Listeria monocytogenes is een bacterie die algemeen voorkomt en dus makkelijk het productieproces in gesleept kan worden. De bacterie is zelfs met een goede hygiëne niet volledig uit te sluiten. Zeker voor ready-to–eat producten die gevoelig zijn voor de uitgroei van Listeria monocytogenes, is het lastig te voldoen aan de wettelijke eis. Het toepassen van fagen tegen Listeria monocytogenes kan bijdragen aan het verminderen van problemen met Listeria monocytogenes. Echter, dit is nog niet toegestaan in de Europese Unie.
Meer weten over Listeria? Lees verder in de Risk Safety Sheet.
Listeria monocytogenes is één van de meest ernstige aan voedsel gerelateerde ziekteverwekkers. Het pathogeen veroorzaakt nog steeds een stijgende lijn in het aantal ziektegevallen ondanks maatregelen die de industrie en overheid nemen en het lage aantal overschrijdingen van de wettelijke normen (EFSA, 2019, The European Union One Health 2018 Zoonoses Report en EFSA, 2021, The European Union One Health 2019 Zoonoses Report). Uit het EFSA rapport uit 2019 blijkt dat 15% van de gemelde gevallen met listeriosis, de voedselinfectie die veroorzaakt wordt door Listeria monocytogenes, in 2018 stierf. Ook worden jaarlijks nog steeds diverse recalls gemeld vanwege Listeria monocytogenes. Hierbij waren levensmiddelen zoals gesneden vleeswaar, koud gerookte zalm en bevroren groente betrokken.
Bacteriofagen of fagen zijn virussen die zeer doelgericht en specifiek bacteriën aanvallen, zoals Listeria, STEC of Salmonella. Ze komen overal in de natuur voor en zijn een natuurlijke vijand voor bacteriën. Virussen, en dus ook fagen, zijn opgebouwd uit een RNA- of DNA streng die omgeven wordt door een eiwitmantel. Fagen kunnen zich hechten aan een bacteriecel of een bacterie binnendringen, waarbij ze de bacterie als gastheer gebruiken. Het DNA (of RNA) materiaal van de faag wordt in de bacteriecel gebracht en kan voor vermenigvuldiging van de faag in de cel zorgen. Uiteindelijk gaat de bacteriecel kapot. Fagen zijn onschadelijk voor levende materie, behalve voor de specifieke gastheer. Andere bacteriën dan de specifieke gastheer van de faag worden dus niet aangevallen.
Meer weten over fagen en de toepassingsmogelijkheden in de voedingsmiddelindustrie? Lees dan verder in het kennisbankartikel ‘Virussen voor veiliger voedsel’.
Uit de beoordeling door EFSA (2016) blijkt dat fagen onder bepaalde omstandigheden effectief zijn in het verwijderen van L. monocytogenes van producten zoals vlees en zuivel, maar dat hun effectiviteit bij opnieuw besmette producten minder zeker is.
Fagen zoals Listex P100 kunnen een reductie van 1 tot 3 log L. monocytogenes bewerkstelligen, indien correct toegepast—bij voorkeur post-lethale behandeling en net voor verpakking. Belangrijk is dat deze methodiek deel uitmaakt van een geïntegreerd beheerssysteem, inclusief reiniging, HACCP, temperatuurbeheersing en conserveringsmaatregelen.
Fagen bevinden zich nog in de onderzoeksfase waarin wordt gesteld dat er waarschijnlijk geen directe gevaren zijn voor consumenten, maar dat indirecte gevaren nog niet uitgesloten kunnen worden zoals de mogelijke overdracht van genetisch materiaal tussen bacteriën (bijvoorbeeld antibioticaresistentiegenen of virulentiefactoren), verstoringen van microbiële ecosystemen en onzekerheden over hun werking en effectiviteit per soort onder verschillende omstandigheden in de voedselindustrie.
Onder welke wetgeving een product voor voeding moet worden goedgekeurd, is in de EU afhankelijk van de specifieke toepassing ervan. De toepassing voor Listex P100 was aangevraagd voor kant-en-klare levensmiddelen van dierlijke oorsprong, zoals kaas en vleeswaren, tegen einde van het productieproces en vóór het verpakken van de producten. De faag zal na het toepassen vrij snel de werking verliezen. Het gebruik in die zin voldoet aan de definitie van een technische hulpstof, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) Nr. 1333/2008:
“technische hulpstof”: elke stof die:
Bij Listex P100 is echter een onjuiste wettelijke indeling gebruikt bij de beoordeling. Het werd door de EC beoordeeld als additief. Technische hulpstoffen vallen buiten de Europese additieven wetgeving. Het is daarom aan de verschillende lidstaten om over de toelating te beslissen. De Nederlandse overheid heeft het gebruik van bacteriofagen in levensmiddelen nog niet toegestaan.
In oktober 2019 leidde een uitspraak van het Europees Hof van Justitie (ECJ) tot een belangrijke doorbraak: het gebruik van het faagproduct Listex P100 door Micreos werd tijdelijk toegestaan in de eindfase van RTE voedselproductie, ondanks het ontbreken van een formeel EU-regelgevend kader.
Een recentere uitspraak bevestigt dat de EU-Commissie verplicht is dit type producten te beoordelen, wat Micreos beschermt tegen nationale verboden, zoals in Griekenland.
Desondanks is er nog geen formele goedkeuring verleend door de Europese Commissie en bestaat er geen duidelijke EU-regelgeving die fagen reguleert als additief, technische hulpstof of decontaminatiemiddel.
EFSA heeft de QPS-lijst (Qualified Presumption of Safety) in de eerste helft van 2026 geactualiseerd. De QPS-lijst wordt opgesteld vanuit een systematiek om niet-zorgwekkende micro-organismen te onderscheiden van risicovollere soorten die een volledige veiligheidsbeoordeling vereisen. Bacteriofagen vielen hier eerder buiten door gebrek aan classificering, maar door nieuwe methoden kunnen ze nu op soortniveau worden beoordeeld.
Een QPS-status betekent niet automatisch dat fagen zijn vrijgesteld van de verordening inzake nieuwe voedingsmiddelen of dat een micro-organisme geen Novel Food-beoordeling nodig heeft, maar vereenvoudigt toekomstige toelatingen.
Momenteel staan er nog geen bacteriofagen op de QPS-lijst en bevinden beoordelingen zich in een vroege fase.
Buiten de EU hebben diverse landen fagen al goedgekeurd: Verenigde Staten: Listex P100 heeft de status GRAS (Generally recognized as safe), en mag als verwerkingshulpmiddel gebruikt worden in allerlei voedingsmiddelen. Ook o.a. Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, Israël en Zwitserland staan het gebruik van phageproducten toe voor vermindering van Listeria in voedsel.
De Europese Commissie heeft reeds in 2022 in een aanbeveling aan de lidstaten opgeroepen om op de aanwezigheid van PFAS in levensmiddelen te monitoren. De lidstaten werd gevraagd om tot en met 2025 te testen en de bevindingen door te geven aan de European Food Safety Authority (EFSA). Naast de al vastgestelde maximale limieten voor PFAS in bepaalde levensmiddelen kan op basis van de nieuwe informatie besloten worden of extra limieten nodig zijn. In dit artikel worden de algemene zaken rond monitoring op PFAS van de afgelopen jaren opgenomen en deze zijn aangevuld met de meest recente resultaten uit 2025 en 2026 uit België en Nederland.
In 2020 heeft EFSA een risicobeoordeling uitgebracht over de gezondheid van de mens in verband met de aanwezigheid van PFAS in voedsel. De EFSA concludeerde dat sommige delen van de bevolking de toelaatbare wekelijkse inname overschrijden. Uit het onderzoek blijkt ook dat van veel levensmiddelen nog geen representatieve data beschikbaar is over de aanwezigheid van PFAS. De EFSA adviseert daarom om data te verzamelen van een groot aantal PFAS in levensmiddelen. Met name van belang is data van op grote schaal geconsumeerde levensmiddelen die relevant zijn voor de menselijke inname van PFAS. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van de hoeveelheid PFAS in voeding wordt geadviseerd om veel verschillende levensmiddelen te onderzoeken, die middels verschillende productiemethodes worden geproduceerd. Ook zouden gegevens moeten worden verzameld uit zowel wel als niet verontreinigde gebieden.
Op basis van deze data kan de blootstelling aan de stoffen worden beoordeeld en kan worden bepaald of aanwezigheid in specifieke producten moet worden gereguleerd. Het advies is om minimaal PFOS, PFOA, PFNA en PFHxS te analyseren, indien mogelijk aangevuld met analyses op PFAS stoffen die hierop lijken.
De EFSA beveelt aan maatregelen te nemen om de gevoeligheid van PFAS analysemethoden te verhogen. Om de concentratie PFAS in bepaalde voedingsmiddelen te bepalen zijn namelijk zeer gevoelige analysemethoden nodig die op dit moment niet bij alle laboratoria beschikbaar zijn. Normec Groen Agro Control is het eerste commerciële laboratorium in Nederland dat PFAS in voedingsmiddelen analyseert onder accreditatie.
Levensmiddelen van dierlijke oorsprong dragen in belangrijke mate bij aan de blootstelling aan de mens. Dieren kunnen besmet worden door de grond, drinkwater of diervoeder. Momenteel is er weinig data bekend over de aanwezigheid van PFAS in diervoeders, mede doordat slechts een beperkt aantal laboratoria onderzoek naar PFAS in diervoeders kan uitvoeren. Het Europees referentielaboratorium helpt met het uitbreiden van de capaciteit.
De totale inname van PFAS via drinkwater en voedsel is volgens het rapport van het RIVM in Nederland en een onderzoek van de overheid in België nu hoger dan de door de EFSA vastgestelde gezondheidskundige grenswaarde. In Nederland wordt bij drinkwater de richtwaarde van 4,4 ng PEQ/L (PFOA-equivalenten per liter) bij 6 van de 7 pompstations structureel overschreden.
Het Nederlandse en Belgische drinkwater voldoet wel aan de nieuwe Europese Drinkwaterrichtlijn. De hierboven genoemde drinkwaterrichtwaarde is namelijk gebaseerd op de door de EFSA vastgestelde nieuwe gezondheidskundige grenswaarde. Dit is nog niet het geval bij de maximale limieten voor PFAS in de Europese Drinkwaterrichtlijn. Het is daarom wenselijk het gehalte PFAS in drinkwater verder te verlagen, zodat ook voldaan wordt aan de drinkwaterrichtwaarde van 4,4 ng PEQ/L. Update van januari 2026: Uitgebreider wordt er ingegaan op PFAS in drinkwater in het artikel PFAS in Drinkwater: nieuwe norm vanaf januari 2026.
Juist door gebruik van PFAS in diverse branches en de verspreiding ervan in het milieu, is een brede aanpak nodig.
In de brief van 19 oktober 2022 gericht aan de Nederlandse Tweede Kamer staan diverse maatregelen genoemd:
Update van maart 2026: Een recente kennisnotitie van het RIVM over PFAS in lokaal geproduceerd voedsel laat zien dat de gehalten sterk kunnen variëren afhankelijk van de locatie. In gebieden met bekende bronnen kunnen verhoogde concentraties voorkomen, wat kan leiden tot aanvullende consumptieadviezen.
Eerder werd al onderzoek gedaan naar risico zones als
Recalls blijven een belangrijke graadmeter voor hoe robuust voedselveiligheidssystemen daadwerkelijk functioneren. Europese autoriteiten zoals het FAVV in België, de NVWA in Nederland en de corresponderende toezichthouders in Frankrijk en Duitsland registreren meldingen stuk voor stuk, terwijl het RASFF-platform deze signalen op Europees niveau bundelt. Daardoor ontstaat een rijk beeld van waar processen kwetsbaar zijn en waar bedrijven nog winst kunnen boeken in preventie en kwaliteitsbeheersing.
Wie de recente cijfers uit België, Nederland, Duitsland en Frankrijk naast elkaar legt, ziet duidelijke overeenkomsten in risicocategorieën, maar ook duidelijke verschillen in transparantie, meldingscultuur en procesfouten. Precies die inzichten helpen QA-professionals bij het aanscherpen van hun eigen systemen.
In Nederland vormen allergenen en gerelateerde etiketteringsproblemen veruit de belangrijkste aanleiding voor productrecalls en meldingen. Bijna de helft van de Nederlandse meldingen houdt verband met allergenen. De meest voorkomende incidenten zijn onvermelde allergenen op het etiket, gevolgd door fouten zoals een verkeerd etiket of een verkeerd product in de verpakking. Samen wijzen deze incidenten erop dat veel risico’s ontstaan in de laatste schakels van het productieproces, waar etikettering, productwissels en verpakkingslijnen samenkomen.
Ook in België vormen onvermelde allergenen de grootste individuele oorzaak van meldingen. Wanneer echter ook andere allergenen gerelateerde incidenten worden meegeteld, zoals verkeerde etikettering of fout verpakte producten, blijkt de risicospreiding breder dan in Nederland. In België zijn chemische contaminaties, microbiologische risico’s en fysische verontreinigingen eveneens belangrijke categorieën in het recallbeeld. Dit wijst erop dat voedselveiligheidsincidenten daar minder geconcentreerd zijn rond één type risico.
Voor QA-professionals betekent dit dat allergenenmanagement niet alleen een kwestie is van receptuurbeheer, maar vooral van procesbeheersing op de productievloer. Vooral in omgevingen met veel productvarianten of private label-productie neemt de complexiteit toe. Processen rond etikettering, lijnreiniging, productwissels en lijnvrijgave spelen hierbij een cruciale rol. Een robuust verificatiesysteem, ondersteund door digitale controles of dubbele verificatiemomenten, kan helpen om fouten te voorkomen.
Wanneer we België en Duitsland vergelijken, valt op dat de verdeling van de oorzaken vrij gelijkaardig is. In beide landen nemen chemische risico’s een aanzienlijk aandeel van de meldingen in, gevolgd door allergenen, microbiologische contaminaties en fysische verontreinigingen. Residuen van pesticiden, andere chemische contaminanten, ziekteverwekkers en vreemde voorwerpen behoren tot de belangrijkste categorieën in de Duitse meldingen.
Een opvallend verschil zit echter in het totaal aantal meldingen. Ondanks de veel grotere omvang van de Duitse voedingsindustrie ligt het aantal geregistreerde incidenten er lager dan in België. Dat suggereert dat verschillen in rapportering, publicatiepraktijken of classificatie van meldingen een rol kunnen spelen bij de zichtbare cijfers.
Frankrijk vormt een duidelijke uitschieter. Het aantal publieke meldingen ligt er vele malen hoger dan in de andere landen. Daarnaast verschilt ook het risicoprofiel: microbiologische contaminaties domineren sterk, met Listeria en Salmonella als belangrijkste oorzaken van recalls.
Een belangrijke verklaring hiervoor ligt in het Franse meldingssysteem. Sinds de invoering van het centrale consumentenplatform RappelConso worden vrijwel alle recalls systematisch publiek gepubliceerd. Dit platform bundelt meldingen van verschillende toezichthouders en maakt ze rechtstreeks toegankelijk voor consumenten. Hierdoor worden incidenten veel zichtbaarder en worden meldingen vaak gedetailleerder geregistreerd dan in andere landen. Het hoge aantal Franse recalls weerspiegelt daardoor in belangrijke mate een hoge mate van transparantie in de rapportering.
Naast allergenen en etiketteringsfouten spelen ook chemische en microbiologische contaminaties een belangrijke rol bij productrecalls in Europa. Meldingen van nationale autoriteiten zoals het FAVV, de NVWA en via het Europese Rapid Alert System for Food and Feed tonen aan dat deze risico’s vaak verband houden met grondstoffen, hygiëne in het productieproces of contaminaties in de keten.
Chemische risico’s ontstaan meestal door residuen, migratie uit verpakkingsmaterialen of contaminanten die tijdens teelt of verwerking in het product terechtkomen. De meest voorkomende oorzaken in recalls zijn:
Microbiologische contaminaties blijven daarnaast een belangrijke oorzaak van recalls, vooral bij producten met een korte houdbaarheid of een beperkte hittebehandeling. De meest gerapporteerde pathogenen zijn:
De analyse van recalls in België, Nederland, Frankrijk en Duitsland toont aan dat voedselveiligheid steeds meer een kwestie is van integraal risicomanagement. Het gaat niet alleen om het identificeren van gevaren, maar vooral om het beheersen van complexe processen binnen productie en supply chain. Veel incidenten ontstaan namelijk op momenten waar processen samenkomen: productwissels, etikettering, verpakking of logistiek. Dit zijn typische punten waar menselijke fouten of onvoldoende procescontrole kunnen leiden tot afwijkingen.
Voor allergenenmanagement betekent dit dat bedrijven verder moeten kijken dan enkel receptuurcontrole. Processen rond etikettering, lijnreiniging en productwissels verdienen minstens evenveel aandacht. Digitale verificatiesystemen, duidelijke lijnvrijgaveprocedures en gestructureerde allergenenrisicoanalyses kunnen helpen om fouten te voorkomen.
Tegelijkertijd tonen de cijfers uit verschillende landen dat QA-systemen ook robuust moeten zijn tegenover microbiologische en chemische risico’s. Transparantie rond recalls neemt bovendien toe: nationale autoriteiten publiceren steeds vaker consumentenwaarschuwingen en productinformatie, waardoor incidenten sneller zichtbaar worden voor zowel consumenten als de sector. Een sterke leveranciersbeoordeling, grondstofcontrole en een goed functionerend HACCP-systeem blijven daarom essentieel om risico’s integraal te beheersen.
Recalls zullen nooit volledig verdwijnen, maar ze bieden wel waardevolle inzichten. Voor QA-professionals vormen ze een spiegel van waar processen nog kwetsbaar zijn. Door deze trends actief te analyseren en te vertalen naar verbeteracties, kunnen bedrijven evolueren van een reactieve aanpak naar een meer preventieve strategie.
Juist daar ligt vandaag de grootste opportuniteit: recalls niet alleen zien als incidenten, maar als data die helpen om voedselveiligheid structureel te versterken.
Veel eisen die aan de voedingsmiddelenindustrie worden gesteld, hebben invloed op de hygiëne. Consumenten, normen en wetgeving eisen bijvoorbeeld maximale voedselveiligheid, maar tegelijkertijd wordt er gevraagd om rekening te houden met klimaatverandering.
Water- en energieverbruik alsook het gebruikte reinigingsmiddel zijn hier voor de hand liggende factoren welke van invloed zijn. Aanpassingen ten behoeve van het klimaat kunnen leiden tot nieuwe voedselrisico’s én de houdbaarheid van voedsel beïnvloeden. Aanpassingen doen in het schoonmaakproces vraagt daarom voldoende kennis en voorbereiding. Door met andere ogen te kijken naar het proces en naar de middelen kan verminderd water- en energieverbruik ook financieel beter uitkomen, daarom is er soms al (duurzaamheids)winst te realiseren met enkele kleine veranderingen.
Voor het reinigen en desinfecteren stelt een bedrijf procedures op. Voor ingebruikname moeten schoonmaakprocedures worden gevalideerd. Bij een onderneming welke reeds in bedrijf is, zal dit een lopend systeem zijn en reeds gevalideerd. Wanneer dit niet gedaan is, is het raadzaam dit alsnog te valideren. Per stap in het systeem kan er gekeken worden waar de verduurzamingsmogelijkheden liggen. Men kan dan denken aan verduurzaming op vlak van verbruik van water, energie en reinigings- of desinfectiemiddel. Alsook aan het type middel dat gebruikt wordt.
Volgende stappen kan men evalueren:
Het creëren van bewustwording binnen organisaties is essentieel. Medewerkers kunnen worden aangemoedigd om zuiniger (maar zoals voorgeschreven) met water, energie en middelen om te gaan. Schoonmaken is een vak apart en wordt vaak door de medewerkers zelf uitgevoerd. Het belang van het vaststellen van de juiste procedure en deze overbrengen aan de medewerkers is essentieel om de beoogde verbetering / besparing in de praktijk te brengen.
Het gebruik van efficiënte (spoel)programma’s, zoals de ECO-modus kunnen een groot verschil maken. Het onderzoeken van de juiste combinatie van tijd, temperatuur, middel en waterverbruik is een essentieel onderdeel van de mogelijke verbetering.
Door efficiënte productieplanning kunnen het aantal productwissels en reinigingen worden geminimaliseerd, wat aanzienlijke besparingen oplevert op vlak van water, energie en middelen.
Het verzamelen van gegevens over waterverbruik is cruciaal. Door grootverbruikers zoals bijvoorbeeld krattenwassers en CIP installaties te identificeren, kunnen gerichte verbeteringen worden doorgevoerd. Gespecialiseerde bedrijven kunnen ondersteuning bieden bij dit proces. Bekijk ook het gebruik van handbediende reinigingsapparaten. Een juiste methode van het reinigen van een machine of ruimte kan een groot verschil maken in verbruik.
Soms moeten we niet te moeilijk denken. Bijvoorbeeld het bekijken van eenvoudige processen zoals het uitschakelen van watertoevoer voor machines met hoog watergebruik zoals krattenwasser of CIP installaties voor het weekend.
Schoonmaakmiddelen bevatten verschillende (al dan niet noodzakelijke) werkzame stoffen zoals oppervlakte-actieve stoffen, wateronthardende stoffen, bleekmiddelen, desinfectiemiddelen, kleur- en geurstoffen, bewaarmiddelen, oplosmiddelen, bacteriën en enzymen. Deze stoffen zijn niet allemaal giftig, maar door de grote hoeveelheden zijn ze de oorzaak van belangrijke vervuiling. Het is daarom raadzaam om te kijken naar milieuvriendelijkere product en ook naar de mogelijkheid tot het gebruik van minder product. Een gedegen onderzoek naar het meest geschikte reinigingsmiddel voor een specifieke plaats in het proces of ruimte is daarom van groot belang.
Er is een groot aantal hulpmiddelen beschikbaar om het hygiënebeheer in de voedingsindustrie makkelijker te maken waardoor er minder of minder agressieve producten nodig zijn.
Afvalwater kan waardevol zijn voor andere industrieën. Een mooi voorbeeld is de samenwerking tussen Stella Artois en de brandweer.
In geen geval mogen we vergeten dat het waarborgen van voedselveiligheid het hoofddoel is van hygiëne. Daarom moeten we procedures hebben die garanderen dat wat we doen in hygiëne voldoen aan de behoeften welke we hebben voor het klimaat zonder afbraak te doen aan de noden vanuit voedselveiligheid en eisen vanuit wetgeving en normen.
Op 16 mei 2023 is door de Europese Unie een nieuwe wet tegen ontbossing aangenomen; Verordening (EU) 2023/1115, de zogenaamde European Union Deforestation free Regulation (EUDR). Deze wet zorgt ervoor dat producten niet bijdragen aan ontbossing of aantasting van bossen. Dit geldt zowel voor producten die op de Europese markt worden gebracht, maar ook voor producten die uitgevoerd worden. Deze wet is onderdeel van de European Green deal en vervangt de EUTR-regels welke enkel op houtproducten van toepassing waren.
De EUDR trad oorspronkelijk in werking op 29 juni 2023. De belangrijkste verplichtingen zouden aanvankelijk vanaf 30 december 2024 gelden, maar na een eerste uitstel werd de implementatie uitgesteld tot 30 december 2025. Recent heeft de Europese Raad een tweede uitstel van één jaar goedgekeurd. Hierdoor moeten exploitanten en handelaren de regels nu uiterlijk vanaf 30 december 2026 naleven. Voor micro- en kleine ondernemingen die vóór 31 december 2020 bestonden, geldt een extra overgangsperiode tot 30 juni 2027. Dit uitstel is echter niet van toepassing op micro- of kleine ondernemingen die al actief zijn in de houtsector. Voor de exacte definitie van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen wordt verwezen naar artikel 3 van EU-richtlijn 2013/34.
De EUDR heeft betrekking op de volgende grondstoffen: soja, rundvlees, palmolie, hout, cacao, rubber en koffie. Ook afgeleide producten, zoals chocolade, leer, meubels en rubberproducten, vallen onder de verordening. Ondernemingen kunnen via de douanecodes bepalen of hun producten aan de EUDR moeten voldoen. Een overzicht van de relevante producten en bijbehorende douanecodes is opgenomen in de bijlage van Verordening 2023/1115. De codes zijn daarnaast te raadplegen via de officiële douanekanalen: Nederlandse Douane/Belastingdienst en Belgische Douane/FOD Financiën.
Ter ondersteuning van kleine en micro-exploitanten voert de Europese Commissie uiterlijk op 30 april 2026 een evaluatie uit om de administratieve lasten te beoordelen en, indien nodig, vereenvoudigingen voor te stellen. Zo hoeven exploitanten verderop in de keten hun eigen verklaring niet langer in te dienen; zij kunnen volstaan met het doorgeven van het referentienummer van de oorspronkelijke verklaring.
De EUDR vraagt van bedrijven die de betreffende producten voor het eerst op de Europese markt brengen, of buiten de EU willen exporteren, om zodanig zorgvuldig te werkt te gaan dat het risico op ontbossing door deze producten verwaarloosbaar klein is.
Dat betekent dat zij een zogenaamd Due Diligence System (Zorgvuldigheidsstelsel) moeten hanteren. Vanuit de voorgeschreven stappen uit dit DDS zal moeten blijken dat het risico verwaarloosbaar is en er zal in een online systeem van de overheid een zorgvuldigheidsverklaring ingediend moeten worden.
Vanaf voorjaar 2025 is het EUDR Information System (het online platform voor de zorgvuldigheidsverklaring) operationeel, inclusief registratie- en trainingsmogelijkheden voor gebruikers.
Marktdeelnemers hebben de verplichting om:
De Europese Commissie verplicht de overheden van de lidstaten om controles uit te gaan voeren op de marktdeelnemers en sancties op te leggen indien nodig.
Gedetailleerde informatie moet verzameld worden waaruit blijkt dat de producten aan de EUDR voldoen:
Voor elk product moet een risicobeoordeling worden uitgevoerd om het mogelijke risico van niet-naleving van de EUDR in kaart te brengen. Alle informatie zal in een risicobeoordeling gegoten moeten worden om de toeleveringsketen te analyseren en te beoordelen. Deze bevat o.a. volgende elementen:
Deze risicoanalyse moet minstens één keer per jaar worden herhaald.
Vastgestelde risico’s moeten worden beperkt door onafhankelijke onderzoeken/audits uit te voeren, aanvullende documentatie te verzamelen of samen te werken met leveranciers. Wanneer blijkt dat het risico niet verwaarloosbaar is, moeten er maatregelen genomen worden om het risico tot nul of een verwaarloosbaar niveau te brengen. Dit kan bestaan uit het volgende:
De procedures en maatregelen om risico’s te verminderen moeten minstens één keer per jaar worden herzien.
Eindfase: Zorgvuldigheidsverklaring
Indien blijkt dat het risico verwaarloosbaar is, zal in een online-systeem van de overheid een zorgvuldigheidsverklaring ingediend moeten worden. Dit online-systeem wordt per december 2025 verwacht.
Alle ondernemingen die producten voor het eerst op de interne markt van de Europese Unie (EEA) brengen, zijn verplicht om bovenstaande stappen uit te voeren.
Wanneer de ondernemer in fase 1 zich ervan zeker gesteld heeft dat alle grondstoffen en producten zijn geproduceerd in landen met een laag risico, mag fase 2 en 3 overgeslagen worden en kan men direct de zorgvuldigheidsverklaring indienen. Je moet de autoriteit enkel op verzoek informatie kunnen verstrekken waaruit blijkt dat er een verwaarloosbaar risico is.
In de sterk gereguleerde foodindustrie zijn kwaliteit, veiligheid en efficiëntie cruciaal. Om deze blijvend te waarborgen en te verbeteren, is het werken met SMART-doelstellingen een bewezen aanpak. Ze helpen organisaties niet alleen bij het continu verbeteren (bijvoorbeeld volgens ISO 22000, BRCGS of IFS), maar vormen ook een essentieel onderdeel van de managementreview.
De afkorting SMART staat voor:
In de foodindustrie kunnen SMART-doelstellingen betrekking hebben op voedselveiligheid, kwaliteit, productiviteit, duurzaamheid, of klanttevredenheid.
Voorbeeld:
“In Q3 2025 reduceren we het aantal klachten over metaaldetectie-afkeur met 20% t.o.v. 2024 door maandelijkse trendanalyses en extra operatortrainingen.”
Continue verbeteren is een kernprincipe binnen kwaliteitsmanagement (PDCA-cyclus: Plan – Do – Check – Act).
SMART-doelen zorgen voor:
Focus: iedereen weet wat er verwacht wordt.
Sturing: prestaties kunnen gemeten en bijgestuurd worden.
Bewijsvoering: aantoonbaarheid richting certificerende instanties en klanten.
Door regelmatig resultaten te toetsen en acties bij te sturen, worden kleine verbeteringen structureel geborgd.
De managementreview vormt het formele moment waarop de directie beoordeelt of het managementsysteem nog steeds geschikt, toereikend en doeltreffend functioneert. Binnen dit proces spelen SMART-doelstellingen een centrale rol, omdat zij concreet inzicht geven in de prestaties van de organisatie. Ze leveren input in de vorm van behaalde KPI’s, geregistreerde afwijkingen, klantklachten en resultaten van interne audits. Op basis van deze informatie kan het management weloverwogen besluiten nemen over het bijstellen of toevoegen van doelstellingen, zodat de focus gericht blijft op de actuele risico’s en verbeterkansen. Daarbij ligt de verantwoordelijkheid nadrukkelijk bij het management om richting te geven, prioriteiten te stellen en de benodigde middelen beschikbaar te maken. De output van de managementreview bestaat vervolgens uit geactualiseerde doelstellingen, besluiten over investeringen en de opstart van verbeterprojecten die bijdragen aan continue verbetering. Op deze manier wordt niet alleen voldaan aan de formele eisen van certificeringsstandaarden, maar wordt vooral de actieve betrokkenheid van het management zichtbaar en aantoonbaar gemaakt.
SMART-doelstellingen zijn een praktisch en krachtig middel om de kwaliteit en veiligheid in de foodindustrie structureel te verbeteren. Door ze te koppelen aan de cyclus van continue verbetering en de managementreview, ontstaat een systematische aanpak die niet alleen certificering ondersteunt, maar ook bedrijfsresultaten versterkt.
Succesvolle toepassing vraagt echter om zorgvuldige formulering, betrokkenheid van medewerkers en consequent opvolgen van de voortgang. Zo wordt “SMART” niet alleen een papieren afkorting, maar een sleutel tot duurzaam succes in de voedselketen.
Duurzaamheid is geen toekomstthema meer – het is de realiteit van vandaag. Of je nu een grote speler bent in de Europese markt, een boerenbedrijf of een middelgroot familiebedrijf met afnemers in retail of foodservice: de druk om te rapporteren over milieu, sociale aspecten en goed bestuur (ESG) neemt toe. Die druk komt niet alleen vanuit wet- en regelgeving, maar ook vanuit klanten, ketenpartners, banken en certificerende instanties.
Dit artikel biedt een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen: de CSRD, de bijbehorende ESRS, de per 2025 geïntroduceerde VSME, vrijwillige initiatieven zoals de EU Gedragscode en tools zoals de IFS ESG Check. Ook werpen we een blik vooruit met het keteninitiatief True Value Language.
De Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) is Europese regelgeving die bedrijven verplicht om te rapporteren over hun prestaties op het gebied van Environmental, Social & Governance (ESG). Deze richtlijn vervangt de eerdere NFRD en werd formeel vastgesteld d.m.v. Verordening (EU) 2022/2464 en aangevuld met rapportagestandaarden (ESRS) welke beschreven zijn in Verordening (EU) 2023/2772.
Bedrijven die onder de CSRD vallen, moeten dus rapporteren volgens de ESRS (European Sustainability Reporting Standards) – een reeks thematische en sectorspecifieke standaarden die exact voorschrijven wát er gerapporteerd moet worden.
De CSRD wordt in fases ingevoerd
Niet elk bedrijf valt onder de CSRD, maar veel bedrijven krijgen wél vragen over duurzaamheid van klanten of banken. Daarom heeft de Europese Commissie, samen met EFRAG, de VSME (Voluntary Standard for Micro and Medium Enterprises) ontwikkeld.
Deze standaard is in juli 2025 gepresenteerd als Aanbeveling (EU) 2025/1710 en biedt kmo’s een toegankelijk raamwerk om ESG-informatie gestructureerd te verzamelen en delen.
De standaard is te downloaden via VSME Nederland en MVO Vlaanderen.
De Europese definities zijn als volgt (2023):
Let op: als je aan 2 van de 3 criteria voldoet, val je in die categorie.
De CSRD en ESRS maken deel uit van de bredere Europese Green Deal – het plan van de EU om tegen 2050 klimaatneutraal te zijn. Eén van de eerste onderdelen van dit beleid is de “Van boer tot bord”-strategie (2020), die inzet op een eerlijk en duurzaam voedselsysteem.
Als praktische invulling hiervan is op 5 juli 2021 de EU Code of Conduct on Responsible Food Business and Marketing Practices gelanceerd. Deze gedragscode is:
De Commissie heeft aangegeven dat bij onvoldoende voortgang wetgeving overwogen wordt.
Voor kmo’s die aan de slag willen met duurzaamheid biedt de IFS ESG Check een laagdrempelige aanpak. Deze tool van IFS bestaat uit een selfassessment op ESG-gebieden, een guideline voor het opzetten van een duurzaamheidsmanagementsysteem, een optionele module voor het bepalen van de CO₂-voetafdruk en een verificatie door een auditor.
De huidige aanpak van duurzaamheid in de landbouw is versnipperd en inefficiënt. Boeren en tuinders worden overladen met uiteenlopende meetverzoeken en administratieve lasten, terwijl ketenpartners en beleidsmakers geen toegang hebben tot eenduidige, vergelijkbare data. Dit belemmert de duurzame transitie, zorgt voor dubbel werk en verhindert dat duurzame prestaties erkend en beloond worden.
Daarom is door Nederlandse partijen het initiatief True Value Language (TVL) gestart, met meer dan 25 organisaties uit de agrifoodketen, waaronder Rabobank, FNLI, NAJK, WUR, True Price en HAS green academy. Het doel is om een gemeenschappelijke methodiek te ontwikkelen voor het meten, waarderen, belonen en rapporteren van duurzaamheidsprestaties – met nadruk op thema’s als natuur, klimaat, milieu, volksgezondheid en dierenwelzijn. De focus ligt op de primaire productie, met aansluiting op bestaande kaders zoals CSRD, VSME en ESG.
TVL gaat verder dan alleen rapportage. Het wil de echte kosten en baten van voedselproductie zichtbaar maken via een economisch ‘true value’-model, waarmee ook verborgen effecten op welvaart inzichtelijk worden. De methodiek bouwt voort op bestaande benaderingen zoals True Cost Accounting (TCA), footprint en kostprijs plus, waarbij vooral versterking van de TCA-component centraal staat.
De FNLI vervult een coördinerende rol en zorgt voor afstemming met lopende initiatieven, om versnippering en dubbel werk te voorkomen. TVL beoogt zo bij te dragen aan een landbouw die zowel economisch haalbaar als ecologisch verantwoord is.
In augustus 2025 werd Italië opgeschrikt door twee ernstige uitbraken van botulisme. In Diamante, in de regio Calabrië, werden sandwiches met groenten in olie verkocht die besmet bleken met Clostridium botulinum. Twee mensen overleden, onder wie Luigi Di Sarno en Tamara D’Acunto, en meer dan een dozijn anderen belandden in het ziekenhuis, sommigen in kritieke toestand. Kort daarvoor was Sardinië het toneel van een soortgelijk incident waarbij besmette guacamole op een festival leidde tot meerdere ziekenhuisopnames en minstens één dode. De Italiaanse autoriteiten grepen hard in, met terughaalacties van de betrokken producten, sluitingen van verkopers en grootschalige inspecties. Antitoxines werden zelfs via de luchtmacht aangevoerd om patiënten in een vroeg stadium te behandelen.
Deze incidenten maken duidelijk dat ook commerciële voedingsproducten niet immuun zijn voor besmetting. Waar botulisme traditioneel vooral geassocieerd wordt met huisgemaakte conserven, laten deze gevallen zien dat ook in professionele productieomgevingen fouten kunnen ontstaan die fatale gevolgen hebben. Groenten in olie vormen daarbij een bijzonder risico. Onderzoek van het Italiaanse Istituto Superiore di Sanità toont aan dat bijna de helft van alle gerapporteerde botulismegevallen in het land wordt veroorzaakt door dit type product. Wanneer deze groenten in een zuurstofarme omgeving worden verpakt, bij een lage zuurtegraad en zonder voldoende verhitting, kan de bacterie zich ongemerkt ontwikkelen.
De Italiaanse voedselinspectie, NAS, trof tijdens haar controles bij bijna de helft van de bezochte foodtrucks en festivalverkopers onregelmatigheden aan. Dit illustreert dat niet alleen de productie, maar ook de distributie- en verkoopfase kwetsbare schakels in de keten zijn. De culturele context speelt hierbij eveneens een rol. Italië kent een sterke traditie van huiselijke conservering, vooral in het zuiden. Hoewel dat op zichzelf geen probleem hoeft te zijn, brengt het wel extra risico’s met zich mee, omdat kennis en toepassing van hygiënische bewaartechnieken niet altijd gegarandeerd zijn. Ook in Nederland en België wijzen controles en inspecties erop dat vergelijkbare kwetsbaarheden bestaan, vooral bij kleine producenten, foodtrucks en marktkramers die niet altijd strikt letten op sterilisatie, pH en zoutgehalte. Professionele producenten doen er goed aan te leren van deze traditie en praktijkvoorbeelden, maar ook om zich nadrukkelijk te onderscheiden door aantoonbare voedselveiligheid.
Voor producenten betekent dit dat strikte sterilisatieprocedures essentieel zijn. Groenten in olie moeten onder gecontroleerde omstandigheden worden verwerkt, bij voorkeur in industriële autoclaven die de inhoud tot minstens 121 graden Celsius verhitten. Het nauwgezet meten van de zuurtegraad en het zoutgehalte is daarbij onmisbaar. Een pH die te hoog ligt of een te lage zoutconcentratie kan het verschil maken tussen een veilig product en een potentieel dodelijk gevaar. Ook visuele inspectie is cruciaal: opgezwollen deksels of verpakkingen die gasvorming vertonen, moeten onmiddellijk uit de handel worden genomen.
Ketentransparantie is een belangrijke factor in preventie. Producenten moeten hun leveranciers goed kennen en steekproefsgewijs testen uitvoeren op binnenkomende partijen, vooral bij risicoproducten. Zodra er aanwijzingen zijn voor mogelijke besmetting, moet zonder aarzeling een recallprocedure worden gestart in samenwerking met de bevoegde autoriteiten. Even belangrijk is het beschikken over protocollen voor snelle reactie in geval van een incident. Het herkennen van vroege symptomen bij consumenten, zoals wazig zien, slikproblemen of ademhalingsmoeilijkheden, en het direct inschakelen van medische hulp kan levens redden.
Tot slot speelt communicatie een sleutelrol. Producenten die open zijn over hun preventieve maatregelen, en consumenten informeren over zowel de risico’s als de signalen van besmetting, versterken het vertrouwen in hun merk en dragen bij aan een breder bewustzijn rond voedselveiligheid.
De recente Italiaanse botulismegevallen herinneren ons eraan dat voedselveiligheid niet alleen een kwestie is van het naleven van regelgeving. Het is een voortdurend proces van waakzaamheid, preventie en verantwoordelijkheid. In een markt waar consumenten steeds meer belang hechten aan authenticiteit en ambacht, ligt de uitdaging voor producenten in het combineren van traditionele smaken met moderne veiligheidsstandaarden. Alleen zo kan het risico van een onzichtbare maar levensgevaarlijke vijand als Clostridium botulinum tot het absolute minimum worden teruggebracht.
In juli 2025 zijn de vernieuwde normen uit de ISO 22002-reeks gepubliceerd. Met ISO 22002-1:2025 en de nieuwe overkoepelende ISO 22002-100:2025 wordt een belangrijke stap gezet richting modernere en meer geharmoniseerde eisen voor voedselveiligheid. De oude ISO/TS 22002-1:2009 is hiermee ingetrokken, maar een officiële overgangsregeling is nog niet vastgesteld. Voor organisaties die werken met FSSC 22000 betekent dit dat de impact in de komende periode vooral zichtbaar zal worden bij de introductie van versie 7 van het schema.
De vernieuwde ISO 22002-norm is in juli 2025 gepubliceerd en vervangt daarmee de oude technische specificatie ISO/TS 22002-1:2009, die formeel is ingetrokken. Het gaat hierbij om ISO 22002-1:2025, die de PRP’s voor voedselproductie beschrijft, en om ISO 22002-100:2025, een nieuwe overkoepelende norm waarin de gemeenschappelijke PRP-vereisten voor de gehele voedsel-, diervoeder- en verpakkingsketen zijn vastgelegd. Hoewel deze normen officieel zijn uitgebracht, is er nog geen door ISO of IAF vastgestelde overgangs- of migratiedeadline bekendgemaakt. Voor organisaties die gecertificeerd zijn onder FSSC 22000 betekent dit dat versie 6 voorlopig nog gebruikmaakt van de oude ISO/TS 22002-series. De verwachting is dat de nieuwe normen worden opgenomen in FSSC 22000 versie 7, waarbij de schema-organisatie de overgangsregeling zal bepalen.
De herziening van ISO 22002 is vooral bedoeld om de norm actueler en praktischer te maken. Waar sectoren als voedselverwerking, catering en verpakking vroeger elk hun eigen PRP-vereisten hadden, brengt de nieuwe structuur deze samen in ISO 22002-100 als gemeenschappelijk fundament, met daarop sectoraal gerichte aanvullingen. Dit voorkomt doublures en vergemakkelijkt het gebruik voor organisaties die in meerdere sectoren actief zijn.
Sinds de vorige versie uit 2009 zijn de risico’s en verwachtingen sterk veranderd. Er is nu meer nadruk op thema’s als food fraud, food defense, duurzaamheid, digitale traceerbaarheid, hergebruik van materialen en complexere allergenen- en contaminatierisico’s. Ook sluit de norm beter aan op de vernieuwde HACCP- en Codex-principes. Tegelijk is de status versterkt: van technische specificatie naar volwaardige ISO-norm, met een duidelijkere structuur en modernere terminologie. Tot slot vormt de revisie een basis voor toekomstige integratie in certificeringsschema’s zoals FSSC 22000.
De vernieuwde ISO 22002-1:2025 brengt verschillende belangrijke vernieuwingen met zich mee. Zo zijn de algemene PRP-vereisten nu ondergebracht in ISO 22002-100, waardoor ISO 22002-1 zich kan richten op sectorspecifieke aspecten van voedselproductie. Er is meer nadruk gekomen op het identificeren van interne en externe bronnen van contaminatie en op het inrichten van omgeving en processen om kruisbesmetting te voorkomen. Ook het ontwerp en de lay-out van gebouwen en werkruimtes moeten expliciet afgestemd zijn op hygiënische routing en kruisbesmettingspreventie.
Daarnaast gelden strengere eisen voor utilities en ondersteuning, zoals onderhoud, serviceactiviteiten, hergebruik en recycling van materialen, en het uitvoeren van risicoanalyses van uitval of besmetting. Apparatuur moet geschikt zijn voor reiniging, inspectie, onderhoud en demontage, met aanvullende eisen voor materiaalkeuze, ontwerp en onderhoudsprogramma’s. Voor allergenenbeheer, kruisbesmetting en hygiëne zijn de vereisten explicieter en strenger, en er is nieuwe aandacht voor chemische contaminatie, inclusief opslag, gebruik en controle van chemicaliën.
Schoonmaakprogramma’s moeten per activiteit worden geïndividualiseerd en hun effectiviteit geverifieerd, terwijl de vereisten voor plaagdierbeheer zijn verfijnd. Ook voor opslag, transport en distributie gelden strengere regels, bijvoorbeeld voor stapeling, condities, inspectie en reiniging van transportmiddelen. De normen verduidelijken bovendien de vereisten voor communicatie, documentatie en traceerbaarheid. Nieuw opgenomen zijn daarnaast elementen voor food fraud en een uitbreiding op food defence.
Om de nieuwe ISO 22002-1:2025 norm effectief te implementeren, is een gestructureerde aanpak nodig. Begin met het lezen van de norm en bepaal welke processen onder de scope vallen. Voer een gap-analyse uit tussen bestaande PRP’s en de nieuwe vereisten, inclusief de algemene PRP’s uit ISO 22002-100, en breng sectorspecifieke risico’s zoals contaminatie, allergenen en kruisbesmetting in kaart. Pas procedures aan en integreer maatregelen voor food defense en food fraud. Controleer gebouwen, lay-out, routing en apparatuur op hygiëne en reinigbaarheid, stel schoonmaakprogramma’s per zone op, en beoordeel utilities en ondersteunende diensten. Wijs verantwoordelijkheden toe, train medewerkers, implementeer monitoring en verificatie, documenteer wijzigingen en communiceer duidelijk met alle betrokkenen om auditgereedheid en continue verbetering te waarborgen.
Wacht niet tot het laatste moment. Deze vereisten zijn niet zomaar vinkjes op een lijst, het zijn echte maatregelen die de veiligheid van je eindproduct waarborgen.
De medewerkers van Normec helpen u graag bij de uitvoeren van een gap-analyse en het meedenken in de praktische implementatie.
De nieuwe EU Verordening (EU) 2023/1115 Deforestation Regulation (EUDR) komt eraan en vraagt van bedrijven een stevige inspanning. Er is nog tot 30 december 2025 om de ‘zorgvuldigheidsverklaring’ klaar te maken voor uploaden in het online EUDR platvorm van de Europese Commissie. Maar u hoeft het wiel niet zelf uit te vinden: er is al heel wat praktische ondersteuning beschikbaar. De Europese Commissie en ook lidstaten publiceren praktische handvatten. Lees meer over de wetgeving in het Normec artikel EUDR-wetgeving: strijd tegen ontbossing.
De Europese Commissie heeft richtsnoeren gepubliceerd bij de ontbossingsverordening. De nieuwe richtsnoeren geven praktische handvatten voor een goede voorbereiding op naleving, met duidelijke uitleg over begrippen, deadlines en zorgvuldigheidseisen. Ze richten zich onder meer op de stappen in due diligence en de verantwoordelijkheden van verschillende soorten marktdeelnemers. De inhoud van de richtsnoeren kan in de toekomst worden aangepast op basis van opgedane ervaring of nieuwe ontwikkelingen.
De Belgische overheid ondersteunt bedrijven via de FOD Volksgezondheid, die een begeleidend document en FAQ’s publiceerde met concrete uitleg over de EUDR-verplichtingen. Daarnaast organiseert de FOD infosessies om vragen uit de praktijk te beantwoorden. GS1 Belgium & Luxembourg biedt een whitepaper met praktische handvatten rond datadeling en ketentransparantie. PEFC Belgium geeft richtlijnen over hoe hun certificering kan bijdragen aan naleving van de nieuwe regels.
De NVWA deelt adviezen en ervaringen uit controles in de praktijk. In de aanloop naar de lancering heeft de NVWA proefinspecties uitgevoerd bij enkele bedrijven die al ver gevorderd waren in hun voorbereidingen. Op basis daarvan publiceerde de NVWA een overzicht met waardevolle inzichten en praktische tips. Ze raadt aan om niet uitsluitend te vertrouwen op ondersteunende platforms en benadrukt het belang van gegarandeerde traceerbaarheid. Een handig hulpmiddel om te leren van de uitdagingen die andere bedrijven tegenkwamen én om zelf valkuilen te vermijden.
Heeft u behoefte aan begeleiding of wilt u sparren over de beste aanpak voor uw bedrijf? Bij Normec helpen we u daar graag mee verder.