Het beperkingsproces voor PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen) binnen Europa is gericht op het minimaliseren van de uitstoot en ophoping van deze stoffen in het milieu. PFAS staan bekend om hun lange overlevingsduur in het milieu, bioaccumulatie en mobiliteit. Voor de voedingsmiddelenindustrie is het een grote zorg dat PFAS veelvuldig wordt toepast in voedselcontactmaterialen wanneer water- of vetafstoting gewenst is. Monitoring van het gevaar door PFAS in de voedselketen vindt reeds enkele jaren plaats. Recentelijk is er ook een Europese maatregel aangenomen om het gebruik van de PFAS-subgroep PFHxA in onder andere papier en karton voor voedselcontact (zoals pizzadozen) te beperken.
De autoriteiten van Denemarken, Duitsland, Nederland, Noorwegen en Zweden hebben in januari 2023 een beperkingsdossier ingediend bij ECHA (Europees Agentschap voor chemische stoffen). Het doel is het vervangen van PFAS waar mogelijk en het minimaliseren van emissies door strikte voorwaarden, met behoud van de mogelijkheid om bepaalde toepassingen tijdelijk toe te staan als er geen alternatieven beschikbaar zijn.
De voorgestelde maatregelen worden geëvalueerd op risicovermindering, evenredigheid en uitvoerbaarheid, waarbij de wetenschappelijke comités van ECHA (RAC en SEAC) een belangrijke rol spelen in de beoordeling en advisering.
RAC en SEAC hanteren een sectorale aanpak bij de beoordeling van het beperkingsdossier vanwege de brede reikwijdte van PFAS-toepassingen. Tot op heden zijn voorlopige conclusies getrokken over vijf sectoren: consumentenproducten en mengsels, cosmetica, skiwas, metaalplating en metaalproducten, aardolie en mijnbouw.
Deze conclusies worden opgenomen in het uiteindelijke geconsolideerde advies, dat naar de Europese Commissie wordt gestuurd. Binnenkort wordt er specifiek over voedselcontactmaterialen gesproken. Dit nieuws wordt dan via de kennisbank geüpdatet.
Een zes maanden durende openbare raadpleging in 2023 leverde meer dan 5600 reacties op. Hieruit kwamen nieuwe inzichten naar voren over onder andere gevaren en risico’s van PFAS, specifieke toepassingen in de EU, beschikbaarheid en geschiktheid van alternatieven en sociaaleconomische impact van de beperkingsvoorstellen.
Voorbeelden van nieuw geïdentificeerde specifieke toepassingen van PFAS waar mogelijk alternatieven voor gezocht dienen te worden zijn afdichtingsmaterialen zoals toepassingen in pijpleidingen, kleppen en pakkingen, technisch textiel zoals hoogwaardige membranen en technisch textiel voor buitengebruik, medische toepassingen zoals geneesmiddelenverpakkingen, hulpstoffen en druktoepassingen zoals onderdelen en verbruiksgoederen voor drukapparatuur.
Het voorstel wat naar de Europese Commissie is gestuurd omvat twee beperkingsopties voor alle sectoren:
De raadpleging benadrukte de noodzaak van aanvullende opties voor sectoren waar een volledig verbod onevenredige gevolgen kan hebben. Voorbeelden zijn medische hulpmiddelen en industriële toepassingen zoals PFAS-gebruik in batterijen, brandstofcellen en halfgeleiders. Deze opties worden vergeleken met de initiële voorstellen en getoetst op praktische uitvoerbaarheid en milieu-impact.
De beoordeling zal in 2025 verder worden uitgewerkt, gevolgd door een openbare raadpleging over het SEAC-ontwerpadvies. ECHA geeft aan ernaar te streven om de Europese Commissie zo snel mogelijk van een hoogwaardig advies te voorzien, waarna lidstaten een besluit nemen over de beperking.
Op 20 november 2024 werd Verordening (EU) 2024/2895 gepubliceerd. Deze wijzigt Verordening (EG) nr. 2073/2005 wat betreft Listeria monocytogenes. Wijzigingen zijn van kracht vanaf 01 juli 2026.
De Europese Unie heeft hierdoor de Listeria criteria in lijn gebracht met de Internationale Codex Alimentarius. De wijziging heeft enkel betrekking op food categorie 1.2 Kant-en-klare levensmiddelen die als voedingsbodem voor Listeria monocytogenes kunnen dienen. De normen voor de andere categorieën, namelijk kant- en klare zuigelingenvoeding en kant- en klare voeding voor medisch gebruik én kant- en klare levensmiddelen die niet als voedingsbodem kunnen dienen, blijven ongewijzigd.
Tot op heden mocht Listeria binnen deze categorie niet aangetroffen worden in 25g voordat het levensmiddel de directe controle van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf die het geproduceerd heeft, heeft verlaten. Na de overgangsperiode zal Listeria niet mogen worden aangetroffen in 25g gedurende de gehele houdbaarheidstermijn tenzij een studie ( in België en Nederland worden voor deze studie o.a. challengetesten gebruikt) goedgekeurd wordt door de autoriteiten (FAVV/NVWA) die aantoont dat de norm <100 CFU/gr op einde van de houdbaarheid niet zal worden overschreden.
Een overgangsperiode geeft exploitanten ruimte om nieuwe testen uit te zetten en eventuele maatregelen te nemen tot de wetgeving in werking treedt. Dit zal gaan gebeuren per 1 juli 2026. Onze adviseurs, in samenwerking met ons Listeria team, kunnen je hierbij ondersteunen.
International Featured Standards (IFS) zijn GFSI erkende standaarden, op het gebied van voedselveiligheid. Ze zijn opgesteld door de HDE, de Duitse brancheorganisatie van distributeurs van voedingsmiddelen. Later hebben ook de Franse retail-brancheorganisatie FCD en Italiaanse organisaties als ANCC, ANCD en Federdistributione zich hierbij aangesloten.
Een IFS gecertificeerd bedrijf toont met een IFS certificering aan dat de processen geschikt zijn om de voedselveiligheid te waarborgen, daarnaast zijn klanteisen beoordeeld en geïmplementeerd.
IFS heeft diverse standaarden ontwikkeld voor verschillende doelgroepen (Food en Non- Food). Deze procesnormen helpen bedrijven bij het implementeren van wettelijke voorschriften met betrekking tot voedselveiligheid en bieden uniforme richtlijnen voor voedselveiligheids- en kwaliteitsaspecten.
De verschillende standaarden richten zich op verschillende bedrijven en segmenten: Voedselverwerkende bedrijven en bedrijven die losse voedselproducten verpakken. Met name private label fabrikanten, maar steeds meer ook merk artikelfabrikanten. Detailhandel Groothandelaren, Cash & Carry bedrijven Logistieke bedrijven Handelsbedrijven Fabrikanten en verwerkers van verpakkingen
Deze standaard is van toepassing voor bedrijven die zelf levensmiddelen produceren of bedrijven die losse voedingsmiddelen verpakken. Ook is deze norm van toepassing wanneer er gevaar van verontreiniging bestaat tijdens het primair verpakken. De norm is belangrijk voor alle voedselproducenten, vooral voor degenen die private labels produceren, aangezien deze veel eisen bevat met betrekking tot het voldoen aan klantspecificaties.
Per 1 oktober 2023 wordt de audit afgenomen tegen versie 8, die verplicht is per 1 januari 2024. Normec Foodcare heeft een Whitepaper IFS Food versie 8 uitgebracht voor meer info.
Volg deze link om via de website van IFS diverse documenten te downloaden, waaronder:
Via de ‘filter documents’ functie op de IFS website zijn vele ondersteunende documenten te downloaden, waaronder:
Let op: IFS heeft het GLN (Global Location Number) ingevoerd, de reden is vereenvoudiging en betere beveiliging van de communicatie tussen leveranciers en retailers. GLN wordt aangeboden door GS1. Hiervoor moet je geregistreerd staan in GEPIR. Let op dat de bedrijfsnaam en het adres exact overeenkomen met de informatie op het certificaat. Vragen en antwoorden zijn in het Nederlands beschikbaar Er is een document beschikbaar dat de verschillende product categorieën beschrijft.
Er is een support document voor het voorkomen van Listeria (vleesindustrie)
Deze standaard is van toepassing op alle logistieke activiteiten, zowel voor food als voor non-food producten. Denk hierbij aan laden, lossen en transport. De standaard is van toepassing op alle soorten transport.
Sinds 1 oktober 2021 geldt versie 2.3. Deze standaard is GFSI erkend. Begin december 2023 is versie 3 gelanceerd. Deze versie zal vanaf 1 december 2024 verplicht zijn. Vanaf 1 juni 2024 is het mogelijk om tegen deze standaard te auditen.
IFS heeft m.b.t. onaangekondigde audits besloten: Voor onaangekondigde audits is versie 3 van toepassing wanneer het auditvenster start op of na 1 oktober 2024 ( in plaats van 1 juni 2024).
Volg deze link om via de website van IFS diverse documenten te downloaden, waaronder:
Via de ‘filter documents’ functie op de IFS website zijn vele ondersteunende documenten te downloaden, waaronder:
Deze standaard is van toepassing op bedrijven die zich bezig houden met handelsactiviteiten. Producten worden aangekocht en rechtstreeks aan klanten geleverd. Een bedrijf dat voor IFS Broker kan certificeren, heeft geen eigen opslag- of productielocatie.
In februari 2024 is de nieuwe versie uitgekomen. Dit is versie 3.2. Vanaf 1 juli 2024 zijn audits tegen versie 3.2 verplicht. Tot die tijd worden de audits nog uitgevoerd tegen versie 3.1. Deze standaard is GFSI erkend.
Volg deze link om via de website van IFS diverse documenten te downloaden, waaronder:
Via de ‘filter documents’ functie op de IFS website zijn vele ondersteunende documenten te downloaden, waaronder:
Deze standaard is ontwikkeld voor fabrikanten en verwerkers van primaire en secundaire verpakkingen. Daarnaast heeft IFS een aantal aanverwante standaarden.
In februari 2024 is versie 3 van IFS PACsecure uitgekomen. Audits tegen IFS PACsecure zijn mogelijk vanaf 1 juli 2024 en verplicht vanaf 1 oktober 2024.
Volg deze link om via de website van IFS diverse documenten te downloaden, waaronder:
Via de ‘filter documents’ functie op de IFS website zijn vele ondersteunende documenten te downloaden, waaronder:
(Voorheen Global Markets Food)
Deze standaard is van toepassing op de detailhandel en kleine bedrijven welke voedingsmiddelen met een industriemerk produceren. Deze standaard is ontwikkeld met als uiteindelijke doelstelling om de IFS Food certificering te bereiken.
Per oktober 2023 is versie 3 verplicht. IFS Progress Food is een ontwikkeling programma welke levensmiddelenproducenten helpt om stapsgewijs degelijke voedselveilige en kwaliteitsvolle processen te bouwen.
Volg deze link om via de website van IFS diverse documenten te downloaden, waaronder:
Deze standaard is ontwikkeld voor groothandelaren en cash & carry bedrijven. Deze bedrijven worden vaak als schakel gezien tussen de producerende bedrijven en de commerciële klant. Afhankelijk van de kernactiviteit van het bedrijf, is er een klant tailor made checklist van toepassing.
De huidige versie waar tegen geaudit wordt is versie 2.
In november 2024 is een nieuwe versie uitgebracht, versie 3 . Audits mogelijk vanaf 1-5-2025, audits verplicht vanaf 1-11-2025.
Volg deze link om via de website van IFS diverse documenten te downloaden, waaronder:
(vooheen Global Markets Logistics)
Met het implementeren van deze standaard wordt de markttoegang lokaal vergemakkelijkt. Er wordt een wederzijdse acceptatie in de gehele keten gecreëerd en het biedt structuur voor begeleiding, ontwikkeling en beoordeling van kleine en minder ontwikkelde logistieke dienstverleners. Deze norm is ontwikkeld met als uiteindelijke doelstelling de IFS Logistics certificering te bereiken.
De laatste uitgegeven versie is versie 1. IFS Progress Logistics is een ontwikkeling programma welke logistieke dienstverleners helpt om stapsgewijs degelijke voedselveilige en kwaliteitsvolle processen te bouwen.
Volg deze link om via de website van IFS diverse documenten te downloaden, waaronder:
Deze standaard is ontwikkeld om de productveiligheid te borgen, kosten te verlagen en transparantie in de gehele productieketen van huishoudelijke en persoonlijke verzorgingsproducten te bieden.
Dit is een niet GFSI goedgekeurde standaard. In december 2022 is versie 3 gepubliceerd.
IFS Progress HPC is een ontwikkeling programma welke leveranciers van huishoudelijke en persoonlijke verzorgingsproducten helpt om stapsgewijs degelijke veilige en kwaliteitsvolle processen te bouwen.
Volg deze link om via de website van IFS diverse documenten te downloaden, waaronder:
De basismodule van de IFS ESG Check richt zich op het vastleggen van een managementsysteem op het gebied van duurzaamheid. De Check kan worden uitgebreid met een optionele aanvullende module die helpt de CO2-voetafdruk van het bedrijf te bepalen.
Ondersteuning voor bedrijven op weg naar meer duurzaamheid. De zelfevaluatie helpt kleine en middelgrote bedrijven om hun huidige praktijken op het gebied van duurzaamheidsbeheer te evalueren. Het model faciliteert een overgang naar actieve klimaatbescherming in bedrijven.
Volg deze link om via de website van IFS diverse documenten te downloaden, waaronder:
Deze standaard richt zich op het borgen van fraude- en integriteitsissues.
Sinds april 2019 is de IFS PIA norm beschikbaar. IFS heeft deze standaard ontwikkeld om de wensen ten aanzien van fraude en integriteit van grote retailers samen te brengen. IFS wil door deze standaard de risico’s van moedwillige misleiding en fraude met producten beperken. De wijze van transparantie en borging van fraude- en integriteitsrisico’s binnen een bedrijf worden specifiek gecontroleerd. De norm is erop gericht het vertrouwen tussen producent en klant te vergroten. Beide partijen kunnen bepalen in welke mate zij willen voldoen aan deze standaard. Product en klant maken hierover afspraken. De IFS PIA is niet GFSI erkend. De IFS PIA vervangt vanaf juni 2021 de CBL standaard Chain of Custody (CoC) versie 3, ook bekend als de “Varken van Morgen” norm. In de nieuwe versie van de checklist, die IFS PIA incl. GlobalG.A.P. SMI-vereisten heet, zijn alle vereisten opgenomen die specifiek zijn voor het programma van het Initiatief voor Duurzaam Vlees (SMI).
Volg deze link om via de website van IFS diverse documenten te downloaden, waaronder:
British Retail Consortium Global Standards (BRCGS) zijn GFSI erkende standaarden, op het gebied van voedselveiligheid. BRCGS werd in 1996 opgericht door retailers en detailhandelaren als brancheorganisatie die de voedselveiligheidsnormen in de hele toeleveringsketen naar retail en supermarkten wilden harmoniseren. In 1998 heeft het British Retail Consortium de eerste norm gepubliceerd. Begin 2019 heeft een naamswijziging plaatsgevonden van BRC naar BRCGS. De eisen van de standaard worden regelmatig opnieuw beoordeeld, zodat deze overeenstemmen met de marktontwikkelingen en de veranderingen in de wet- en regelgeving.
GFSI = Global Food Safety Iniative
Inmiddels kent BRCGS veel verschillende standaarden voor diverse doelgroepen (Food en Non- Food). Deze normen helpen de gebruikers bij het implementeren van wettelijke voorschriften met betrekking tot voedselveiligheid en bieden uniforme richtlijnen voor voedselveiligheid en kwaliteitsaspecten.
Naast deze branches heeft BRCGS nog enkele standaarden ontwikkeld specifiek voor bepaalde doelgroepen, zoals een Gluten-Free Certification en een Food Safety Culture Excellence.
Het is mogelijk bovenstaande standaarden uit te breiden met aanvullende vrijwillige modules, zoals Global G.A.P. Chain of custody, meat supply chain assurance, Food Safety Modernization Act (FSMA), Voedselveiligheid Cultuur Excellentie en Gluten-Free Certification.
Daarnaast heeft BRCGS een aantal standaarden voor aanverwante branches.
Op 1 augustus 2022 is versie 9 verschenen. Er is een whitepaper beschikbaar over de wijzigingen.
Volg deze link om via de website van BRCGS diverse documenten te downloaden, waaronder:
De huidige standaard van deze standaard is versie 3, gepubliceerd op 1 oktober 2021. Op 15 september 2022 heeft het GFSI laten weten dat deze versie met succes is erkend voor de GFSI benchmarking vereisten versie 2020.
Volg deze link om via de website van BRCGS diverse documenten te downloaden, waaronder:
De huidige standaard van deze standaard is versie 4, gepubliceerd in 2020.
Volg deze link om via de website van BRCGS diverse documenten te downloaden, waaronder:
De huidige versie van de standaard is versie 7 van oktober 2024.
Volg deze link om via de website van BRCGS diverse documenten te downloaden, waaronder:
De definitieve versie van BRCGS Packaging Materials 7 is op 28 oktober 2024 gepubliceerd. Audits volgens van BRCGS Packaging Materials 7 vinden plaats vanaf 28 april 2025.
BRCGS Packaging Materials is de eerste verpakkingsnorm die werd erkend door het Global Food Safety Initiative (GFSI). Het is niet enkel van toepassing voor producenten van voedselverpakkingen, maar ook voor producenten van verpakkingen voor alle toepassingen in de hele toeleveringsketen, inclusief producten voor éénmalig gebruik.
De norm bevat de eisen voor de vervaardiging van verpakkingsmaterialen die worden gebruikt bij de vervaardiging van en afvulbewerkingen voor:
Het is dus ook de bedoeling dat de eisen van toepassing zijn op:
Nieuw aan deze versie van de norm is dat de standaard ook van toepassing is op wegwerpproducten voor eenmalig gebruik zoals wegwerpbestek en -serviesgoed, servetten, rietjes en polyethyleen handschoenen. Deze producten worden vaak ook geproduceerd door bedrijven die verpakkingsmateriaal produceren met dezelfde productietechnieken als deze voor verpakking. De producten bevinden zich qua functionaliteit tussen verpakkingsmateriaal en consumentenproducten. BRCGS heeft nu besloten deze aan de scope van BRCGS Packaging Materials toe te voegen.
Andere belangrijke wijzigingen zijn:
Audits tegen versie 7 vinden plaats vanaf 28 april 2025. Wil je snel een overzicht van alle wijzigingen die binnen jouw bedrijf moeten worden doorgevoerd? Dat kan met de nulmeting BRCGS Packaging Materials versie 7.
Tevens houden we op 3 december om 15:00 uur een webinar waarin de belangrijkste wijzigingen worden toegelicht. Meld je aan voor het webinar en stoom jouw bedrijf klaar voor de aankomende audit volgens BRCGS Packaging Materials versie 7.
Meer info over BRCGS standaarden: BRCGS standaard: British Retail Consortium Global Standards
De EFSA heeft haar conclusies met betrekking tot de opmars van de Afrikaanse varkenspest (AVP) gepubliceerd. In 2023 werden 14 lidstaten getroffen en werd een vervijfvoudiging van het aantal uitbraken bij gedomesticeerde varkens ten opzichte van het voorgaande jaar aangetroffen.
Afrikaanse varkenspest is een ernstige, zeer besmettelijke virale ziekte die wilde en tamme varkens treft. Het virus veroorzaakt hoge sterfte onder besmette dieren en kan zich snel verspreiden. Het is niet gevaarlijk voor mensen, maar heeft enorme economische gevolgen voor veehouders en landen waar de uitbraak plaatsvindt.
Symptomen bij varkens zijn hoge koorts, verminderde eetlust, bloedingen (onder andere onder de huid), diarree, ademhalingsproblemen en plotselinge sterfte. Het kan leiden tot sterfte in bijna 100% van de gevallen, afhankelijk van de stam van het virus. Het virus kan zich verspreiden door direct contact tussen varkens, via geïnfecteerde materialen zoals voer of kleding en door bepaalde soorten teken die de ziekte kunnen overdragen. Het virus blijft lang besmettelijk in vlees van geïnfecteerde varkens, wat de verspreiding vergemakkelijkt via vleesproducten.
Er is geen vaccin tegen Afrikaanse varkenspest. Uitbraken worden beheerst door quarantaine, het doden van besmette dieren, strikte hygiëne en soms reis- of importverboden voor vlees uit besmette gebieden.
Voor gedomesticeerde varkens waren de uitbraken in de EU zeer geclusterd; Kroatië en Roemenië meldden 96% van het totale aantal uitbraken (1.929). Deze uitbraken zorgden er wel voor dat 2023 binnen de EU het jaar met het grootste aantal uitbraken van AVP sinds 2014 was.
Voor wilde zwijnen werd AVP voor het eerst geïntroduceerd in Zweden en Kroatië en verspreidde zich naar nieuwe gebieden in Italië. Het aantal uitbraken steeg in 2023 met 10% ten opzichte van het voorgaande jaar. Duitsland, Hongarije en Slowakije zagen het aantal uitbraken bij wilde zwijnen afnemen.
De EFSA beveelt aan om voor de opsporing van uitbraken van AVP voornamelijk aan passieve surveillance te doen in plaats van actieve surveillance. Voor gedomesticeerde varkens betreft het met name het opmerken en melden van klinische symptomen van de ziekte bij varkenshouderijen door de boeren en dierenartsen. Voor wilde zwijnen houdt dit in dat men testen wil laten uitvoeren op karkassen van wilde zwijnen en niet pro-actief gejaagde wilde zwijnen wil laten testen.
Eind 2024 zal de EFSA een wetenschappelijk advies uitbrengen over de herziening van de risicofactoren voor het ontstaan, de verspreiding en de persistentie van het AVP-virus bij everzwijnpopulaties en bij gedomesticeerde varkens.
Het preventieteam Afrikaanse varkenspest richt zich op alle mogelijke preventieve maatregelen om insleep van AVP in Nederland te voorkomen. Via de brochure ‘Baas op eigen erf’ worden de preventiemogelijkheden verduidelijkt. Er is de mogelijkheid om een ‘preventiescan’ te maken zodat de risico’s voor insleep verkleint worden. De NVWA heeft daarnaast in verschillende talen de flyer ‘voorkom insleep varkenspest’ gemaakt waarbij maatregelen voor het bedrijf, de (buitenlandse) medewerkers en andere erfbetreders duidelijk gemaakt worden.
Het FAVV heeft een brochure opgemaakt om de symptomen te herkennen. De meldingsplicht staat beschreven bij de algemene informatie van het FAVV. Via de flyer ‘Afrikaanse varkenspest blijft zich verder verspreiden in Europa! Laten we samen deze ziekte bestrijden!’ geeft het FAVV beknopte informatie over de ziekte, haar verspreiding, overdrachtswegen, preventiemogelijkheden, vroegtijdige detectie en bestrijding.
Vibrio is een bacterie die tot op heden enkel als risico werd geacht voor geïmporteerde vis en schaal- en schelpdieren. Door klimaatveranderingen wordt er verwacht dat er toenemende gezondheidsrisico’s zullen zijn welke verband houden met bepaalde Vibrio-soorten in zeevruchten in de Europese Unie. Vibrio komen vooral in zeevruchten voor uit zoutarme en brakke wateren en kunnen bij consumptie tot verschillende ziekten leiden.
Er bestaan verhoogde risico’s door stijgende temperaturen. Opwarming van kustwateren en extremere weersomstandigheden bevorderen de groei van Vibrio spp. in brakwater en zoutarme omgevingen. Vibrio bestaat in pathogene en niet-pathogene typen, naarmate de kustwateren opwarmen, stijgen ook de concentraties van pathogene Vibrio spp., vooral in tweekleppige weekdieren zoals oesters.
Vooral rauwe of onvoldoende verhitte schaal- en schelpdieren kunnen met Vibrio-bacteriën besmet raken. Consumptie is dus niet altijd zonder risico. Volgens wetenschappers van de EFSA kan het eten van door Vibrio besmette zeevruchten tot ernstige darminfecties leiden. Daarnaast vertonen enkele Vibrio soorten een toenemende resistentie tegen diverse klassen antibiotica wat een extra risico vormt en behandeling van ernstige infecties bemoeilijkt.
Vibrio parahaemolyticus: Veroorzaakt acute gastro-enteritis; ongeveer 20% van de besmette monsters bevat pathogene stammen met TDH en TRH toxines. Vooral stammen uit kustwateren die warmer worden, kunnen hogere resistentieniveaus vertonen tegen een aantal klassen antibiotica.
Vibrio vulnificus: Zeer gevaarlijk voor kwetsbare mensen; kan leiden tot sepsis en heeft een hoge mortaliteit. Vaak resistent tegen diverse klassen antibiotica en door de ernst van de infecties die deze bacterie veroorzaakt, vormt dit een extra risico voor mensen met verzwakte immuunsystemen.
Niet-O1/niet-O139 Vibrio cholerae: Serogroepen O1 of O139 zijn verantwoordelijk voor cholera-epidemieën, terwijl niet-O1/niet-O139-stammen meestal andere, minder ernstige infecties veroorzaken. Maar bij gevoelige individuen mogelijk ernstiger gevolgen, waaronder sepsis. Ook deze ‘niet-choleragene’ vertonen resistentie tegen medicijnen, wat de behandeling van ernstige infecties bemoeilijkt.
Om de risico’s van Vibrio spp. in zeevruchten in de EU te verminderen en de voedselveiligheid te verhogen, adviseert de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) een aantal preventieve maatregelen:
De uitgevoerde risicobeoordelingen door de EFSA hadden betrekking op Vibrio parahaemolyticus in verschillende soorten zeevruchten en Vibrio vulnificus in rauwe oesters en octopus. EFSA evalueert momenteel de behoefte aan de kennis over Vibrio spp. in vis, schaal- en schelpdieren en aquatische milieus. Voornamelijk kwantitatieve risicobeoordelingen gericht op Vibrio parahaemolyticus in oesters, het evalueren van mitigerende maatregelen in het kader van klimaatverandering en onderzoek naar de verspreiding en prevalentie van antimicrobiële resistentie in Vibrio spp. blijft een prioriteit.
Verschillende recente projecten geïnitieerd door de EFSA (Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid) hebben inzicht gegeven in potentiële opkomende chemische risico’s in de voedselketen. Hierbij werden stoffen geïdentificeerd die mogelijk onbedoeld worden geïntroduceerd en schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid.
Het is de taak van de EFSA om opkomende chemische risico’s te identificeren door middel van systematische processen. Vanuit dit oogpunt is het ‘Screener’ project ontstaan. Vanuit eerdere onderzoeken, waarbij aanvankelijk 15.000 stoffen betrokken waren, werden na verdere prioritering 212 stoffen als mogelijk risicovol aangeduid. In het vervolgproject (Screener) werden van deze lijst vijftien chemische stoffen geselecteerd voor kwantitatieve analyse op diverse voedingsmiddelen en diervoeders, waaronder groenten, fruit, vlees, vis, en zuivel.
De voorlopige risico-evaluatie liet in de meeste gevallen geen bezorgdheid voor de gezondheid van de mens zien, met uitzondering van drie stoffen: 3,4-dimethylaniline , N-methylacetamide en Quinoline. Waarbij 3,4-dimethylaniline en N-methylacetamide voornamelijk in kip en ei monsters werd aangetroffen. Quinoline is meer in de medische hoek te vinden zoals bij antikanker middelen, ontstekingsremmers, antibacterieel en antiviraal geneesmiddel en superlatieve groep in medicijnontdekking.
Voor deze stoffen werd een aanvullende evaluatie van het gevaar en de blootstelling aanbevolen, om beter te kunnen vaststellen in hoeverre ze een gezondheidsrisico vormen bij consumptie.
Het TIM-instrument gebruikt technologie om opkomende chemische risico’s in de voedselketen te identificeren. TIM Technology analyseert wetenschappelijke data en patenten, terwijl TIM News nieuwsartikelen screent. Voor 60 chemische stoffen uit de REACH-lijst en recent geïdentificeerde stoffen werd een tweeledige screening uitgevoerd om relevante artikelen te filteren.
Ondanks een grootschalige screening werd slechts een klein percentage van de artikelen als relevant beschouwd, met name bij gebruik van TIM News. Dit wijst op beperkingen in de efficiëntie van deze media-analyse voor het signaleren van risico’s. Gezien de beperkte relevantie van de resultaten, wordt voorgesteld om machine learning in te zetten om de screening te verbeteren.
Het CLEFSA-project heeft het resultaat in twee categorieën verdeeld.
In het CLEFSA-project (Climate change and emerging risks for food safety) werden 19 opkomende risicostoffen geïdentificeerd, waaronder risico’s door toxines die verband houden met veranderende algenbloei door klimaatverandering. Van deze 19 werden er 9 geselecteerd welke volgens het grootste aantal experts als problematisch werden aangeduid: Deoxynivalenol (DON) en zearalenon (ZON),- ciguatoxinen, β-methylamino-L-alanine (BMAA), cyanotoxinen, domoïnezuur, palytoxine, Okadaiczuur, pinnatoxinen, tetrodotoxine (TTX) en TTX-analogen.
In deze categorie bleek dat klimaatverandering het gehalte aan essentiële micronutriënten in gewassen kan verminderen, zoals selenium, mangaan, ijzer en zink, als gevolg van verhoogde CO₂-concentraties. Dit kan leiden tot een grotere kans op tekorten in voeding.
De klimaatverandering kan gevolgen hebben voor de vervoersroutes in het milieu. Het belang van extreme weersomstandigheden (hittegolven, droogte, hevige regenval en overstromingen) als drijvende kracht achter opkomende chemische problemen wordt benadrukt.
Ciguatoxinen zijn mariene biotoxinen die in vissen voorkomen als gevolg van bioaccumulatie en biotransformatie van precursortoxinen geproduceerd door de benthische dinoflagellaatgenera Gambierdiscus spp. en Fukuyoa spp. Het project EuroCigua I onderzocht ciguatoxines en toonde aan dat deze toxines endemisch worden in de regio van de Balearen door klimaatverandering en gevolgen van globalisatie.
Het vervolgproject EuroCigua II richt zich op een uitgebreide risicobeoordeling van ciguatera en op het opzetten van voorspellende modellen inclusief training en capaciteitsopbouw om ciguatoxines beter te identificeren en kwantificeren.
Deze studie onderzoekt de toekomstige risico’s voor voedsel en diervoeder uit de oceanen door ontwikkelingen in mariene aquacultuur, mijnbouw en transport. De resultaten worden in de tweede helft van 2024 verwacht en zullen bijdragen aan het opstellen van een risicobeleid voor voedselveiligheid uit mariene bronnen.
Het project onderzocht potentiële risico’s die kunnen ontstaan bij de overgang naar een circulaire economie. Hierbij lag de focus op het identificeren van risico’s voor de gezondheid van planten, dieren, mensen en het milieu. Het onderzoek geeft aan dat de vier meest voorkomende gebieden waar circulaire economie-praktijken in Europa worden toegepast de primaire productie van levensmiddelen en diervoeders, de vermindering van industrieel en verwerkend afval, de vermindering van voedsel- en voederafval in retail, de vermindering van verpakkingsafval voor levensmiddelen en diervoeders en als laatste catering en huishoudens.
Inzichten na het onderzoek:
Het netwerk rond de EFSA is van groot belang om de chemische risico’s in beeld te krijgen. Er zijn vanuit dit netwerk nog een groot aantal risico’s onder de aandacht gebracht waar nog geen gevolg aan is gegeven. Het betreft een breed scala aan onderwerpen betreffende o.a. gevaren voor stoffen uit voedselcontactmaterialen, stoffen welke in het milieu terecht komen en via die weg in het voedsel, gevaren veroorzaakt door nieuwe producten in de voedingsketen alsook gevaren welke zich ontwikkelen door klimaatveranderingen.
In zowel België als Nederland zijn er strenge regels rond het gebruik van bentazon. Dit is een herbicide dat wordt gebruikt om onkruiden te bestrijden, vooral in gewassen zoals bonen en erwten. Door recent gepubliceerde onderzoeken waaruit blijkt dat de maatregelen in Vlaanderen onvoldoende effect hebben, zijn in België de regels per 2024 aangescherpt.
De regels hebben voornamelijk betrekking op de bescherming van het milieu, in het bijzonder de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. Hoewel de basisprincipes van de wetgeving in beide landen overeenkomen, zijn er enkele specifieke verschillen die hieronder worden toegelicht.
In België wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zoals bentazon gereguleerd door verschillende overheidsinstanties, waaronder de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (FOD Volksgezondheid) en regionale milieuagentschappen. De belangrijkste regels rond bentazon zijn:
Als de waterkwaliteit in de loop van 2024 niet verbetert, wordt het gebruik van bentazon mogelijk volledig verboden in België.
In Nederland wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, inclusief bentazon, gereguleerd door het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB). De Nederlandse regels zijn als volgt:
Bufferzones en afstand tot waterlopen: beide landen hanteren een bufferzone van 5 meter rondom waterlopen en er zijn verplichtingen om driftreducerende technieken toe te passen.
In zowel België als Nederland is de wetgeving rond het gebruik van bentazon streng, met een sterke nadruk op waterbescherming. Hoewel de regels in beide landen grotendeels overeenkomen, ligt de nadruk in België iets meer op verplichte registratie van percelen, terwijl Nederland vooral inzet op monitoring en herbeoordeling door het CTGB. Beide landen kunnen het gebruik van bentazon verder beperken als de waterkwaliteit niet verbetert.
Consumenten hebben steeds meer aandacht voor duurzaamheid en willen weten hoe het zit met de levensmiddelen die zij kopen. Het zogenaamde Eco–Score logo is een logo waarmee een consument in één oogopslag informatie krijgt over de milieu impact van producten. Diverse instanties zijn bezig met het ontwikkelen en testen van verschillende varianten van een Eco–Score logo. In de Europese Unie is geen regelgeving over een dergelijke etiketinformatie ten aanzien van milieu of duurzaamheid. Wel zijn er, naast de private initiatieven, ook initiatieven vanuit de Europese Commissie omtrent duurzaamheid waar o.a. de Eco-Score logo’s zich op kunnen baseren.
Eco-Score lijkt op het logo dat gebruikt wordt door Nutri-Score. Beide keuze logo’s geven een score weer in kleuren en letters en zijn bedoeld voor de voorkant van een verpakking. Eco-Score geeft echter informatie over de milieu impact van het product, terwijl Nutri-Score informatie geeft over voedingswaarden. Eco-Score heeft een scoresysteem van 0 tot 100. De hoogste score is voor producten met een lage milieu impact en krijgt de letter A+ (donkergroen). De laagste score is van toepassing op producten met een hoge milieu impact, zij krijgen een F (rood).
De Eco-score voor levensmiddelen wordt bepaald door een combinatie van verschillende factoren die de ecologische impact van een product in kaart brengen. Bepaling van de Eco-score bestaat uit 2 onderdelen nl. bepalen van de milieu effecten en een bonus/malus systeem voor specifieke parameters.
Dit is de basis van de Eco-score. Hierin worden de milieueffecten van een product gedurende zijn hele levenscyclus, van productie en verwerking tot distributie, consumptie en afvalverwerking geanalyseerd. Hierbij wordt gekeken naar de uitstoot van broeikasgassen, energieverbruik, watergebruik, landgebruik, en vervuiling.
Producten met erkende milieukeurmerken zoals biologische certificering, Fair Trade, UTZ, RSPO, ASC, Rainforest Alliance of andere duurzame labels kunnen een betere score krijgen. Deze keurmerken geven aan dat het product voldoet aan bepaalde milieu-standaarden.
De afstand die een product aflegt van producent naar consument en de manier van transport (bijv. luchtvracht, scheepvaart) spelen een rol. Hoe groter de afstand en hoe minder efficiënt het transport, hoe hoger de ecologische voetafdruk.
Het type en de hoeveelheid verpakkingsmateriaal wordt ook meegenomen. Duurzame, recyclebare of composteerbare verpakkingen krijgen een betere beoordeling dan niet-duurzame opties.
Voor sommige productcategorieën kunnen er specifieke criteria worden toegevoegd. Bijvoorbeeld voor visproducten kan de methode van visserij (duurzaam vs. niet-duurzaam) een belangrijke rol spelen. Indien palmolie aanwezig in het product dan is de RSPO status bepalend. Bij productie van groenten en fruit wordt dan weer seizoen gebondenheid in rekening gebracht.
Bepaling van de milieu effecten kan op verschillende manieren gebeuren. In de Eco-score bepaling wordt de PEF-waarde (Product Environmental Footprint) gebruikt.
Enkele voorbeelden van methodes zijn:
Deze methodes hebben elk hun eigen focus en benadering, maar ze delen het gemeenschappelijke doel om de milieueffecten van producten en praktijken transparant te maken en te bevorderen dat consumenten en producenten duurzamere keuzes maken.
In een milieu effecten analyse kan men zowel gebruik maken van primaire gegevens als secundaire data. Primair wil zeggen dat de analyse specifiek voor een bepaald product is uitgevoerd en men deze data gebruikt. Secundair wil zeggen dat men gebruik maakt van gegevens die in een databank ter beschikking worden gesteld. Voor de Eco-score maakt men gebruik van de PEF data die beschikbaar zijn in de Agribalyse databank.
PEF analyse in de Eco-score houdt niet alleen rekening met alle fasen van de levenscyclus van het product, maar houdt ook rekening met verschillende belangrijke milieukwesties zoals klimaatverandering, waterkwaliteit, luchtkwaliteit en impact op de bodem. Elke fase van de keten wordt beoordeeld d.m.v. een reeks milieu-indicatoren. Er worden 14 indicatoren beoordeeld zoals aanbevolen door de Europese Commissie in het Product Environmental Footprint project. Aan elk van deze indicatoren wordt een weegfactor toegekend om zo tot een totale score te komen.
De 14 indicatoren (16 parameters) die worden beoordeeld:
Deze categorie wordt gebruikt om de productiescore te bepalen. Men dient hiervoor de categorieën te gebruiken die zijn gedefinieerd in de Franse voedingswaarden tabel (Ciqual samengesteld door het Frans Nationaal Agentschap voor voedsel-, milieu-, en arbeidsveiligheid (ANSES)). Er zijn 2497 categorieën beschikbaar en de categorie die het dichts aanleunt bij het product moet worden gekozen.
De ingrediëntenlijst maakt het mogelijk om de mogelijke aanwezigheid van ingrediënten met een hoge impact te detecteren zoals palmolie of bedreigde vissoorten. Informatie over de oorsprong van de ingrediënten en het percentage dat in het recept aanwezig is, kunnen ook worden gebruikt in de berekening van de transport- en oorsprongsscore.
Hierbij wordt enkel rekening gehouden met de oorsprong van de grondstoffen en niet met de plaats waar de producten worden geproduceerd.
Wanneer de percentages van de ingrediënten worden weergegeven in de ingrediëntendeclaratie dan worden deze gebruikt voor de berekening van de transport- en oorsprongsscore. Voor de meeste producten wordt echter het percentage van elk ingrediënt in de samenstelling niet gespecificeerd. In dit geval kunnen de verhoudingen van elk ingrediënt worden geschat op basis van de volgende elementen: de voedingswaardetabel van het product, de volgorde van de ingrediënten in de lijst en de voedingswaardetabel van elk van hen.
Producten met erkende milieukeurmerken zoals biologische certificering, Fair Trade, UTZ, RSPO, ASC, Rainforest Alliance of andere duurzame labels kunnen een betere score krijgen.
Hierbij dient men zowel het formaat ( bijvoorbeeld schaaltje, conserve blik, folie, capsule, zakje, …) als het gebruikte materiaal (bijvoorbeeld aluminium, PET, PVC, hout, karton, …) te specifiëren. Om de recycleerbaarheid te bepalen is soms ook nog aanvullende info nodig zoals de kleur van flessen en kunststoffen, de grootte van de huls op flessen, het type kunststofhars en type metaal.
Aan de basis bestaat er slechts 1 methode voor bepalen van de Eco-score. Deze methode is ontwikkeld door een Frans consortium. De methode kent een eenvoudige score (A tot F) toe op basis van PEF data aangevuld met bonus- en maluspunten. Hierin worden o.a. volgende parameters verwerkt: LCA-parameters (zoals CO2-uitstoot en watergebruik) plus extra punten voor milieukeurmerken en lokale productie, en strafpunten voor milieuschadelijke praktijken. Deze score werd reeds getest door supermarkten zoals Carrefour en Intermarché.
Voor de Belgische markt is een aangepast model opgezet. Dit wordt reeds gebruikt voor de huismerken van de Colruyt Group in België. Dit model is aangepast aan de Fost-plus regels voor het recycleren van verpakking. Verder gebeurt de berekening voor transport dan vanuit België. Ze maken gebruik van 5 score categorieën: A, B, C, D en E.
Het is echter ook mogelijk om andere scores en logo’s aangaande duurzaamheid en klimaat op verpakkingen terug te vinden. Deze scores en logo’s hebben elks hun eigen systematiek en houden rekening met specifieke en vaak verschillende factoren. Het is dus bijna onmogelijk deze scores en logo’s met elkaar te vergelijken. Als je producten met elkaar wil vergelijken bijvoorbeeld in kader van een aankoopbeslissing dan kies je best producten uit 1 zelfde product categorie en vergelijk je het resultaat van een specifiek logo of methode.