Het Nederlandse Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft onlangs een internetconsultatie gehouden over aanpassingen in de Warenwetregelgeving betreffende voedingssupplementen en kruidenpreparaten. Deze voorgestelde wijzigingen zijn bedoeld om schadelijke stoffen in deze producten beter te herkennen en te reguleren, zodat de veiligheid van consumenten wordt gewaarborgd.
Voedingssupplementen en kruidenpreparaten mogen geen stoffen bevatten die schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarom is het belangrijk om te bepalen welke stoffen mogelijk een risico vormen en maatregelen te nemen om het gebruik ervan te beperken of te verbieden. Met deze aanpassingen kan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) beter toezicht houden en sneller reageren op nieuwe inzichten over de veiligheid van bepaalde stoffen.
Warenwetbesluit Kruidenpreparaten: Er komt een nieuwe regel die het mogelijk maakt om via een ministeriële regeling bepaalde planten en schimmels te verbieden of onder voorwaarden toe te staan. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er een maximale dosering wordt vastgesteld of dat er een gebruiksadvies wordt verplicht. Hierdoor kan sneller worden ingespeeld op nieuwe wetenschappelijke inzichten over mogelijke gezondheidsrisico’s. In het concept worden in bijlage 1 de verboden planten en schimmels genoemd. Materiaal wat geheel of gedeeltelijk van deze planten of schimmels afkomstig is mag niet worden toegepast in kruidenpreparaten. In bijlage 2 staan de planten en schimmels vernoemd waarvan materiaal enkel onder voorwaarden is toegestaan. Bij planten en schimmels (of delen daarvan) welke in bijlage 3 genoemd zijn is er een gebruiksadvies op het etiket verplicht.
Warenwetbesluit Voedingssupplementen: Een nieuw artikel maakt het mogelijk om specifieke stoffen in voedingssupplementen te verbieden of alleen onder bepaalde voorwaarden toe te staan. Ook hier kunnen regels worden ingesteld over maximale hoeveelheden of gebruiksadviezen, zodat supplementen veiliger worden voor consumenten. Er zijn in het concept in bijlage 1 stoffen genoemd welke niet meer mogen voorkomen in voedingssupplementen en in bijlage 2 stoffen welke slechts onder voorwaarden worden toegelaten.
De bijlages zijn reeds inzichtelijk in het ontwerp. Volg deze link en download de ‘relevante informatie’.
De internetconsultatie was open tot 24 maart 2025. In deze periode konden bedrijven, deskundigen en andere belanghebbenden hun mening geven over de voorgestelde veranderingen. Het is nog niet bekend of de regels nog worden aangepast op basis van deze feedback of wanneer de definitieve wijzigingen ingaan.
Het Europees Milieuagentschap (EMA) en de Europese autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) waarschuwen dat door de opwarming van de aarde het risico toeneemt dat mensen in contact komen met mycotoxinen in voedsel.
Mycotoxinen zijn schadelijke stoffen welke door schimmels gevormd worden en ze komen voor in voedingsmiddelen zoals tarwe, maïs en gerst. De stoffen worden door planten opgenomen tijdens de groei of na de oogst en blijven in het voedsel, zelfs na wassen, koken of verwerken. Mensen krijgen ze vervolgens binnen via deze granen en producten daarvan zoals brood, pasta, bier, maar ook via fruit en zelfs besmet water. Ze kunnen ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken, zoals hormonale verstoringen, een verzwakt immuunsysteem, lever- en nierschade, miskramen, schade aan ongeboren kinderen en zelfs kanker.
Vocht en warmte bevordert de groei van schimmels, daardoor beïnvloedt klimaatverandering het gedrag en de verspreiding van schimmels. In Europa ziet men wereldwijd de grootste stijging in temperatuur en neemt het risico op blootstelling aan mycotoxinen toe. In de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara is het nu al een groot probleem. Als de besmetting daar nog toeneemt, kan dat tot grote oogstverliezen leiden.
Bovendien kunnen verhoogde neerslag, overstromingen en bodemerosie mycotoxinen van de bodem naar rivieren en grondwater verplaatsen. Dit vergroot de kans op besmetting van voedsel en diervoeder en verhoogt het risico dat mycotoxinen in drinkwater terechtkomen. Extreme weersomstandigheden, zoals zware regenval of langdurige droogte, verhogen ook de stress op planten, waardoor gewassen (vooral maïs) kwetsbaarder worden voor schimmelinfecties en besmetting met mycotoxinen.
Daarnaast kan de toename van schimmels die mycotoxinen produceren ook onbedoelde risico’s voor de volksgezondheid en duurzaamheid met zich meebrengen door een groter gebruik van bestrijdingsmiddelen zoals fungiciden.
Uit studies blijkt dat ongeveer 25 procent van de gewassen de EU-limieten voor mycotoxinen overschrijdt. Volgens gegevens van de EU wordt 14 procent van de volwassen Europese bevolking blootgesteld aan het mycotoxine deoxynivalenol (DON) in gevaarlijke hoeveelheden. Andere schadelijke mycotoxinen die belangrijk zijn voor de gezondheid zijn aflatoxinen, fumonisine, zearalenon en ochratoxine A.
Er wordt al gekeken naar de invloed van milieufactoren zoals neerslag, zonuren en temperatuur op het risico van mycotoxinen. Dit toezicht kan worden uitgebreid naar voedsel, diervoeder, dieren en mensen. Het EMA stelt ook andere mogelijke acties voor om besmetting met mycotoxinen te verminderen, zoals het kweken van gewassen die resistent zijn tegen schimmelinfecties, het toepassen van goede landbouwpraktijken (zoals vruchtwisseling om de bodemvruchtbaarheid te verbeteren en schimmeloverdracht te minimaliseren) en het gebruik van biologische bestrijdingsmethoden en voorspellende modellen.
Technologische systemen om bedrijven te ondersteunen als ERP (Enterprise Resource Planning), QMS (Quality Management Systems) zijn reeds geruime tijd in gebruik. Technologische trends die op dit moment in trek zijn, zijn bijvoorbeeld: cloudmigratie en AI-toepassingen.
Cloudmigratie biedt verschillende voordelen voor bedrijven, zoals verhoogde efficiëntie, schaalbaarheid en kostenbesparing. Tegelijkertijd brengt de overstap naar de cloud ook uitdagingen met zich mee, waaronder beveiligingsrisico’s en afhankelijkheid van externe aanbieders.
AI biedt veel mogelijkheden, van geavanceerde procesoptimalisatie tot het verbeteren van voedselveiligheid en consumentgerichte productontwikkeling. Tegelijkertijd brengt de toepassing van AI ook uitdagingen met zich mee, zoals hoge implementatiekosten, afhankelijkheid van data en ethische vraagstukken.
AI komt pas echt tot zijn recht wanneer bedrijven een sterke digitale basis hebben. Betrouwbare AI-resultaten zijn afhankelijk van hoogwaardige data – wat erin gaat, bepaalt wat eruit komt. Daarom is het cruciaal om eerst te investeren in solide software, efficiënte processen en een goed geïntegreerd IT-systeem. Sommige technologieaanbieders leveren complete pakketten waarin AI al is geïntegreerd. Toch is het belangrijk om alert te blijven op ‘AI-washing’ – bedrijven die AI promoten zonder de noodzakelijke digitale fundamenten op orde te hebben. Om AI succesvol toe te passen, moet je als bedrijf dus eerst de technologische basis versterken en vervolgens strategisch gebruikmaken van geavanceerde AI-oplossingen.
Dierenwelzijnswetgeving wordt op zowel Europees als nationaal niveau gereguleerd, waarbij Europese richtlijnen en verordeningen de basis vormen voor nationale wetten in lidstaten zoals België en Nederland.
De EU-wetgeving omtrent dierenwelzijn is een van de strengste ter wereld en de komende jaren wordt nog meer regelgeving verwacht om het welzijn van dieren verder te verbeteren. De diverse richtlijnen en verordeningen omvatten onder andere regels voor de bescherming van dieren tijdens transport, bij slacht, in veehouderijsystemen, maar ook in ongediertebestrijding. Lidstaten zijn verplicht deze Europese normen te implementeren in hun nationale wetgeving, maar hebben de vrijheid om strengere maatregelen te nemen indien gewenst.
De EU erkent dieren als “voelende wezens” en heeft bindende regelgeving en richtlijnen om dierenleed te minimaliseren.
Wettelijke basis
Belangrijke EU-wetten en -regels zijn onder andere:
Dierenwelzijn in de veehouderij
De EU heeft minimumnormen voor de bescherming van dieren in de veehouderij. Dit omvat:
In België is dierenwelzijn een regionale bevoegdheid, wat betekent dat Vlaanderen, Wallonië en Brussel elk hun eigen regelgeving hebben. De drie gewesten stellen dus elk specifieke maatregelen en accenten in hun dierenwelzijnswetgeving, afgestemd op regionale prioriteiten en inzichten. Doordat de regels variëren per regio, kan dit leiden tot bijvoorbeeld verschillen in toegestane diersoorten, vergunningsplichten, enz.
Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste initiatieven per gewest.
In Vlaanderen geldt de Dierenwelzijnscodex, die diverse bepalingen omvat. Voor de wijzigingen per 1 januari 2025 lees hier verder.
Wallonië heeft de ‘Code wallon du Bien-Être animal’ ingevoerd, met onder andere de volgende maatregelen:
Het Brussels Gewest heeft recentelijk het eerste Brussels Dierenwelzijnswetboek goedgekeurd , met onder andere:
Nederland hanteert de ‘Wet dieren’ en het ‘Besluit houders van dieren’ als belangrijkste wettelijke kaders voor dierenwelzijn. De wet dieren werd in 2013 ingevoerd en heeft als doel het welzijn van dieren te bevorderen en dierenleed te voorkomen. Beide wetten stellen regels voor het houden, verzorgen en behandelen van dieren, en omvatten specifieke welzijnseisen voor verschillende diersoorten. Nederland werkt ook aan een positieflijst voor zoogdieren, die bepaalt welke diersoorten als huisdier gehouden mogen worden. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ziet toe op de naleving van deze regels.
Belangrijkste aspecten van de Wet dieren
De Vlaamse Codex Dierenwelzijn, die op 1 januari 2025 in werking treedt, vervangt de Dierenwelzijnswet van 1986 en introduceert diverse wijzigingen om het welzijn van dieren te verbeteren. Naast een modernisering van de bestaande wetgeving voert de Codex ook enkele strengere regels in. De meeste bepalingen gelden vanaf 1 januari 2025, maar sommige wijzigingen worden pas later van kracht. Zo krijgen bedrijven voldoende tijd om zich aan de nieuwe regels aan te passen.
Parasieten in voedsel vormen een vaak onderschat risico voor de gezondheid. Goede hygiëne, zorgvuldige voedselverwerking en het vermijden van rauw of onvoldoende verhit voedsel helpen besmetting te voorkomen. Vooral zwangere vrouwen en mensen met een verzwakt immuunsysteem moeten extra voorzichtig zijn. Veel infecties door voedselparasieten blijven onopgemerkt. Door globalisering en internationale handel neemt het aantal besmettingen toe. Sommige parasieten hebben een lange incubatietijd, soms zelfs jaren, waardoor de bron moeilijk te achterhalen is. In dit artikel bespreken we de belangrijkste voedselparasieten, de gezondheidsrisico’s en hoe je besmetting kunt voorkomen.
Parasieten zijn micro-organismen die een gastheer nodig hebben om te overleven en zich voort te planten. Sommige parasieten veroorzaken ziektes, terwijl anderen onschadelijk zijn. Ze nestelen zich in verschillende delen van het lichaam, zoals de darmen, lever, longen, huid of bloed. Parasieten worden ingedeeld in ectoparasieten (zoals vlooien en teken) en endoparasieten, die zich in het lichaam bevinden. Alleen endoparasieten vormen een risico voor voedselveiligheid.
Endoparasieten zijn onderverdeeld in protozoa en wormen (nematoden, lintwormen en zuigwormen). Besmetting kan plaatsvinden via contact met uitwerpselen, vervuild water of slechte hygiëne. Dit kan maag- en darmklachten veroorzaken, zoals diarree, misselijkheid en gewichtsverlies. De ernst van de symptomen hangt af van het type parasiet en de weerstand van de persoon.
Protozoa worden steeds via de fecale-orale route overgedragen en kunnen als cyste langdurig buiten een gastheer overleven. Denk aan vervuild irrigatiewater of uitwerpselen van dieren op de akkers.
Trematoden zijn parasitaire platwormen die lever- en galwegaandoeningen kunnen veroorzaken, vaak met ernstige gezondheidsgevolgen op de lange termijn. De meeste infecties komen voor in Zuidoost-Azië, maar ook in Amerika en Europa neemt het aantal infecties toe. Wetenschappers voorspellen dat het aantal voedselgerelateerde trematodeninfecties wereldwijd tot 2030 stabiel blijft. Deze parasieten, zoals lever-, long- en darmbotten, worden overgedragen via besmette vis, schaaldieren of planten en kunnen ernstige gezondheidsproblemen veroorzaken. In 2021 waren er wereldwijd 44,5 miljoen infecties, met 85% van de gevallen in China, Thailand, Zuid-Korea en Vietnam.
De bestrijding is moeilijk door de complexe levenscyclus van de parasieten en culturele eetgewoonten. In lage-inkomenslanden ontbreekt effectieve monitoring, wat de impact onderschat. Wetenschappers benadrukken het belang van educatie, vooral bij kinderen, om gedragsverandering en preventie te bevorderen. Trematodeninfecties blijven een onderschat volksgezondheidsprobleem.
Drie belangrijke soorten trematoden zijn:
Kruiden en specerijen zijn onmisbare smaakmakers in de voedingsmiddelenindustrie. Dankzij hun veelzijdige toepassingen voegen ze geur, kleur en smaak toe binnen uiteenlopende sectoren. Voor veel levensmiddelenbedrijven is het essentieel om op de hoogte te blijven van de geldende wetgeving en de mogelijke risico’s die kruiden en specerijen met zich meebrengen. In dit artikel bespreken we de belangrijkste aandachtspunten en verwijzen we naar relevante bronnen voor aanvullende informatie.
Ondanks de strikte wetgeving zijn er verschillende risico’s verbonden aan kruiden en specerijen met betrekking tot de voedselveiligheid:
Er zijn gevallen bekend waarbij kruiden en specerijen zijn vermengd met goedkope vulstoffen of niet-eetbare stoffen om kosten te besparen. Dit kan leiden tot gezondheidsrisico’s en misleiding van consumenten. Lees er verder over in het artikel ‘Fraude in de handel in kruiden en specerijen’.
Kruiden en specerijen kunnen besmet raken met bacteriën, vooral bij teelt, oogst of verwerking onder onhygiënische omstandigheden. Dergelijke besmettingen kunnen leiden tot ernstige voedselinfecties. Gedroogde kruiden en specerijen brengen andere risico’s met zich mee dan verse kruiden:
Beide typen zijn gevoelig voor Bacillus spp. en E. coli.
Lees verder over microbiologische gevaren in het artikel ‘Microbiologische gevaren’ en de ‘Risk Safety Sheets’ op de Normec Kennisbank.
Deze wettelijke limieten van pesticides, mycotoxines en zware metalen zijn beschreven in Verordening (EU) 396/2005 maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en Verordening (EU) 915/2023 betreffende maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen. Beide verordeningen worden regelmatig gewijzigd en aangevuld. Blijf op de hoogte van deze zaken via de Normec ‘kennisupdate’.
Lees verder over deze gevaren in het artikel ‘Chemische gevaren’ en in de ‘Risk Safety Sheets’ op de Normec Kennisbank.
Kruiden en specerijen kunnen onbedoeld sporen van allergenen bevatten, zoals noten of gluten, wat een risico vormt voor mensen met voedselallergieën. Op de kennisbank is veel informatie te vinden over allergenen. Begin hiervoor bij het artikel ‘allergenenmanagement’. De etikettering van kruiden en specerijen wordt in Europa, Nederland en België gereguleerd door een combinatie van Europese verordeningen en nationale wetgeving.
De wetgeving rondom kruiden en specerijen in Europa, Nederland en België is gericht op het waarborgen van voedselveiligheid en consumentenbescherming. Hoewel er op Europees niveau geen specifieke wetgeving voor kruiden en specerijen bestaat, zijn er diverse algemene verordeningen en nationale regelingen die de productie, handel en consumptie van deze producten reguleren.
Binnen de Europese Unie vallen kruiden en specerijen onder de algemene levensmiddelenwetgeving. De Verordening (EG) nr. 178/2002, ook wel de Algemene Levensmiddelenverordening genoemd, legt de basisprincipes vast voor voedselveiligheid en traceerbaarheid. Deze verordening verplicht bedrijven om de herkomst van hun producten te kunnen aantonen, zodat onveilige producten snel van de markt kunnen worden gehaald. Daarnaast stelt Verordening (EG) nr. 852/2004 eisen aan de hygiëne bij de productie en verwerking van levensmiddelen, waaronder kruiden en specerijen. Deze verordening verplicht bedrijven om een voedselveiligheidsplan op te stellen volgens de HACCP-principes (Hazard Analysis and Critical Control Points). Verder zijn er specifieke verordeningen die maximale residulimieten voor pesticiden en contaminanten in levensmiddelen vaststellen, waaraan ook kruiden en specerijen moeten voldoen. Deze zijn beschreven in Verordening (EU) 396/2005 maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en Verordening (EU) 915/2023 betreffende maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen.
In België wordt de handel in specerijen en specerijproducten voornamelijk gereguleerd door het KB van 31 augustus 2021 betreffende de fabricage van en de handel in voedingsmiddelen die uit planten of uit plantenbereidingen samengesteld zijn of deze bevatten.
Zo worden schadelijke specerijen en specerijproducten verboden verklaard en zijn er straffen voorzien voor inbreuken op de bepalingen van het besluit.
Voor roken bestemde kruidenproducten, zoals kruidenmengsels zonder tabak die via verbranding worden geconsumeerd, gelden specifieke regels. Deze producten worden in België gelijkgesteld aan tabaksproducten, wat betekent dat ze onderworpen zijn aan vergelijkbare beperkingen, zoals een verbod op roken in gesloten openbare ruimten, reclameverboden en verkoopbeperkingen aan minderjarigen.
In Nederland vallen kruiden en specerijen onder de Warenwet. Het Warenwetbesluit Specerijen en Kruiden definieert deze producten als eetwaren, zijnde delen van planten die aromatisch smaken of ruiken dan wel een scherpe smaak bezitten, en die bestemd zijn om aan eet- en drinkwaren te worden toegevoegd. Dit besluit bevat specifieke eisen omtrent de samenstelling en etikettering van kruiden en specerijen. Zo worden er maximale gehaltes aan as en zand en minimale gehaltes aan vluchtige olie vastgesteld voor verschillende kruiden en specerijen. Daarnaast bepaalt het besluit dat het verboden is om met bepaalde aanduidingen andere specerijen en kruiden te verhandelen dan die waaraan die aanduidingen zijn voorbehouden.
Voor kruidenpreparaten, zoals voedingssupplementen met kruiden, geldt het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten. Dit besluit stelt dat kruidenpreparaten zonder voorafgaande toestemming op de markt mogen worden gebracht, mits ze geen schadelijke stoffen bevatten. Bovendien is het gebruik van sommige kruiden en stoffen expliciet verboden.
Het is essentieel dat de etikettering duidelijk, leesbaar en onuitwisbaar is, en dat de informatie niet misleidend is voor de consument. De verantwoordelijkheid voor correcte etikettering ligt bij de exploitant die het levensmiddel onder zijn naam of handelsmerk op de markt brengt, of bij de importeur in geval van geïmporteerde producten.
De basis voor de etikettering van levensmiddelen binnen de Europese Unie wordt gevormd door Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Deze verordening stelt algemene eisen aan de etikettering van alle levensmiddelen, inclusief kruiden en specerijen. Belangrijke verplichte vermeldingen zijn onder andere:
Naam van het product, lijst van ingrediënten, allergeneninformatie, netto hoeveelheid, houdbaarheidsdatum, bijzondere bewaar- en gebruiksvoorwaarden, naam en adres van de verantwoordelijke exploitant, land van oorsprong of plaats van herkomst, gebruiksaanwijzing, voedingswaardevermelding (Niet verplicht voor kruiden en specerijen, tenzij er specifieke nutritionele claims worden gemaakt).
Voor mengsels van kruiden en specerijen geldt dat, indien geen enkel ingrediënt in gewicht overheerst, de componenten in willekeurige volgorde kunnen worden opgesomd, voorafgegaan door een vermelding zoals “in wisselende verhouding”. Bovendien mogen kruiden en specerijen die minder dan 2% van het totale gewicht uitmaken, worden aangeduid met termen als “gemengde specerijen” of “kruiden”.
Op de Normec kennisbank is veel informatie vinden rond etiketteren. Begin bij het artikel ‘Etiketteren – Voedselinformatie’.
In België wordt de etikettering van kruiden en specerijen voornamelijk gereguleerd door Verordening (EU) nr. 1169/2011, zoals hierboven beschreven. De informatie op het etiket moet in een voor de gemiddelde consument begrijpelijke taal worden verstrekt, rekening houdend met het taalgebied waar het product wordt aangeboden. Dit betekent dat de etikettering in België moet voldoen aan de taalwetten die van toepassing zijn in de verschillende gewesten.
In Nederland is het Warenwetbesluit Specerijen en Kruiden van toepassing. Dit besluit definieert specerijen en kruiden als eetwaren, zijnde delen van planten die aromatisch smaken of ruiken dan wel een scherpe smaak bezitten, en die bestemd zijn om aan eet- en drinkwaren te worden toegevoegd. Het besluit bevat specifieke eisen omtrent de samenstelling en etikettering van deze producten, waaronder maximale gehaltes aan as en zand en minimale gehaltes aan vluchtige olie voor verschillende kruiden en specerijen.
Het voeren van gezondheidsclaims op kruidenpreparaten is toegestaan, mits de claims niet misleidend zijn en met objectieve gegevens kunnen worden onderbouwd, conform Verordening (EG) nr. 1924/2006 over voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen. Lees verder over claims in het artikel ‘Etiketteren – Claims’.
De NVWA heeft een handboek uitgebracht waar de Europese wetgeving rondom voedings- en gezondheidsclaims wordt toegelicht, aangevuld met de Nederlandse wetgeving. Lees verder over dit type claims in het artikel ‘Handboek Voedings- en gezondheidsclaims’.
De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) heeft haar richtlijn voor veilige hoeveelheden vitaminen en mineralen herzien. De oorspronkelijke richtlijnen uit 2000 zijn verbeterd op basis van nieuwe kennis en ervaringen. De vernieuwde richtlijn, die de risicobeoordeling toelicht, is in november 2024 gepubliceerd en was sinds 2022 in een testfase.
Vitaminen en mineralen (nutriënten) zijn belangrijk voor de gezondheid, maar te veel ervan kan schadelijk zijn. Nutriënten mogen door fabrikanten aan levensmiddelen worden toegevoegd en het vaststellen van aanvaardbare bovengrenzen voor vitamines en mineralen is bedoeld om overdosering te voorkomen. Overdosering is vaak alleen een risico bij voedingssupplementen en verrijkte voedingsmiddelen, zoals ontbijtgranen en margarines. Via reguliere voeding worden de bovengrenzen voor vitamines en mineralen zelden overschreden.
Tot op heden bepaalden de verschillende lidstaten zelf hun maximale niveaus voor vitaminen en mineralen. In Nederland zijn de veilige bovengrenzen vastgelegd in het Warenwetbesluit voedingssupplementen en in België in het KB in de handel brengen van nutriënten en van voedingsmiddelen waaraan nutriënten werden toegevoegd.
Hoewel Verordening (EU) 1925/2006 voorschriften voor de toevoeging van vitaminen en mineralen en Richtlijn 2002/46/EG een geharmoniseerde lijst van deze nutriënten biedt, zorgden nationale verschillen voor complexiteit op de Europese markt. Dit maakte het lastig voor bedrijven die hun producten in meerdere landen verkopen, waardoor er behoefte was aan harmonisatie.
Daarom heeft de EFSA, in opdracht van de Europese Commissie, de richtlijnen voor veilige bovengrenzen (UL’s) van vitaminen en mineralen opnieuw geëvalueerd en haar richtlijnen geactualiseerd en gepubliceerd.
Bij het vaststellen van een UL kijkt EFSA naar:
Kwetsbare groepen, zoals kinderen, krijgen extra aandacht. Als er te weinig data is, wordt een schatting gemaakt van een veilige hoeveelheid.
Van de belangrijke micronutriënten werden de afgelopen jaren geharmoniseerde Europese veilige bovengrenzen (UL) gepubliceerd. Deze UL’s zijn één voor één gepresenteerd op de website van het EFSA. De UL’s helpen beleidsmakers bepalen hoeveel van een voedingsstof veilig is in voeding en supplementen. Een samenvatting is ook beschikbaar via deze pagina van de EFSA.
Gepubliceerde UL’s door de EFSA:
Koper EFSA opinion – 17 January 2023
Selenium EFSA opinion – 20 January 2023
Vit B6 EFSA opinion – 17 May 2023
Vit D EFSA opinion -08 August 2023
Foliumzuur/folaat EFSA opinion – 13 November 2023
Mangaan EFSA opinion – 08 December 2023
Ijzer EFSA Opinion – 12 June 2024
Vit A/betacaroteen EFSA Opinion – 06 June 2024
Vit E EFSA Opinion – 02 August 2024
De Europese regelgeving rond plantengezondheid is streng en continu in ontwikkeling om schadelijke organismen buiten de EU te houden. Met strikte importregels, controlemechanismen en bewustwordingscampagnes wordt de gezondheid van planten en de veiligheid van landbouwproducten binnen Europa gewaarborgd. Per 5 januari 2025 is Verordening (EU) 2024/3115 in werking met een herziening op de fytosanitaire basiswetgeving van de EU.
De Europese Unie heeft regels opgesteld om schadelijke organismen die planten kunnen aantasten buiten Europa te houden en uitbraken snel te bestrijden. Deze regels zijn vastgelegd in Verordening (EU) 2016/2031, ook wel de ‘Plant Health Law’ (PHL) genoemd. Deze wet vormt de basis voor het plantengezondheidsbeleid binnen de EU en geldt sinds 12 december 2016.
De wetgeving richt zich op vijf belangrijke pijlers:
Op 16 december 2024 is Verordening (EU) 2024/3115 gepubliceerd, die de fytosanitaire basiswetgeving van de EU herziet. De wet is op 5 januari 2025 in werking getreden en heeft als doel de bestrijding van gereguleerde plaagorganismen te verbeteren en de veiligheid van planten en plantaardige producten te garanderen.
Belangrijke wijzigingen:
De controle op plantengezondheid valt onder Verordening (EU) 2017/625, die ook dierengezondheid en voedselveiligheid regelt. Dit helpt om zowel de handel binnen de EU als de internationale handel veiliger te laten verlopen.
Veel mensen zijn zich niet bewust van de risico’s die schadelijke organismen vormen voor voedselvoorziening, economie en biodiversiteit. Daarom moeten EU-lidstaten reizigers informeren over de gevaren van het meenemen van planten, voedsel en zaden uit risicogebieden. Dit sluit aan bij de ‘One World, One Health’-strategie.
Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 (‘Big Implementing Act’)
Deze wet, van kracht sinds 14 december 2019, bevat gedetailleerde regels over:
Een plantenpaspoort is een verplicht document voor het verhandelen van planten binnen de EU. Dit geldt sinds 14 december 2019 en is bedoeld om traceerbaarheid en controle te verbeteren.
De EU heeft een lijst met 20 prioritaire quarantaine-organismen die extra aandacht krijgen. Voorbeelden zijn de bacterie Xylella fastidiosa en de Aziatische boktor. Lidstaten moeten deze organismen actief monitoren en bestrijden.
Bepaalde planten en plantaardige producten met een hoog risico mogen de EU niet binnenkomen zonder een voorafgaande risicobeoordeling. De lijst hiervan staat in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019. Sommige verboden kunnen later worden aangepast of opgeheven op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten.
De Wet van 2 april 1971 regelt de bestrijding van schadelijke organismen die planten en plantaardige producten aantasten.
Het Koninklijk Besluit van 22 februari 2021 bevat beschermende maatregelen tegen quarantaineorganismen en brengt de federale wetgeving in overeenstemming met de Europese regels (Verordening (EU) 2016/2031 en Verordening (EU) 2017/625). Dit besluit bepaalt onder meer:
Deze wetgeving zorgt ervoor dat België voldoet aan de Europese eisen voor plantengezondheid en voedselveiligheid.
In Nederland geldt het Specifiek interventiebeleid NVWA fytosanitaire wetgeving. Deze wetgeving beschrijft de klasseindeling en de interventies voor de specifieke overtredingen van de regelgeving met betrekking tot fytosanitaire wet- en regelgeving.
De Omzendbrief met betrekking tot de controle op de kwaliteit van de rauwe melk beschrijft alle verplichtingen m.b.t kwaliteitscontrole waar operatoren in dit gebied aan moeten voldoen. Met betrekking tot de sneltesten op antibioticaresiduen is er een wijziging geweest per januari 2025.
Omzendbrief met betrekking tot ´Sneltesten en microbiologische inhibitortesten voor de detectie van remstoffen in rauwe melk’ schrijft voor aan welke eisen de toegestane testen welke gebruikt mogen worden moeten voldoen.
Een lijst met toegestane sneltesten om deze remstoffen te detecteren alsook hun detectiecapaciteiten is gepubliceerd door het FAVV. Sneltesten kunnen een hoge gevoeligheid hebben en daardoor soms onterecht een niet-conform resultaat laten zien. Daarom mag, in het geval dat een sneltest een niet conform resultaat laat zien, de melk nog onderzocht a.d.h.v. een microbiologische inhibitortest. Indien dit ingezet wordt, is deze laatste steeds leidend in de beslissing welke genomen kan worden over de partij.
De wijziging per 1 januari 2025 heeft betrekking op de eisen aan de sneltest. Deze zijn beschreven in bijlage 2 van de omzendbrief.
Eerder moesten de sneltesten 85% van de in België geregistreerde antibiotica substanties kunnen detecteren. Vanaf 1 januari is dat 100% en i.p.v. 12/14 moet de test nu 13/14 merkerresiduen op hun maximum residu limiet (MRL) kunnen aantonen in minimaal 95% van de gevallen. Wanneer het niet op MRL kan worden gedetecteerd, dient minimaal wel op 5xMRL aantoonbaar te zijn in minimaal 95% van de gevallen.
De test mag maximaal 5% negatieve resultaten geven op positieve monsternames.
In het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen zijn wijzigingen doorgevoerd in verband met microbiologische eisen aan eet- en drinkwaren. Zo zijn er aanpassingen in artikel 4 m.b.t. pathogene micro-organismen die in eet- en drinkwaren afwezig moeten zijn in hoeveelheden die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid:
Ook is er een aanpassing van de beschrijving van de eet- en drinkwaren waarop dit overzicht pathogene micro-organismen van toepassing is.
Deze wijzigingen worden o.a. verder verwerkt in het Warenbesluit hygiëne van levensmiddelen. Lees hieronder verder hoe deze omzetting in praktijk wordt doorgevoerd door de wijzigingen in dit Warenbesluit.
In het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen zijn gewijzigde voorschriften voor rauwe melk en rauwe room bestemd voor rechtstreekse menselijke consumptie doorgevoerd:
De benaming ‘rauwe koemelk’ wordt vervangen door ‘rauwe melk en rauwe room’.
Gewijzigde voorschriften m.b.t. onder andere overdracht van de rauwe melk naar de klant en temperaturen waarop dit plaats kan vinden. Ter plaatse leveren aan de consument mag:
Microbiologische criteria zijn aangepast. Over het algemeen moeten Pathogene micro-organismen afwezig zijn in eet- en drinkwaren en moeten deze voldoen aan de volgende criteria:
Met uitzondering als microbiologische criteria zijn vastgesteld bij Verordening (EG) 2073/2005.
Deze criteria voor pathogene micro–organismen zijn voor alle eet- en drinkwaren. Voor rauwe melk, welke later door de consument verhit wordt of een andere kiem reducerende behandeling krijgt, geldt dat er minimaal eenmaal per maand op Salmonella, Campylobacter en Shiga-toxine producerende E. coli (STEC) onderzocht moet worden. De frequentie van dit onderzoek kan worden gehalveerd als de resultaten gedurende zes maanden achter elkaar voldoen aan de criteria.
Het is verplicht is om minimaal twee maal per maand het aeroob kiemgetal te laten analyseren bij 30 °C aan het einde van de bewaartermijn. De bewaartermijn mag maximaal 72u na productie bedragen. De criteria hiervoor zijn:
Er zijn verschillende aanpassingen m.b.t. verplichte vermelding op de consumentenverpakking:
In verband met de nieuwe voorschriften is de bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten aangepast.