Op etiketten van levensmiddelen staan regelmatig allergenen vermeldingen zoals ‘Kan sporen bevatten van:’ of ‘Gemaakt in een fabriek waar ook xxx worden verwerkt’. Over deze Precautionary Allergen Labelling (PAL) is niets vastgelegd in de wetgeving. De NVWA controleert producten die op de markt verschijnen op deze PAL vermelding en constateert regelmatig overschrijding van de referentiewaarden die in 2016 door het Bureau Risicobeoordeling (BuRO) van de NVWA zijn opgesteld.
In december 2023 is in Nederland een nieuw beleid opgesteld door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) waarin is opgenomen dat het voorkomen van kruisbesmetting een uitgangspunt is met als doel de hoeveelheid kruisbesmetting onder de nieuwe opgestelde referentiewaarden te laten vallen. Dit beleid zal binnenkort officieel worden gepubliceerd.
Het beleid gaat per 1 januari 2024 in en de etiketten zullen vanaf 1 januari 2026 aangepast moeten zijn. Dan mag alleen de tekst ‘Kan xxx bevatten’ of ‘Niet geschikt voor xxx’ gebruikt worden. Deze tekst mag alleen nog op het etiket vermeld worden als de kruisbesmetting voor een allergeen boven de vastgelegde referentiewaarden ligt. Er is dan immers een reëel risico dat de kruisbesmetting allergische reacties bij de consument kan veroorzaken. Uiteraard blijft het voorkomen van kruisbesmetting steeds het uitgangspunt. Verder blijft de wetgeving voor allergenen die bewust via de receptuur worden toegevoegd van kracht. Deze laatste moeten in de ingrediëntendeclaratie worden opgenomen d.m.v. een afwijkende typografie ongeacht de aanwezige hoeveelheid conform Verordening (EU) nr. 1169/2011.
Het ligt in de verwachting dat de VITAL-referentiewaardes (Allergenen Bureau) volgend jaar ook worden aangepast. Hierdoor zal er waarschijnlijk wereldwijd en Europees gezien een beter draagvlak zijn en is de weg naar opname in de Europese wetgeving weer een stukje dichterbij. De nieuwe referentiewaarden zijn nu zeer vergelijkbaar met de waarden die door FAO/WHO en FAVV (België) worden gehanteerd.
Tabel: referentiedoses (RfD) in mg allergeen eiwit*
| Allergeen | NVWA (NL) 2023 | FAO/WHO – FAVV(BE) 2022 update 2024 |
| Glutenbevattende granen – tarwe (gluten) | 5 (max 20) | 5 |
| Schaaldieren | 200 | 200 |
| Ei | 2 | 2 |
| Vis | 5 | 5 |
| Aardnoten ( pinda) | 2 | 2 |
| Soja | 10 | 10 |
| Melk | 2 | 2 |
| Noten | ||
| – Amandelen, Pecanoten, Macadamia | 1 | 1 |
| – Hazelnoten | 3 | 3 |
| – Cashewnoten/Pistachenoten | 1 | 1 |
| – Walnoten/Pacannoten | 1 | 1 |
| Selderij | 1 | 1 |
| Mosterd | 0.4 | 1 |
| Sesamzaad | 2 | 2 |
| Lupine | 15 | 10 |
| Weekdieren | 20 | 200 |
* De referentiedosis is een absolute hoeveelheid eiwit van een allergeen (mg). Om het om te rekenen naar concentratie (mg eiwit van een allergeen / kg product = ppm) moet de RfD gedeeld worden door de consumptiegrootte (in kilo per eetmoment).
Omwille van het allergenenbeleid in Nederland van Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en het advies van Wetenschappelijk comité van FAVV in België aangaande referentiedosissen allergenen moet je als producent aan de slag met de kwantitatieve risicobeoordeling op allergenen. Deze kan worden berekend met behulp van een rekentool. Daarnaast moet deze berekening ook in de praktijk worden gevalideerd. Hierbij moet zowel de schoonmaak na produceren van een allergeen bevattend product, als het product met mogelijke kruisbesmetting worden gevalideerd en geverifieerd. In dit artikel vertellen we je welke allergenenanalyses er toepasbaar zijn.
Grofweg spreken we op het gebied van allergenenmanagement van twee types analyses: de laboratoriumtesten (labtesten) en de sneltesten.
Onder labtesten verstaan we onder andere de welbekende ELISA testen maar daar wordt ook nog regelmatig gebruik gemaakt van PCR-testen en in het geval van sulfiet zelfs van stoomdestillatie. Helaas is nog niet voor ieder allergeen een test ontwikkeld, maar de meest voorkomende allergenen hebben wel een ELISA beschikbaar. Een ELISA test geeft een precieze hoeveelheid van het allergeneneiwit in producten. Hiervoor moet de hoeveelheid wel binnen het meetbereik van de test vallen. Daarom is het belangrijk om van tevoren aan te geven wat ongeveer de verwachte hoeveelheid is. Dan kan de labmedewerker het zo nodig correct verdunnen.
Onder sneltesten verstaan we testen die op locatie direct kunnen worden uitgevoerd. Deze testen geven (vergelijkbaar met bijvoorbeeld een COVID-test) binnen een half uur direct antwoord of het allergeeneiwit wel of niet boven de grenswaarde aanwezig is. Indien goed uitgevoerd is een sneltest net zo precies als een labtest. Deze testen zijn het meest geschikt voor het testen op aanwezigheid van allergeeneiwit na schoonmaak.
Na de implementatie van een allergenen opbouwende productieplanning, schoonmaakprotocollen, en het gebruik van de correcte recepten en de volledige grondstofinformatie kun je gaan analyseren hoeveel resten eiwitallergeen er op de lijn achter blijft. Deze hoeveelheid eiwitallergeen kan mogelijke kruisbesmetting veroorzaken naar het volgende allergenenvrije product. Bijvoorbeeld in een bakkerij bevatten alle eindproducten gluten, maar niet ieder product zal ook noten bevatten. Dit betekent dat als we notenvrije producten willen produceren, nadat er producten met noten zijn gemaakt, we na de schoonmaak willen weten of er noteneiwit in het notenvrije product aanwezig is.
De uitslag van de theoretische allergenenkruisbesmetting berekening vergelijk je met de labanalyse in het product van het betreffende eiwitallergeen. Gebruikelijk is dat dit in ppm wordt uitgedrukt, of wel mg/kg. Herhaal deze test met regelmaat. Gebruik voor je validatie altijd een worst-case scenario.
Het is ook belangrijk om je schoonmaak te verifiëren. Hiervoor kan je het best een sneltest gebruiken. Deze testen zijn enige tijd bruikbaar en bieden snel resultaat of de schoonmaak voldoende was. Pak ook hiervoor een worst-case scenario.
Tussen 2012 en 2024 veroorzaakte Listeria monocytogenes 187 infecties en 29 sterfgevallen in 9 Europese landen, waaronder ook België en Nederland. Visproducten waren hierbij de meest voorkomende oorzaak. Deze werden veroorzaakt door 3 sequentietypes in verschillende soorten visproducten. Sinds 2016 bij ST 155, serogroep IIa in kant-en-klare visproducten, sinds 2019 door ST1607 in zalmproducten en sinds 2012 door ST173 in verschillende visproducten. Dit is uitgebreid onderzocht. Het is echter nog steeds niet mogelijk de specifieke bron aan te duiden en het blijft noodzakelijk goede controlemaatregelen te hanteren en verder onderzoek te plegen.
Aangezien de uitbraakstam in meerdere soorten visproducten is aangetroffen en op grote schaal in de visproductieketen circuleert, lijken nieuwe besmettingen onvermijdelijk zonder ingrijpende veranderingen, aldus EFSA.
Wanneer Listeria wordt aangetroffen binnen een voedselproducerend bedrijf worden de isolaten daarvan bewaard door het laboratorium. Tijdens het onderzoek naar de langdurige Listeria-uitbraak werden er voedsel- en omgevingsisolaten onderzocht vanuit de hele EU. Hier heeft men niet één overeenkomstige aanwijzing of productie-omgeving kunnen vaststellen. Wel kan worden aangenomen dat de bacterie zich eerst hoog in de keten heeft bevonden en zich de afgelopen jaren steeds meer over Europa heeft verspreid en zich zal blijven verspreiden.
Levensmiddelenbedrijven zullen er dus alles aan moeten doen om te zorgen dat deze bacterie niet bij het product kan komen. Listeria helemaal uitbannen zal niet of nauwelijks mogelijk zijn binnen de industrie, maar het zodanig beheersen dat producten niet worden besmet is wel mogelijk en noodzakelijk. Onderzoek daarom op welke plekken de bacterie zich in jouw productie-omgeving bevindt en neem aanvullende maatregelen rond schoonmaak en desinfectie.
Wordt binnenkort collageen- en gelatineproductie uit BSE risicobeenderen van herkauwers toegelaten? Resultaten uit onderzoeken rond gelatine en collageen geproduceerd uit BSE besmette risicobeenderen lijken veel belovend. Mogelijk leiden de resultaten tot wetswijzigingen, waardoor schedels en wervelkolommen gebruikt kunnen worden voor productie van gelatine en collageen en niet vernietigd hoeven te worden.
Boviene spongiforme encefalopathie (BSE) staat ook wel bekend als de gekkekoeienziekte. Deze ziekte komt voor bij rundvee en tast het centrale zenuwstelsel van de dieren aan. De ziekte is dodelijk.
Bij BSE gaat er iets mis in de hersenen en het ruggenmerg van een rund. Er ontstaat een fout in een bepaald eiwit waardoor hersencellen afsterven. Het dier kan niet meer normaal functioneren en vertoont dan vreemd gedrag. Het maakt gekke bewegingen en valt steeds. Vandaar de naam ‘gekkekoeienziekte’.
Klassieke BSE:
De klassieke BSE variant dateert uit 1986 en verspreidde zich vanuit Groot-Brittannië naar andere landen en werd uiteindelijk ook in België en Nederland ontdekt. In heel Europa werden runderen geruimd. De ziekte werd veroorzaakt door het gebruik van bepaalde dierlijke eiwitten in veevoer. Het gebruik van diermeel in veevoer voor runderen werd daarom verboden. Dit was slechts een van de maatregelen die werden ingevoerd om BSE te bestrijden.
Atypische BSE:
De atypische variant kan vanzelf ontstaan bij oudere runderen. Daarom wordt deze variant ook wel ‘ouderdoms-BSE’ genoemd. Atypische BSE komt heel weinig voor. In februari 2023 is er in Nederland één koe met deze ziekte ontdekt. Het vorige ziektegeval was in 2011.
Mensen en dieren kunnen ziek worden van het eten van het zenuwweefsel (hersenen en ruggenmerg) van runderen die besmet zijn met BSE. In Europa is het verboden om zenuwweefsel van runderen aan te bieden. De hersenen en het ruggenmerg worden vernietigd na de slacht.
Door het eten van besmet zenuwweefsel kan bij mensen de ziekte van Creutzfeldt-Jakob ontstaan. Dit is een dodelijke hersenziekte. Het risico op deze ziekte is er vooral bij de klassieke variant, omdat er dan meer runderen besmet zijn. Maar klassieke BSE komt door alle bestrijdingsmaatregelen niet of nauwelijks meer voor in de EU.
Door Verordening (EU) 853/2004 en Verordening (EU) 999/2001 is het gebruik van hogere risicobeenderen, zoals schedel en wervelkolom, in de voedingsmiddelenindustrie algeheel verboden aangezien het risico op aanwezigheid van de ziekte BSE in deze delen het hoogste is. Op vraag van de Europese Unie is er een onderzoek uitgevoerd op collageen en gelatine voor consumptie, waarbij er specifiek gekeken is naar het gevaar tot overdragen van de ziekte BSE. Tijdens dit onderzoek is gelatine geproduceerd met BSE beenderen van herkauwers van het hele dier, dus ook van de schedel en wervelkolom.
Het onderzoek richtte zich op gelatine, maar door gelijke productieprocessen die kunnen leiden tot vermindering van besmettelijkheid, gelden de conclusies ook voor collageen. N.a.v. het onderzoek van de EFSA is vastgesteld dat er vrijwel geen risico is dat de ziekte BSE wordt overgedragen vanuit besmet collageen en gelatine in voedingsmiddelen voor mens en dier. Er is enkel getest op voedingsmiddelen die oraal worden geconsumeerd. Cosmetische, medische en chirurgische toepassingen zijn niet getest.
N.a.v. de Europese wetgeving rond Single–use plastics (SUP’s) hebben de lidstaten zelf de vrijheid om invulling te geven aan de maatregelen die gesteld worden om de Europese doelstelling te behalen. Op 5 juli 2024 heeft België daarom het Koninklijk Besluit van 25 mei 2024 rond Single-use plastics gepubliceerd. Dit KB heeft als doel om het op de markt brengen van bepaalde producten voor eenmalig gebruik te beperken en het gehalte aan gerecycleerde inhoud van bepaalde producten te verhogen.
Om het voor exploitanten haalbaar te maken aan de nieuwe regels te voldoen zal de implementatie gefaseerd verlopen. Onderstaande fases zijn beoogd:
Bijlage 1 beschrijft de kunststof producten waarvoor er een minimale gerecycleerde inhoud is opgelegd om ze op de markt te mogen brengen. Hierbij is er rekening gehouden dat er genoeg alternatieven zijn van producten die de gevraagde gerecycleerde inhoud hebben.
Bijlage 2 beschrijft kunststof producten welke verboden zijn omdat er een grote kans is dat ze bij het zwerfvuil of niet in het juiste recyclagekanaal belanden, vanwege afmetingen of de wijze waarop ze vaak gebruikt worden.
In het KB is opgenomen dat kan worden afgeweken van percentages indien wordt bevestigd dat deze niet mogelijk zijn om redenen van voedselveiligheid of beschikbaarheid van verpakkingen op de markt. Indien omwille van deze rede de datum uitgesteld wordt, zal er tweejaarlijks een nieuwe evaluatie volgen door onafhankelijke deskundigen voor de betreffende categorie.
Volgens het laatste rapport (april 2024) over residuen van gewasbeschermingsmiddelen in voedsel in de Europese Unie voldoet 96,3% van de producten uit het jaar 2022 aan de wettelijke residunormen. Dit is vergelijkbaar met de uitslagen van voorgaande jaren. In totaal werden 110.829 monsters geanalyseerd, wat een stijging inhoudt van 26% t.o.v. het aantal geteste monsters uit het jaar 2021. Zowel op basis van de acute als de chronische toxiciteit trekt de EFSA de conclusie dat het niet waarschijnlijk is dat er een risico is voor de volksgezondheid. Daarnaast formuleert de EFSA aandachtspunten voor plantaardige en dierlijke producten en bepaalde residuen.
De in de studie meegenomen resultaten zijn afkomstig uit nationale monitoringsprogramma’s en het Europese monitoringsprogramma. De nationale programma’s zijn risico gebaseerd (producten met het hoogste risico het vaakst analyseren), terwijl het Europese programma een representatief beeld geeft.
Van de 110.829 monsters waren er:
Van de geanalyseerde 6.717 biologische levensmiddelen in 2022 waren er:
Deze conventionele producten laten een lichte daling zien in het overstijgen van de MRL. De overschrijdingspercentages van de biologische producten liggen lager dan de conventionele, maar laten wel een stijging zien van +/- 0,6% t.o.v. van 2021.
Het voedselveiligheidsrisico is bepaald aan de hand zowel de chronische als acute toxiciteit. Voor het beoordelen van het risico van chronische toxiciteit werden de gegevens van ca. 65.000 monsters bekeken. De EFSA concludeert in het rapport dat op basis van de nu beschikbare wetenschappelijke informatie er geen reden is tot bezorgdheid voor de gezondheid van de inwoners van de Europese Unie.
Voor het beoordelen van de acute toxiciteit, gebaseerd op de ARfD waarde, werden ca. 38.000 monsters gebruikt. De ARfD heeft het gebruikte model verbeterd t.o.v. 2021. De waarde werd bij 1,7% van de monsters overschreden, een stijging met 0,8% t.o.v. 2021.
Pesticiden met het meeste aantal overschrijdingen zijn phosmet, imazali, lambdacyhalothrin, cypermethrin, acetamiprid. Gezien het lage percentage overschrijdingen en de werking van het RASFF-systeem dat zorgt dat producten met een gezondheidsrisico uit de markt worden gehaald, acht de EFSA bezorgdheid over de gezondheid van de consument niet nodig. Voor de specifieke combinaties bestrijdingsmiddel/product waarvoor een overschrijding van de gezondheidskundige richtwaarde is berekend, zijn volgens EFSA nog verdere verfijningen mogelijk in het onderzoek.
Verschillende niet-toegelaten stoffen werden aangetroffen in te hoge gehalten bij producten die in de EU geteeld werden. Ook in producten van buiten de EU zijn niet-toegelaten middelen aangetroffen. Bij bestudering van de resultaten bleek dat uit derde landen ingevoerde monsters vier keer zo vaak niet aan de eisen voldeden (4,5%) als binnen de EU geproduceerde levensmiddelen (1%). Ook hier vraagt de EFSA de lidstaten actie te ondernemen bij overschrijdingen.
De EFSA benoemt een aantal aandachtspunten in het jaarrapport. Monitoring op deze producten en/of stoffen door lidstaten wordt aanbevolen:
De producten en stoffen die de EFSA benoemt als aandachtspunten, zijn ook voor bedrijven belangrijk ten aanzien van de voedselveiligheid. Neem de voor jouw bedrijf relevante aandachtspunten mee bij het maken van afspraken met telers of leveranciers en het beoordelen van de leveranciers. Hetzelfde geldt voor de niet-toegelaten bestrijdingsmiddelen die zijn aangetroffen. In de conclusie van het rapport van de EFSA staan overigens meer producten en specifiek daarin aangetroffen niet-toegelaten residuen.
IFS publiceert geüpdatet guidelines over de beperking van productfraude en over food packaging.
De geüpdatet guideline is geschreven omwille van de groeiende vraag naar transparantie in de voedingsindustrie vanuit de consument, overheden en NGO’s welke openbaarmaking van informatie over herkomst, toeleveringsketens, distributie, productietechnieken en verwerking van voedsel. Het doel is dat de consument bewuste keuzes kan maken en dat het vertrouwen met de consument wordt opgebouwd. Daarnaast speelt ook het voorkomen van reputatieschade voor schakels laat in de keten een rol. Denk hierbij bijvoorbeeld aan retailers of toonaangevende FMCG-bedrijven (Fast Moving Consumer Goods).
Hoofdstuk 2 is een nieuwe toevoeging aan versie 3 van deze richtlijn en introduceert het onderwerp transparantie in de toeleveringsketen: het concept, de uitdagingen en de relevantie voor productfraude. Dit nieuwe hoofdstuk is opgedeeld in 2 onderdelen:
Aan de slag met deze voedsel fraude beperking? Wij helpen je hier graag bij.
Deze guideline is inhoudelijk in lijn gebracht met IFS Food versie 8. Dit houdt in dat er afgestapt is van de term COC en deze nu als DOC/Evidence of suitability wordt aangeduid, daarnaast zijn de termen ‘in place’ vervangen door ‘documented, implemented and maitained. Inhoudelijk zijn er dus geen gevolgen voor de implementatie. Dit document vormt nog steeds een fijne guideline om:
Fermentatie wordt al duizenden jaren gebruikt om voedsel en dranken te bereiden en te conserveren. Een geslaagd fermentatieproces start vaak met een juiste starterscultuur. Op deze pagina leggen we uit wat fermenteren en enzymen is, gaan we in op startersculturen en wetgeving.
Fermentatie is een biochemisch proces waarbij micro-organismen, zoals bacteriën, gisten en schimmels door middel van enzymatische werking organische stoffen, zoals suikers, omzetten in onder andere alcohol, zuren en gassen. Dit proces vindt plaats onder anaerobe omstandigheden, dat wil zeggen dat er geen zuurstof nodig is voor dit proces.
Enzymen zijn biologische moleculen, meestal eiwitten, die chemische reacties in levende organismen versnellen. Ze fungeren als katalysatoren, wat betekent dat ze de snelheid van een chemische reactie verhogen zonder zelf te worden verbruikt in het proces. Enzymen zijn essentieel voor vrijwel alle biochemische processen in levende cellen.
Enzymen zijn meestal wel zeer specifiek, wat betekent dat elk enzym alleen werkt op een specifieke substraatmolecule of een kleine groep gerelateerde moleculen. Ze versnellen processen door het verlagen van de activeringsenergie van een reactie, wat betekent dat ze de energiebarrière verlagen die nodig is om de reactie te starten. Dit maakt het voor de reactie mogelijk om sneller en efficiënter plaats te vinden. Een enzym kan vele malen worden hergebruikt. Nadat een substraat is omgezet in een product, komt het enzym vrij en kan het opnieuw binden aan een nieuw substraatmolecuul.
Enzymen worden geclassificeerd op basis van het type reactie dat ze katalyseren. Aan de hand van een aantal voorbeelden later in dit artikel worden de functies toegelicht.
Starterculturen zijn een essentieel onderdeel van fermentatieprocessen. Een startercultuur is een gecontroleerde hoeveelheid micro-organismen die wordt toegevoegd aan een substraat (zoals melk, groenten, of deeg) om fermentatie op gang te brengen en te sturen. Deze culturen bevatten meestal geselecteerde stammen van bacteriën, gisten of schimmels die enzymen bevatten met specifieke eigenschappen, zoals zuurbestendigheid of de productie van bepaalde smaken en texturen. Starterculturen kunnen verschillende rollen en toepassingen vinden voor fermentatieprocessen binnen de voedingsmiddelenindustrie.
Door de juiste combinatie van micro-organismen te kiezen, kunnen producenten consistente, veilige en smaakvolle gefermenteerde producten creëren.
Wetgeving rond fermentatie en het gebruik van starterculturen varieert afhankelijk van het land en de specifieke industrie, maar er zijn enkele algemene richtlijnen en regels die wereldwijd vaak worden gevolgd. Deze regelgeving heeft betrekking op voedselveiligheid, etikettering, hygiëne en de goedkeuring van micro-organismen die als starterculturen worden gebruikt.
Verordening (EG) nr. 1333/2008 inzake levensmiddelenadditieven reguleert het gebruik van additieven, waaronder sommige starterculturen die aan levensmiddelen worden toegevoegd. Micro-organismen die als starterculturen worden gebruikt, moeten zijn goedgekeurd en als veilig beoordeeld onder de Novel Food-verordening Verordening (EU) 2015/2283.
Het Belgische FAVV gaat in de uitgebrachte modules groenten en fruit, zuivelproducten en vlees dieper in op het onderwerp fermentatie. In het handboek ‘additieven voor levensmiddelenfabrikanten’ van het NVWA is ook ondersteunende informatie te vinden.
Nikkel is een veel voorkomend bestanddeel van de aardkorst en is overal aanwezig in de biosfeer. De aanwezigheid van nikkel in levensmiddelen kan zowel van natuurlijke als kunstmatige oorsprong zijn. Het wordt gebruikt bij de productie van vele soorten ijzer-nikkel-mengsels, in talloze industriële en consumentenproducten. Per maart 2024 is er een aanbeveling gekomen vanuit het EFSA met betrekking tot het monitoren van nikkel in levensmiddelen. Het betreft Aanbeveling (EU) 2024/907 van de Commissie van 22 maart 2024.
Informatie over nikkel zoals ziekteverschijnselen, verdacht voedsel, beheersmaatregelen en wetgeving is toegevoegd aan de pagina Chemische gevaren op de kennisbank.
De Verordening (EU) 2023/915 is een Europese regelgeving die zich richt op de vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen. Deze verontreinigingen, ook wel contaminanten genoemd, zijn ongewenste stoffen die tijdens de productie, verwerking, opslag of distributie van voedsel kunnen voorkomen. De verordening beoogt de volksgezondheid te beschermen door strikte limieten vast te stellen voor deze stoffen. Regelmatig worden deze normen herzien op basis van nieuwe wetenschappelijke informatie en risico evaluaties uitgevoerd door EFSA.
Om ervoor te zorgen dat goede landbouwpraktijken worden toegepast om de aanwezigheid van DON in granen tot een minimum te beperken, is een maximumgehalte voor onverwerkte granen vastgesteld. Aangezien onverwerkte haver vóór het malen of vóór gebruik in graanproducten die voor de eindverbruiker in de handel worden gebracht, met het kaf in de handel wordt gebracht, moet het maximumgehalte voor DON in onverwerkte granen van haver van toepassing zijn op de onverwerkte granen van haver met inbegrip van het kafje, ook al is het kafje niet eetbaar.
Specifiek wordt hiervoor in de tabel van Bijlage I, punt 1.4 Deoxynivalenol m.b.t de maximumgehaltes vervangen.
Deze wijziging is per 1 juli 2024 in werking getreden. Levensmiddelen die vóór 1 juli 2024 in de handel zijn gebracht, mogen in de handel blijven tot en met de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum.
Aangezien de mate waarin T-2- en HT-2-toxine voorkomen het hoogst is voor granen van haver, is het volgens de Europese commissie belangrijk dat er extra inspanningen worden geleverd om de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine in granen van haver verder te verlagen. Dit om in de toekomst het maximumgehalte voor T-2- en T-2-toxine in granen van haver en graanproducten van haver te verlagen. Specifiek wordt aan punt 1 (Mycotoxine) van bijlage I van verordening 2023/915 de vermelding 1.9 (T2 en HT-2-toxine) toegevoegd.
Deze wijziging is per 1 juli 2024 in werking getreden. Levensmiddelen die vóór 1 juli 2024 in de handel zijn gebracht, mogen in de handel blijven tot en met de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum.
De maximumgehalten aan perchloraat in een breed scala aan levensmiddelen zijn opgenomen in Verordening (EU) 2023/915. Bonen werden hierbij in de groep groenten en fruit gedeeld. Uit recente gegevens blijkt echter dat het maximumgehalte voor perchloraat niet haalbaar is in bonen met peul, ook al worden er goede praktijken toegepast. Daarom wordt het maximumgehalte in bonen met peul verhoogt.
Deze wijziging is per mei 2024 in werking getreden.
Toen de maximumgehalten van de som van 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD) en vetzuuresters van 3-MCPD werd vastgesteld in 2022, werd bepaald dat die moesten worden herzien (verlaagd) binnen een tijdspanne van twee jaar. Uit recente gegevens blijkt dat lagere gehalten aan 3-MCPD en vetzuuresters van 3-MCPD al door het volgen van goede praktijken kunnen worden bereikt. Om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen worden deze daarom verlaagd. Specifiek wordt hiervoor in de tabel van Bijlage I, punt 5.3.3 vervangen.
Deze wijzigingen is van toepassing met ingang van 1 januari 2025. Levensmiddelen die vóór 1 januari 2025 in de handel zijn gebracht, mogen in de handel blijven tot en met de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum.