EU wordt 14 procent van de volwassen Europese bevolking blootgesteld aan het mycotoxine deoxynivalenol (DON) in gevaarlijke hoeveelheden. Andere schadelijke mycotoxinen die belangrijk zijn voor de gezondheid zijn aflatoxinen, fumonisine, zearalenon en ochratoxine A.
Er wordt al gekeken naar de invloed van milieufactoren zoals neerslag, zonuren en temperatuur op het risico van mycotoxinen. Dit toezicht kan worden uitgebreid naar voedsel, diervoeder, dieren en mensen. Het EMA stelt ook andere mogelijke acties voor om besmetting met mycotoxinen te verminderen, zoals het kweken van gewassen die resistent zijn tegen schimmelinfecties, het toepassen van goede landbouwpraktijken (zoals vruchtwisseling om de bodemvruchtbaarheid te verbeteren en schimmeloverdracht te minimaliseren) en het gebruik van biologische bestrijdingsmethoden en voorspellende modellen.
Technologische systemen om bedrijven te ondersteunen als ERP (Enterprise Resource Planning), QMS (Quality Management Systems) zijn reeds geruime tijd in gebruik. Technologische trends die op dit moment in trek zijn, zijn bijvoorbeeld: cloudmigratie en AI-toepassingen.
Cloudmigratie biedt verschillende voordelen voor bedrijven, zoals verhoogde efficiëntie, schaalbaarheid en kostenbesparing. Tegelijkertijd brengt de overstap naar de cloud ook uitdagingen met zich mee, waaronder beveiligingsrisico’s en afhankelijkheid van externe aanbieders.
AI biedt veel mogelijkheden, van geavanceerde procesoptimalisatie tot het verbeteren van voedselveiligheid en consumentgerichte productontwikkeling. Tegelijkertijd brengt de toepassing van AI ook uitdagingen met zich mee, zoals hoge implementatiekosten, afhankelijkheid van data en ethische vraagstukken.
AI komt pas echt tot zijn recht wanneer bedrijven een sterke digitale basis hebben. Betrouwbare AI-resultaten zijn afhankelijk van hoogwaardige data – wat erin gaat, bepaalt wat eruit komt. Daarom is het cruciaal om eerst te investeren in solide software, efficiënte processen en een goed geïntegreerd IT-systeem. Sommige technologieaanbieders leveren complete pakketten waarin AI al is geïntegreerd. Toch is het belangrijk om alert te blijven op ‘AI-washing’ – bedrijven die AI promoten zonder de noodzakelijke digitale fundamenten op orde te hebben. Om AI succesvol toe te passen, moet je als bedrijf dus eerst de technologische basis versterken en vervolgens strategisch gebruikmaken van geavanceerde AI-oplossingen.
Dierenwelzijnswetgeving wordt op zowel Europees als nationaal niveau gereguleerd, waarbij Europese richtlijnen en verordeningen de basis vormen voor nationale wetten in lidstaten zoals België en Nederland.
De EU-wetgeving omtrent dierenwelzijn is een van de strengste ter wereld en de komende jaren wordt nog meer regelgeving verwacht om het welzijn van dieren verder te verbeteren. De diverse richtlijnen en verordeningen omvatten onder andere regels voor de bescherming van dieren tijdens transport, bij slacht, in veehouderijsystemen, maar ook in ongediertebestrijding. Lidstaten zijn verplicht deze Europese normen te implementeren in hun nationale wetgeving, maar hebben de vrijheid om strengere maatregelen te nemen indien gewenst.
De EU erkent dieren als “voelende wezens” en heeft bindende regelgeving en richtlijnen om dierenleed te minimaliseren.
Wettelijke basis
Belangrijke EU-wetten en -regels zijn onder andere:
Dierenwelzijn in de veehouderij
De EU heeft minimumnormen voor de bescherming van dieren in de veehouderij. Dit omvat:
In België is dierenwelzijn een regionale bevoegdheid, wat betekent dat Vlaanderen, Wallonië en Brussel elk hun eigen regelgeving hebben. De drie gewesten stellen dus elk specifieke maatregelen en accenten in hun dierenwelzijnswetgeving, afgestemd op regionale prioriteiten en inzichten. Doordat de regels variëren per regio, kan dit leiden tot bijvoorbeeld verschillen in toegestane diersoorten, vergunningsplichten, enz.
Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste initiatieven per gewest.
In Vlaanderen geldt de Dierenwelzijnscodex, die diverse bepalingen omvat. Voor de wijzigingen per 1 januari 2025 lees hier verder.
Wallonië heeft de ‘Code wallon du Bien-Être animal’ ingevoerd, met onder andere de volgende maatregelen:
Het Brussels Gewest heeft recentelijk het eerste Brussels Dierenwelzijnswetboek goedgekeurd , met onder andere:
Nederland hanteert de ‘Wet dieren’ en het ‘Besluit houders van dieren’ als belangrijkste wettelijke kaders voor dierenwelzijn. De wet dieren werd in 2013 ingevoerd en heeft als doel het welzijn van dieren te bevorderen en dierenleed te voorkomen. Beide wetten stellen regels voor het houden, verzorgen en behandelen van dieren, en omvatten specifieke welzijnseisen voor verschillende diersoorten. Nederland werkt ook aan een positieflijst voor zoogdieren, die bepaalt welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ziet toe op de naleving van deze regels.
Belangrijkste aspecten van de Wet dieren
De Vlaamse Codex Dierenwelzijn, die op 1 januari 2025 in werking treedt, vervangt de Dierenwelzijnswet van 1986 en introduceert diverse wijzigingen om het welzijn van dieren te verbeteren. Naast een modernisering van de bestaande wetgeving voert de Codex ook enkele strengere regels in. De meeste bepalingen gelden vanaf 1 januari 2025, maar sommige wijzigingen worden pas later van kracht. Zo krijgen bedrijven voldoende tijd om zich aan de nieuwe regels aan te passen.
Het Handboek Voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen en kruidenpreparaten van de NVWA, gepubliceerd op 25 augustus 2022, is een handboek dat het bedrijfsleven helpt te voldoen aan de Europese en Nederlandse wetgeving. Naast een uitleg over welke wetgeving van toepassing is, wordt ook aangegeven wat de prioriteiten zijn bij handhaving door de NVWA.
Als eerste is in het handboek een overzicht gegeven van algemene Europese en nationale regelgeving van toepassing op voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen en kruidenpreparaten. Naast de algemene levensmiddelenverordening kun je denken aan regelgeving over bijvoorbeeld etikettering, levensmiddelenhygiëne, contaminanten, residuen van bestrijdingsmiddelen, additieven, voedselcontactmaterialen en microbiologie.
Bij elke verordening worden de belangrijkste vereisten opgenoemd. In Verordening (EU) 2023/915 over contaminanten zijn bijvoorbeeld de vereisten over lood, cadmium, kwik, dioxinen en pcb’s en pyrrolizidinealkaloïden te vinden. Specifiek voor kruidenpreparaten gelden normen voor bijvoorbeeld polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en pyrrolizidinealkaloïden voor gedroogde kruiden.
Het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen verbiedt het toevoegen van vitaminen, fluor- en jodiumverbindingen en aminozuren of hun zouten aan levensmiddelen tenzij dat mag volgens Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen of een ander wettelijk voorschrift.
Specifieke regelgeving
In het handboek is ook specifieke wetgeving benoemd. Voor elke productgroep wordt dit verder toegelicht in aparte hoofdstukken.
Prioriteiten bij de handhaving door de NVWA op voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen en kruidenpreparaten zijn de voedselveiligheid en misleiding. Misleiding kan betrekking hebben op etiketinformatie, maar ook op de informatie die via internet of social media wordt gegeven valt daar onder. Juist hiervoor heeft de NVWA steeds meer aandacht. Naast het algemene interventiebeleid heeft de NVWA specifiek interventiebeleid ontwikkelt ten aanzien van de samenstelling en de etikettering van voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen en kruidenpreparaten.
Parasieten in voedsel vormen een vaak onderschat risico voor de gezondheid. Goede hygiëne, zorgvuldige voedselverwerking en het vermijden van rauw of onvoldoende verhit voedsel helpen besmetting te voorkomen. Vooral zwangere vrouwen en mensen met een verzwakt immuunsysteem moeten extra voorzichtig zijn. Veel infecties door voedselparasieten blijven onopgemerkt. Door globalisering en internationale handel neemt het aantal besmettingen toe. Sommige parasieten hebben een lange incubatietijd, soms zelfs jaren, waardoor de bron moeilijk te achterhalen is. In dit artikel bespreken we de belangrijkste voedselparasieten, de gezondheidsrisico’s en hoe je besmetting kunt voorkomen.
Parasieten zijn micro-organismen die een gastheer nodig hebben om te overleven en zich voort te planten. Sommige parasieten veroorzaken ziektes, terwijl anderen onschadelijk zijn. Ze nestelen zich in verschillende delen van het lichaam, zoals de darmen, lever, longen, huid of bloed. Parasieten worden ingedeeld in ectoparasieten (zoals vlooien en teken) en endoparasieten, die zich in het lichaam bevinden. Alleen endoparasieten vormen een risico voor voedselveiligheid.
Endoparasieten zijn onderverdeeld in protozoa en wormen (nematoden, lintwormen en zuigwormen). Besmetting kan plaatsvinden via contact met uitwerpselen, vervuild water of slechte hygiëne. Dit kan maag- en darmklachten veroorzaken, zoals diarree, misselijkheid en gewichtsverlies. De ernst van de symptomen hangt af van het type parasiet en de weerstand van de persoon.
Protozoa worden steeds via de fecale-orale route overgedragen en kunnen als cyste langdurig buiten een gastheer overleven. Denk aan vervuild irrigatiewater of uitwerpselen van dieren op de akkers.
Trematoden zijn parasitaire platwormen die lever- en galwegaandoeningen kunnen veroorzaken, vaak met ernstige gezondheidsgevolgen op de lange termijn. De meeste infecties komen voor in Zuidoost-Azië, maar ook in Amerika en Europa neemt het aantal infecties toe. Wetenschappers voorspellen dat het aantal voedselgerelateerde trematodeninfecties wereldwijd tot 2030 stabiel blijft. Deze parasieten, zoals lever-, long- en darmbotten, worden overgedragen via besmette vis, schaaldieren of planten en kunnen ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. In 2021 waren er wereldwijd 44,5 miljoen infecties, met 85% van de gevallen in China, Thailand, Zuid-Korea en Vietnam.
De bestrijding is moeilijk door de complexe levenscyclus van de parasieten en culturele eetgewoonten. In lage-inkomenslanden ontbreekt effectieve monitoring, wat de impact onderschat. Wetenschappers benadrukken het belang van educatie, vooral bij kinderen, om gedragsverandering en preventie te bevorderen. Trematodeninfecties blijven een onderschat volksgezondheidsprobleem.
Drie belangrijke soorten trematoden zijn: