Kruiden en specerijen zijn onmisbare smaakmakers in de voedingsmiddelenindustrie. Dankzij hun veelzijdige toepassingen voegen ze geur, kleur en smaak toe binnen uiteenlopende sectoren. Voor veel levensmiddelenbedrijven is het essentieel om op de hoogte te blijven van de geldende wetgeving en de mogelijke risico’s die kruiden en specerijen met zich meebrengen. In dit artikel bespreken we de belangrijkste aandachtspunten en verwijzen we naar relevante bronnen voor aanvullende informatie.
Ondanks de strikte wetgeving zijn er verschillende risico’s verbonden aan kruiden en specerijen met betrekking tot de voedselveiligheid:
Er zijn gevallen bekend waarbij kruiden en specerijen zijn vermengd met goedkope vulstoffen of niet-eetbare stoffen om kosten te besparen. Dit kan leiden tot gezondheidsrisico’s en misleiding van consumenten. Lees er verder over in het artikel ‘Fraude in de handel in kruiden en specerijen’.
Kruiden en specerijen kunnen besmet raken met bacteriën, vooral bij teelt, oogst of verwerking onder onhygiënische omstandigheden. Dergelijke besmettingen kunnen leiden tot ernstige voedselinfecties. Gedroogde kruiden en specerijen brengen andere risico’s met zich mee dan verse kruiden:
Beide typen zijn gevoelig voor Bacillus spp. en E. coli.
Lees verder over microbiologische gevaren in het artikel ‘Microbiologische gevaren’ en de ‘Risk Safety Sheets’ op de Normec Kennisbank.
Deze wettelijke limieten van pesticides, mycotoxines en zware metalen zijn beschreven in Verordening (EU) 396/2005 maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en Verordening (EU) 915/2023 betreffende maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen. Beide verordeningen worden regelmatig gewijzigd en aangevuld. Blijf op de hoogte van deze zaken via de Normec ‘kennisupdate’.
Lees verder over deze gevaren in het artikel ‘Chemische gevaren’ en in de ‘Risk Safety Sheets’ op de Normec Kennisbank.
Kruiden en specerijen kunnen onbedoeld sporen van allergenen bevatten, zoals noten of gluten, wat een risico vormt voor mensen met voedselallergieën. Op de kennisbank is veel informatie te vinden over allergenen. Begin hiervoor bij het artikel ‘allergenenmanagement’. De etikettering van kruiden en specerijen wordt in Europa, Nederland en België gereguleerd door een combinatie van Europese verordeningen en nationale wetgeving.
De wetgeving rondom kruiden en specerijen in Europa, Nederland en België is gericht op het waarborgen van voedselveiligheid en consumentenbescherming. Hoewel er op Europees niveau geen specifieke wetgeving voor kruiden en specerijen bestaat, zijn er diverse algemene verordeningen en nationale regelingen die de productie, handel en consumptie van deze producten reguleren.
Binnen de Europese Unie vallen kruiden en specerijen onder de algemene levensmiddelenwetgeving. De Verordening (EG) nr. 178/2002, ook wel de Algemene Levensmiddelenverordening genoemd, legt de basisprincipes vast voor voedselveiligheid en traceerbaarheid. Deze verordening verplicht bedrijven om de herkomst van hun producten te kunnen aantonen, zodat onveilige producten snel van de markt kunnen worden gehaald. Daarnaast stelt Verordening (EG) nr. 852/2004 eisen aan de hygiëne bij de productie en verwerking van levensmiddelen, waaronder kruiden en specerijen. Deze verordening verplicht bedrijven om een voedselveiligheidsplan op te stellen volgens de HACCP-principes (Hazard Analysis and Critical Control Points). Verder zijn er specifieke verordeningen die maximale residulimieten voor pesticiden en contaminanten in levensmiddelen vaststellen, waaraan ook kruiden en specerijen moeten voldoen. Deze zijn beschreven in Verordening (EU) 396/2005 maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en Verordening (EU) 915/2023 betreffende maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen.
In België wordt de handel in specerijen en specerijproducten voornamelijk gereguleerd door het KB van 31 augustus 2021 betreffende de fabricage van en de handel in voedingsmiddelen die uit planten of uit plantenbereidingen samengesteld zijn of deze bevatten.
Zo worden schadelijke specerijen en specerijproducten verboden verklaard en zijn er straffen voorzien voor inbreuken op de bepalingen van het besluit.
Voor roken bestemde kruidenproducten, zoals kruidenmengsels zonder tabak die via verbranding worden geconsumeerd, gelden specifieke regels. Deze producten worden in België gelijkgesteld aan tabaksproducten, wat betekent dat ze onderworpen zijn aan vergelijkbare beperkingen, zoals een verbod op roken in gesloten openbare ruimten, reclameverboden en verkoopbeperkingen aan minderjarigen.
In Nederland vallen kruiden en specerijen onder de Warenwet. Het Warenwetbesluit Specerijen en Kruiden definieert deze producten als eetwaren, zijnde delen van planten die aromatisch smaken of ruiken dan wel een scherpe smaak bezitten, en die bestemd zijn om aan eet- en drinkwaren te worden toegevoegd. Dit besluit bevat specifieke eisen omtrent de samenstelling en etikettering van kruiden en specerijen. Zo worden er maximale gehaltes aan as en zand en minimale gehaltes aan vluchtige olie vastgesteld voor verschillende kruiden en specerijen. Daarnaast bepaalt het besluit dat het verboden is om met bepaalde aanduidingen andere specerijen en kruiden te verhandelen dan die waaraan die aanduidingen zijn voorbehouden.
Voor kruidenpreparaten, zoals voedingssupplementen met kruiden, geldt het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten. Dit besluit stelt dat kruidenpreparaten zonder voorafgaande toestemming op de markt mogen worden gebracht, mits ze geen schadelijke stoffen bevatten. Bovendien is het gebruik van sommige kruiden en stoffen expliciet verboden.
Het is essentieel dat de etikettering duidelijk, leesbaar en onuitwisbaar is, en dat de informatie niet misleidend is voor de consument. De verantwoordelijkheid voor correcte etikettering ligt bij de exploitant die het levensmiddel onder zijn naam of handelsmerk op de markt brengt, of bij de importeur in geval van geïmporteerde producten.
De basis voor de etikettering van levensmiddelen binnen de Europese Unie wordt gevormd door Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Deze verordening stelt algemene eisen aan de etikettering van alle levensmiddelen, inclusief kruiden en specerijen. Belangrijke verplichte vermeldingen zijn onder andere:
Naam van het product, lijst van ingrediënten, allergeneninformatie, netto hoeveelheid, houdbaarheidsdatum, bijzondere bewaar- en gebruiksvoorwaarden, naam en adres van de verantwoordelijke exploitant, land van oorsprong of plaats van herkomst, gebruiksaanwijzing, voedingswaardevermelding (Niet verplicht voor kruiden en specerijen, tenzij er specifieke nutritionele claims worden gemaakt).
Voor mengsels van kruiden en specerijen geldt dat, indien geen enkel ingrediënt in gewicht overheerst, de componenten in willekeurige volgorde kunnen worden opgesomd, voorafgegaan door een vermelding zoals “in wisselende verhouding”. Bovendien mogen kruiden en specerijen die minder dan 2% van het totale gewicht uitmaken, worden aangeduid met termen als “gemengde specerijen” of “kruiden”.
Op de Normec kennisbank is veel informatie vinden rond etiketteren. Begin bij het artikel ‘Etiketteren – Voedselinformatie’.
In België wordt de etikettering van kruiden en specerijen voornamelijk gereguleerd door Verordening (EU) nr. 1169/2011, zoals hierboven beschreven. De informatie op het etiket moet in een voor de gemiddelde consument begrijpelijke taal worden verstrekt, rekening houdend met het taalgebied waar het product wordt aangeboden. Dit betekent dat de etikettering in België moet voldoen aan de taalwetten die van toepassing zijn in de verschillende gewesten.
In Nederland is het Warenwetbesluit Specerijen en Kruiden van toepassing. Dit besluit definieert specerijen en kruiden als eetwaren, zijnde delen van planten die aromatisch smaken of ruiken dan wel een scherpe smaak bezitten, en die bestemd zijn om aan eet- en drinkwaren te worden toegevoegd. Het besluit bevat specifieke eisen omtrent de samenstelling en etikettering van deze producten, waaronder maximale gehaltes aan as en zand en minimale gehaltes aan vluchtige olie voor verschillende kruiden en specerijen.
Het voeren van gezondheidsclaims op kruidenpreparaten is toegestaan, mits de claims niet misleidend zijn en met objectieve gegevens kunnen worden onderbouwd, conform Verordening (EG) nr. 1924/2006 over voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen. Lees verder over claims in het artikel ‘Etiketteren – Claims’.
De NVWA heeft een handboek uitgebracht waar de Europese wetgeving rondom voedings- en gezondheidsclaims wordt toegelicht, aangevuld met de Nederlandse wetgeving. Lees verder over dit type claims in het artikel ‘Handboek Voedings- en gezondheidsclaims’.
De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) heeft haar richtlijn voor veilige hoeveelheden vitaminen en mineralen herzien. De oorspronkelijke richtlijnen uit 2000 zijn verbeterd op basis van nieuwe kennis en ervaringen. De vernieuwde richtlijn, die de risicobeoordeling toelicht, is in november 2024 gepubliceerd en was sinds 2022 in een testfase.
Vitaminen en mineralen (nutriënten) zijn belangrijk voor de gezondheid, maar te veel ervan kan schadelijk zijn. Nutriënten mogen door fabrikanten aan levensmiddelen worden toegevoegd en het vaststellen van aanvaardbare bovengrenzen voor vitamines en mineralen is bedoeld om overdosering te voorkomen. Overdosering is vaak alleen een risico bij voedingssupplementen en verrijkte voedingsmiddelen, zoals ontbijtgranen en margarines. Via reguliere voeding worden de bovengrenzen voor vitamines en mineralen zelden overschreden.
Tot op heden bepaalden de verschillende lidstaten zelf hun maximale niveaus voor vitaminen en mineralen. In Nederland zijn de veilige bovengrenzen vastgelegd in het Warenwetbesluit voedingssupplementen en in België in het KB in de handel brengen van nutriënten en van voedingsmiddelen waaraan nutriënten werden toegevoegd.
Hoewel Verordening (EU) 1925/2006 voorschriften voor de toevoeging van vitaminen en mineralen en Richtlijn 2002/46/EG een geharmoniseerde lijst van deze nutriënten biedt, zorgden nationale verschillen voor complexiteit op de Europese markt. Dit maakte het lastig voor bedrijven die hun producten in meerdere landen verkopen, waardoor er behoefte was aan harmonisatie.
Daarom heeft de EFSA, in opdracht van de Europese Commissie, de richtlijnen voor veilige bovengrenzen (UL’s) van vitaminen en mineralen opnieuw geëvalueerd en haar richtlijnen geactualiseerd en gepubliceerd.
Bij het vaststellen van een UL kijkt EFSA naar:
Kwetsbare groepen, zoals kinderen, krijgen extra aandacht. Als er te weinig data is, wordt een schatting gemaakt van een veilige hoeveelheid.
Van de belangrijke micronutriënten werden de afgelopen jaren geharmoniseerde Europese veilige bovengrenzen (UL) gepubliceerd. Deze UL’s zijn één voor één gepresenteerd op de website van het EFSA. De UL’s helpen beleidsmakers bepalen hoeveel van een voedingsstof veilig is in voeding en supplementen. Een samenvatting is ook beschikbaar via deze pagina van de EFSA.
Gepubliceerde UL’s door de EFSA:
Koper EFSA opinion – 17 January 2023
Selenium EFSA opinion – 20 January 2023
Vit B6 EFSA opinion – 17 May 2023
Vit D EFSA opinion -08 August 2023
Foliumzuur/folaat EFSA opinion – 13 November 2023
Mangaan EFSA opinion – 08 December 2023
Ijzer EFSA Opinion – 12 June 2024
Vit A/betacaroteen EFSA Opinion – 06 June 2024
Vit E EFSA Opinion – 02 August 2024
De Europese regelgeving rond plantengezondheid is streng en continu in ontwikkeling om schadelijke organismen buiten de EU te houden. Met strikte importregels, controlemechanismen en bewustwordingscampagnes wordt de gezondheid van planten en de veiligheid van landbouwproducten binnen Europa gewaarborgd. Per 5 januari 2025 is Verordening (EU) 2024/3115 in werking met een herziening op de fytosanitaire basiswetgeving van de EU.
De Europese Unie heeft regels opgesteld om schadelijke organismen die planten kunnen aantasten buiten Europa te houden en uitbraken snel te bestrijden. Deze regels zijn vastgelegd in Verordening (EU) 2016/2031, ook wel de ‘Plant Health Law’ (PHL) genoemd. Deze wet vormt de basis voor het plantengezondheidsbeleid binnen de EU en geldt sinds 12 december 2016.
De wetgeving richt zich op vijf belangrijke pijlers:
Op 16 december 2024 is Verordening (EU) 2024/3115 gepubliceerd, die de fytosanitaire basiswetgeving van de EU herziet. De wet is op 5 januari 2025 in werking getreden en heeft als doel de bestrijding van gereguleerde plaagorganismen te verbeteren en de veiligheid van planten en plantaardige producten te garanderen.
Belangrijke wijzigingen:
De controle op plantengezondheid valt onder Verordening (EU) 2017/625, die ook dierengezondheid en voedselveiligheid regelt. Dit helpt om zowel de handel binnen de EU als de internationale handel veiliger te laten verlopen.
Veel mensen zijn zich niet bewust van de risico’s die schadelijke organismen vormen voor voedselvoorziening, economie en biodiversiteit. Daarom moeten EU-lidstaten reizigers informeren over de gevaren van het meenemen van planten, voedsel en zaden uit risicogebieden. Dit sluit aan bij de ‘One World, One Health’-strategie.
Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 (‘Big Implementing Act’)
Deze wet, van kracht sinds 14 december 2019, bevat gedetailleerde regels over:
Een plantenpaspoort is een verplicht document voor het verhandelen van planten binnen de EU. Dit geldt sinds 14 december 2019 en is bedoeld om traceerbaarheid en controle te verbeteren.
De EU heeft een lijst met 20 prioritaire quarantaine-organismen die extra aandacht krijgen. Voorbeelden zijn de bacterie Xylella fastidiosa en de Aziatische boktor. Lidstaten moeten deze organismen actief monitoren en bestrijden.
Bepaalde planten en plantaardige producten met een hoog risico mogen de EU niet binnenkomen zonder een voorafgaande risicobeoordeling. De lijst hiervan staat in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019. Sommige verboden kunnen later worden aangepast of opgeheven op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten.
De Wet van 2 april 1971 regelt de bestrijding van schadelijke organismen die planten en plantaardige producten aantasten.
Het Koninklijk Besluit van 22 februari 2021 bevat beschermende maatregelen tegen quarantaineorganismen en brengt de federale wetgeving in overeenstemming met de Europese regels (Verordening (EU) 2016/2031 en Verordening (EU) 2017/625). Dit besluit bepaalt onder meer:
Deze wetgeving zorgt ervoor dat België voldoet aan de Europese eisen voor plantengezondheid en voedselveiligheid.
In Nederland geldt het Specifiek interventiebeleid NVWA fytosanitaire wetgeving. Deze wetgeving beschrijft de klasseindeling en de interventies voor de specifieke overtredingen van de regelgeving met betrekking tot fytosanitaire wet- en regelgeving.
De Omzendbrief met betrekking tot de controle op de kwaliteit van de rauwe melk beschrijft alle verplichtingen m.b.t kwaliteitscontrole waar operatoren in dit gebied aan moeten voldoen. Met betrekking tot de sneltesten op antibioticaresiduen is er een wijziging geweest per januari 2025.
Omzendbrief met betrekking tot ´Sneltesten en microbiologische inhibitortesten voor de detectie van remstoffen in rauwe melk’ schrijft voor aan welke eisen de toegestane testen welke gebruikt mogen worden moeten voldoen.
Een lijst met toegestane sneltesten om deze remstoffen te detecteren alsook hun detectiecapaciteiten is gepubliceerd door het FAVV. Sneltesten kunnen een hoge gevoeligheid hebben en daardoor soms onterecht een niet-conform resultaat laten zien. Daarom mag, in het geval dat een sneltest een niet conform resultaat laat zien, de melk nog onderzocht a.d.h.v. een microbiologische inhibitortest. Indien dit ingezet wordt, is deze laatste steeds leidend in de beslissing welke genomen kan worden over de partij.
De wijziging per 1 januari 2025 heeft betrekking op de eisen aan de sneltest. Deze zijn beschreven in bijlage 2 van de omzendbrief.
Eerder moesten de sneltesten 85% van de in België geregistreerde antibiotica substanties kunnen detecteren. Vanaf 1 januari is dat 100% en i.p.v. 12/14 moet de test nu 13/14 merkerresiduen op hun maximum residu limiet (MRL) kunnen aantonen in minimaal 95% van de gevallen. Wanneer het niet op MRL kan worden gedetecteerd, dient minimaal wel op 5xMRL aantoonbaar te zijn in minimaal 95% van de gevallen.
De test mag maximaal 5% negatieve resultaten geven op positieve monsternames.
In het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen zijn wijzigingen doorgevoerd in verband met microbiologische eisen aan eet- en drinkwaren. Zo zijn er aanpassingen in artikel 4 m.b.t. pathogene micro-organismen die in eet- en drinkwaren afwezig moeten zijn in hoeveelheden die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid:
Ook is er een aanpassing van de beschrijving van de eet- en drinkwaren waarop dit overzicht pathogene micro-organismen van toepassing is.
Deze wijzigingen worden o.a. verder verwerkt in het Warenbesluit hygiëne van levensmiddelen. Lees hieronder verder hoe deze omzetting in praktijk wordt doorgevoerd door de wijzigingen in dit Warenbesluit.
In het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen zijn gewijzigde voorschriften voor rauwe melk en rauwe room bestemd voor rechtstreekse menselijke consumptie doorgevoerd:
De benaming ‘rauwe koemelk’ wordt vervangen door ‘rauwe melk en rauwe room’.
Gewijzigde voorschriften m.b.t. onder andere overdracht van de rauwe melk naar de klant en temperaturen waarop dit plaats kan vinden. Ter plaatse leveren aan de consument mag:
Microbiologische criteria zijn aangepast. Over het algemeen moeten Pathogene micro-organismen afwezig zijn in eet- en drinkwaren en moeten deze voldoen aan de volgende criteria:
Met uitzondering als microbiologische criteria zijn vastgesteld bij Verordening (EG) 2073/2005.
Deze criteria voor pathogene micro–organismen zijn voor alle eet- en drinkwaren. Voor rauwe melk, welke later door de consument verhit wordt of een andere kiem reducerende behandeling krijgt, geldt dat er minimaal eenmaal per maand op Salmonella, Campylobacter en Shiga-toxine producerende E. coli (STEC) onderzocht moet worden. De frequentie van dit onderzoek kan worden gehalveerd als de resultaten gedurende zes maanden achter elkaar voldoen aan de criteria.
Het is verplicht is om minimaal twee maal per maand het aeroob kiemgetal te laten analyseren bij 30 °C aan het einde van de bewaartermijn. De bewaartermijn mag maximaal 72u na productie bedragen. De criteria hiervoor zijn:
Er zijn verschillende aanpassingen m.b.t. verplichte vermelding op de consumentenverpakking:
In verband met de nieuwe voorschriften is de bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten aangepast.
Het verkopen van rauwe melk rechtstreeks aan de eindklant (bijvoorbeeld via melktap) is in principe verboden, tenzij men aan eisen voldoet van de Nederlandse Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen.
Rauwe melk en rauwe room voor directe consumptie mogen alleen worden verkocht op het bedrijf waar ze zijn gewonnen of aan plaatselijke detailhandel die rechtstreeks aan consumenten levert. De temperatuur is bepalend voor hoe lang deze bewaard mag worden voor verkoop:
Deze criteria voor pathogene micro–organismen zijn voor alle eet- en drinkwaren. Voor rauwe melk, welke later door de consument verhit wordt of een andere kiem reducerende behandeling krijgt, geldt dat er minimaal eenmaal per maand op Salmonella, Campylobacter en Shiga-toxine producerende E. coli (STEC) onderzocht moet worden. De frequentie van dit onderzoek kan worden gehalveerd als de resultaten gedurende zes maanden achter elkaar voldoen aan de criteria.
Het is verplicht is om minimaal 2 maal per maand het aeroob kiemgetal te laten analyseren bij 30 °C aan het einde van de bewaartermijn. De bewaartermijn mag maximaal 72u na productie bedragen. De criteria hiervoor zijn:
Bedrijven die rauwe melk of room verkopen, moeten dit melden bij het ministerie via een online formulier.
Op recipiënten (behalve melktanks): Vermelding van de datum en tijdstip van winning.
Op verpakkingen of in de directe omgeving van het product:
De producent moet zorgen dat rauwe melk aan criteria voldoet. Deze regels waarborgen de voedselveiligheid van rauwe melk die rechtstreeks aan consumenten wordt geleverd, met aandacht voor hygiëne en antibioticaresistentie. Koninklijk besluit van 7 januari 2014 schrijft voor:
De producent mag onverpakte rauwe melk of colostrum rechtstreeks leveren:
Op de leveringsplaatsen moet duidelijk zichtbaar staan:
Bij huis-aan-huisverkoop of levering aan detailhandel mag deze informatie op een andere manier worden verstrekt.
Voorverpakte levering is ook toegestaan onder dezelfde voorwaarden als onverpakte rauwe melk. Enige verschillen zijn dat het niet in bijzijn van de consument hoeft afgevuld te zijn en de producent moet een toelating hebben volgens het Koninklijk Besluit van 16 januari 2006.
Kijk voor nog meer informatie naar de ‘omzendbrief rechtstreekse levering, door een primaire producent, van kleine hoeveelheden van sommige levensmiddelen van dierlijke oorsprong aan de eindverbruiker of aan de plaatselijke detailhandel”
De Omzendbrief met betrekking tot de controle op de kwaliteit van de rauwe melk beschrijft alle verplichtingen m.b.t kwaliteitscontrole waar operatoren in dit gebied aan moeten voldoen.
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen geen melk of melkproducten verhandelen, aanbieden, vervoeren of leveren zonder dat deze aan de kwaliteitscontrole zijn onderworpen.
Van rauwe melk die wordt opgehaald of geleverd aan een ander levensmiddelenbedrijf, moet een monster worden genomen voor kwaliteitscontrole. Indien een RMO-chauffeur (Rijdend Melkontvangst) met een vergunning van een Interprofessionele Organisatie (IO) de melk ophaalt, moet tijdens het laden van iedere levering een representatief monster mechanisch worden genomen. Het monster wordt opgeslagen in een goedgekeurd monsterflesje.
Manuele bemonstering: Koper met beperkte producenten kan versoepeling aanvragen. Melk wordt dan manueel bemonsterd bij iedere ophaling (minimaal twee keer per maand voor melk van andere dieren dan koeien). De IO stelt de procedure vast voor het nemen, identificeren, bewaren en vervoeren van monsters.
Producent met frequente ophalingen: Bij automatische monstername door een melkophaalwagen kan de producent leveringen doen tot maximaal 100 liter per 3-daagse productie zonder bijkomende monsters.
Deze laatste controle omvat o.a. de controle op aanwezigheid van remstoffen. Voornamelijk vanuit antibiotica.
Omzendbrief met betrekking tot ´Sneltesten en microbiologische inhibitortesten voor de detectie van remstoffen in rauwe melk’ schrijft voor aan welke eisen de toegestane testen welke gebruikt mogen worden moeten voldoen.
Een lijst met toegestane sneltesten om deze remstoffen te detecteren alsook hun detectiecapaciteiten is gepubliceerd door het FAVV. Sneltesten kunnen een hoge gevoeligheid hebben en daardoor soms onterecht een niet-conform resultaat laten zien. Daarom mag, in het geval dat een sneltest een niet conform resultaat laat zien, de melk nog onderzocht a.d.h.v. een microbiologische inhibitortest. Indien dit ingezet wordt, is deze laatste steeds leidend in de beslissing welke genomen kan worden over de partij.
De eisen aan de sneltest worden beschreven in bijlage 2 van de omzendbrief.
100% van de in België geregistreerde antibiotica substanties moeten door de sneltest gedetecteerd kunnen worden en ze dienen 13/14 merkerresiduen op hun maximum residu limiet (MRL) aan te kunnen tonen in minimaal 95% van de gevallen. Wanneer het niet op MRL kan worden gedetecteerd, dient minimaal wel op 5xMRL aantoonbaar te zijn in minimaal 95% van de gevallen.
De test mag maximaal 5% negatieve resultaten geven op positieve monsternames.
Het (overmatig) gebruik van antibiotica veroorzaakt zowel in de humane als in de diergeneeskunde een toename van bacteriële resistentie tegen deze middelen. Omdat antibioticaresistentie in de diergeneeskunde ook gevolgen kan hebben voor de behandeling van mensen, wordt het antibioticagebruik in de veehouderij in verschillende Europese landen kritisch geëvalueerd. In België werd in dit kader in 2012 AMCRA opgericht: het “Center of Expertise on Antimicrobial Consumption and Resistance in Animals”. AMCRA fungeert als kenniscentrum voor antibioticagebruik en -resistentie bij dieren en geeft adviezen om het antibioticagebruik in de diergeneeskunde op een rationele manier terug te dringen.
Een van de belangrijkste realisaties van AMCRA is de indeling van antibiotica op basis van hun (kritieke) belang voor zowel de humane als de diergeneeskunde. Voor deze indeling werden de actieve stoffen voorzien van een kleurcode en bijbehorende lettercode. Deze zijn te raadplegen op de website vam het Melk Controle Centrum (MCC) Vlaanderen: geel (code A), oranje (code B) en rood (code C).
Maximumresiduen van verschillende types antibiotica zijn terug te vinden in de Verordening (EU) 37/2010.
De Europese Unie heeft op 22 januari 2025 de definitieve tekst van de Verordening (EU) 2025/40 inzake verpakkingen en verpakkingsafval (PPWR) gepubliceerd. Deze verordening, die op 11 februari 2025 in werking is getreden, vormt een cruciaal onderdeel van de Europese strategie voor een circulaire economie. De regels zijn erop gericht de milieu-impact van verpakkingen te beperken, hergebruik en recycling te bevorderen en de hoeveelheid afval terug te dringen.
Deze verordening wijzigt de Verordening (EU) 2019/2010 van markttoezicht en conformiteit en de SUP-richtlijn (EU) 2019/904 en trekt de verpakkingen-richtlijn 94/62/EG in.
Met de PPWR stelt de EU ambitieuze reductiedoelen vast. Tegen 2030 moet de hoeveelheid verpakkingsafval per inwoner met 5% zijn verminderd, gevolgd door 10% in 2035 en 15% in 2040. Daarnaast stimuleert de verordening het gebruik van gerecycled materiaal. Voor kunststofverpakkingen worden minimumeisen vastgesteld voor het percentage gerecycled materiaal, afhankelijk van het type en de toepassing.
Een belangrijke maatregel binnen de verordening is de harmonisatie van etiketteringsregels. Er komen uniforme labels voor afvalscheiding, zodat consumenten eenvoudig kunnen zien hoe verpakkingsmaterialen correct moeten worden gescheiden en verwerkt. Daarnaast worden producenten geconfronteerd met strengere ontwerpvereisten: verpakkingen moeten herbruikbaar of recyclebaar zijn en mogen geen overbodige materialen of schadelijke stoffen bevatten.
De PPWR legt extra verantwoordelijkheid bij producenten. Zij worden verplicht de kosten te dragen voor het beheer van het verpakkingsafval dat zij op de markt brengen. Dit omvat niet alleen de inzameling en verwerking, maar ook bewustmakingscampagnes om consumenten te stimuleren afval op de juiste manier te scheiden.
De PPWR speelt een sleutelrol in de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal. Naast het verminderen van afval en het stimuleren van een circulaire economie, dragen de maatregelen bij aan een verlaging van de CO₂-uitstoot en een verminderde afhankelijkheid van primaire grondstoffen. Met de publicatie van de definitieve tekst kunnen lidstaten, bedrijven en andere belanghebbenden zich voorbereiden op de implementatie van de nieuwe regels.
De PPWR-Verordening stelt doelstellingen vast. Hierbij een beknopte samenvatting, echter gelden er verschillende uitzonderingen. Hiervoor is het raadzaam de verordening door te nemen. Let op: de Europese lidstaten zullen hier hun eigen invulling nog aan geven met specifieke maatregelen. Aan hoofdoelen zoals percentages welke gesteld worden, kunnen lidstaten niks wijzigen.
Beperking van gevaarlijke stoffen (artikel 5): Het beperken of verbieden van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in verpakkingen om de veiligheid van recyclingprocessen en de gezondheid van consumenten te waarborgen. Materialen mogen niet meer dan 100mg/kg van de stoffen lood, cadmium, kwik en zeswaardig chroom bevatten. Het PPWR verbiedt verpakkingen die met levensmiddelen in contact komen om PFAS te bevatten of boven de vastgestelde drempels komen. Bedrijven moeten met technische documentatie aantonen dat de verpakking voldoet aan de regels voor zware metalen en PFAS. De vereisten voor deze documentatie staan in bijlage VII van de verordening.
Recycleerbaarheid (artikel 6): Tegen 2030 moeten alle verpakkingen op de EU-markt economisch rendabel recycleerbaar zijn. Verpakkingen worden ingedeeld op basis van een recyclingscore vanuit de Design for Recycling-richtlijnen (DfR). Jouw verpakking wordt op basis van deze richtlijnen een score van A-E toegekend. Tegen 2030 zal de verpakking een recyclingscore moeten hebben van A-C om te voldoen aan de nieuwe normen. Tegen 2038 zal dit A-B zijn. Bijlage 6 beschrijft hoe men overeenstemming met artikel 6 moet aantonen door middel van technische documentatie.
De eisen uit artikel 6 gelden niet voor:
Gerecycleerde inhoud (artikel 7) : Het vaststellen van minimale percentages gerecycleerd materiaal in nieuwe plastic verpakkingen, met stapsgewijze verhogingen tegen 2030 en 2040. Vanaf 2030 moeten kunststofverpakkingen gemiddeld de volgende percentages post-consumer recyclaat (PCR) bevatten:
Contactgevoelige verpakkingen
Niet contactgevoelig
Plastic flessen voor eenmalig gebruik
Ten laatste op 31 december 2026 wordt de berekening gepubliceerd van de percentages gerecycled content in de verpakkingen en hoe verificatie plaats moet vinden.
Biogebaseerde grondstoffen in kunststofverpakkingen (artikel 8) : Binnen drie jaar na publicatie van de verordening wordt de technologische vooruitgang beoordeeld en de milieuprestaties van biogebaseerde kunststoffen. Daarna volgt een beslissing of er duurzaamheidscriteria en doelstellingen voor deze verpakkingen worden vastgesteld.
Composteerbare verpakkingen (artikel 9): Binnen 36 maanden na de inwerkingtreding van de verordening moeten verpakkingen van biologisch afbreekbare kunststofpolymeren en andere biologisch afbreekbare materialen geschikt zijn voor materiaalrecycling volgens artikel 6, zonder de recyclebaarheid van andere afvalstromen te beïnvloeden. Daarnaast moeten verpakkingen en stickeretiketten op groenten en fruit binnen dezelfde termijn voldoen aan de norm voor compostering (momenteel EN 13428).
De naleving van artikel 9 moet worden aangetoond met technische documentatie volgens bijlage VII.
Afvalpreventie door minimaliseren verpakkingen (artikel 10): Per 1 januari 2030 moeten alle verpakkingen uit het minimaal mogelijke volume en gewicht zodanig dat de functionaliteit niet wordt benadeeld. Voor dit artikel gelden enkele uitzonderingen en er gelden ook prestatiecriteria om het optimum van minimaal gewicht en volume aan te toetsen.
Herbruikbaarheid (artikel 11): Het verhogen van het aandeel herbruikbare verpakkingen op de markt, met specifieke streefcijfers voor verschillende sectoren en productcategorieën. Er geldt al een aantal eisen per 11 februari 2025. De naleving van artikel 9 moet worden aangetoond met technische documentatie volgens bijlage VII.
Etikettering (artikel 12,13 en 14):
Recyclage logo’s: Per augustus 2025 zullen er uniforme Europese symbolen op de verpakkingen moeten staan om recycleren voor consumenten te vergemakkelijken en de kwaliteit van gescheiden inzameling te verbeteren.
Etikettering herbruikbaar of statiegeld: er moet duidelijk en ondubbelzinnig gecommuniceerd worden op het etiket.
QR-codes: Naast het uniforme etiket is ook het gebruik van QR-codes, welke informatie over het sorteren bevat, toegestaan.
Markttoezicht en handhaving: Het versterken van de mechanismen voor markttoezicht en handhaving om naleving van de verordening te waarborgen en oneerlijke concurrentie te voorkomen.
Overbodige ruimte: Vanaf 1 januari 2030 mag er in een verpakking maximaal 50% overbodige ruimte zijn.
Verbod soorten verpakkingen: Vanaf 1 januari 2030 geldt er een verbod op een aantal plastic verpakkingssoorten. Dit zijn verpakkingen gebruikt voor eten en drinken (plastic bekers en bakjes) en individuele zakjes voor sauzen en conserven. Vooral binnen de horeca zal dit invloed hebben.
De PPWR is van toepassing op alle verpakkingen, terwijl de SUP-richtlijn specifiek betrekking heeft op kunststof wegwerpverpakkingen. Beide regelgevingen hebben een vergelijkbare doelstelling: het minimaliseren van verpakkingsafval en het bevorderen van hergebruik en recycling waar afval niet te vermijden is. De SUP-richtlijn is in 2021 van kracht geworden en wordt sindsdien gefaseerd ingevoerd door de lidstaten. Uiteindelijk zullen beide wetten naast elkaar bestaan, waardoor producenten en importeurs van verpakte producten aan beide regelgeving moeten voldoen. Lees hier alles over de SUP-richtlijn.
In dit artikel nemen we de recalls of terugroepingen en veiligheidswaarschuwingen die gemeld zijn in Nederland en België over 2024 onder de loep. Om welke aantallen hebben we het eigenlijk? Wat is de meest voorkomende oorzaak van een recall of veiligheidswaarschuwing? Zijn er verschillen of juist overeenkomsten tussen de meldingen van beide landen?
De NVWA maakte in Nederland in 2024 melding van 105 recalls en waarschuwingen gemeld die betrekking hadden op levensmiddelen. Ten opzichte van 2023 waarin er 126 recalls en waarschuwingen zijn gemeld een afname van 16,6% .
In België werd door de FAVV in 2024 melding gemaakt van 317 terugroepingen en waarschuwingen. Een afname van 2,2% ten opzichte van 2023 waarin er 324 meldingen zijn gemaakt door de FAVV.
Verdeeld over 5 categorieën van soort gevaar ziet de verdeling van het aantal meldingen in Nederland en België er als volgt uit:
Net als in voorgaande jaren valt het op dat er in België bijna 2x zoveel recalls en waarschuwingen gemeld zijn dan in Nederland. Waar in België de meeste recalls en waarschuwingen betrekking hadden op microbiologische en chemische gevaren, zijn in Nederland allergenen en fysische gevaren het vaakst de aanleiding voor een recall of waarschuwing.
In België is het voor laboratoria verplicht om alle producten te melden die mogelijk schadelijk zijn voor de gezondheid. Dit geldt in België dus niet alleen voor de bedrijven, maar ook voor (commerciële) laboratoria. Zo’n melding kan bijvoorbeeld gaan om het aantal ziekmakende micro-organismen wat is gevonden. In Nederland hebben (commerciële) laboratoria geen algehele meldplicht. Het verschil in meldingsplicht heeft zeer waarschijnlijk invloed op het aantal meldingen en daarmee het aantal recalls. In Nederland is een aantal zaken wel verplicht om te melden, het betreft dan zaken voor de primaire vlees en vis sector, zoals Salmonella in kippenstallen. Ook dioxines en PCB’s zijn verplicht om te melden in Nederland.
Het Belgische FAVV meldde in 2024 38 recalls met betrekking tot Listeria en 31 recalls met betrekking tot Salmonella. Dit in schril contrast met Nederland, waar 1 Listeria en 2 Salmonella recalls uitgevoerd werden. De productgroepen waar het meeste Listeria aangetroffen werd boven de wettelijke normen waren vlees(waren) en zuivel, op grote afstand gevolgd door spreads & sauzen, chocola/zoetwaren, kant-en-klaar producten en vis. Ook voor Salmonella werden de meeste meldingen gemaakt in de categorie vlees(waren)
Voor wat betreft de meldingen die betrekking hadden op fysische gevaren, blijkt dat het percentage veroorzaakt door metaaldeeltjes nagenoeg gelijk is in beide landen. Voor beide landen geldt dat 60% van het totaal aantal meldingen in deze categorie metaal(deeltjes) in het product betrof. In België komen glas meldingen op de tweede plaats waar in Nederland meldingen gerelateerd aan plastic staat. De productgroepen waar de fysische delen worden teruggevonden zijn zeer uiteenlopend.
Wat meteen opvalt wanneer gekeken wordt naar de meldingen door chemische gevaren is het grote verschil in aantal meldingen. In Nederland betrof het 1 recall melding vanwege te hoog gehalte aan gewasbeschermingsmiddel (Acetamiprid) tegenover 70 meldingen gerelateerd aan chemische gevaren in België. 27 meldingen daarvan betroffen een te hoog gehalte aan gewasbeschermingsmiddelen, met als grootste groep te hoge gehaltes van chloorpyrifos in productgroepen als bakkerijproducten, kruiden, groenten, fruit en dranken en ethyleenoxide in bakkerijproducten en kruiden.
Van de in totaal 70 meldingen waren er 16 meldingen omtrent toxines en 10 meldingen omtrent alkaloïden, waarbij voor de toxines voornamelijk aflatoxine voorkwam in kant-en-klare producten, groenten en fruit, noten en zaden en bakkerijproducten en alkaloïden in kruiden en voedingssupplementen. Wat verder opvalt is dat er in België 7 meldingen zijn gedaan met betrekking tot MOAH waar er in Nederland wel veel over gesproken is maar het in 2024 niet tot meldingen is gekomen.
Er was bijna een gelijk aantal meldingen voor beide landen op het gebied van allergenen: 54 meldingen in Nederland tegen 57 in België. In beide landen vormen meldingen van onvermelde allergenen op het etiket en verkeerd product in de verpakking het hoogste aandeel aan binnen deze categorie. Meer weten over het nieuwe allergenenbeleid per 1 januari 2026 in Nederland? Lees hier verder.
In 2024 zijn in deze categorie 18 meldingen in Nederland en 59 meldingen in België gemeld vanwege productiefouten en overige gevaren. Meest voorkomend was geen of onjuiste THT/TGT vermelding of seal problemen.
Ook in 2024 is er weer een groot aantal recalls en waarschuwingen geweest waarbij een hoop producten werden terug geroepen. In België en Nederland zijn er een paar dezelfde recalls en waarschuwingen terug te vinden. Dit is het gevolg van recalls die tegelijkertijd in België als in Nederland werden uitgevoerd.
We kunnen concluderen dat in 2024:
Productgroepen in België waar meldingen het meeste voor kwamen in volgorde:
Productgroepen in Nederland waar meldingen het meeste voor kwamen in volgorde:
De websites van het FAVV en de NVWA geven een tool weer om de recalls specifiek op te zoeken op product en oorzaak. Gebruik daarvoor de links hieronder.
Nuttige info
Chemische gevaren zijn stoffen die een gevaar kunnen vormen voor de volksgezondheid. De oorsprong van deze gevaren is variabel. De stoffen kunnen van nature aanwezig zijn in het product (bijvoorbeeld solanine in aardappelen), door milieuverontreiniging in een product terecht komen (zware metalen in vis) of tijdens het verwerken ontstaan als gevolg van een of meerdere processtappen (PAK’s in brood). Soms zijn meerdere voorgenoemde bronnen tegelijkertijd van toepassing. De oorsprong van de gevaren bepaalt in belangrijke mate de te nemen beheersmaatregelen.
Sommige stoffen zijn vanwege hun effecten op de gezondheid van de mens slechts in beperkte mate toegestaan of zelfs geheel verboden. Het gaat meestal om restanten of residuen van producten waarmee de levensmiddelen tijdens productie, verwerking of distributie in aanraking zijn gekomen. Een voorbeeld is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen om de oogst te beschermen tegen onder andere schimmels, onkruid en insecten. Dit verhoogt de opbrengst en kwaliteit. De mens kan worden blootgesteld aan deze middelen door het eten van producten waarbij gewasbeschermingsmiddelen tijdens de teelt of als na-oogst behandeling gebruikt zijn.
Cyanogene glycosiden zijn van nature aanwezige plantengifstoffen, zoals amygdaline en linamarine. In het lichaam worden cyanogene glycosiden omgezet in cyanide (ook wel blauwzuur genoemd). Als producten worden vermalen, kan er ook blauwzuur ontstaan uit cyanogene glycosiden.
Deoxynivalenol is een mycotoxine dat voornamelijk wordt geproduceerd door de schimmel Fusarium graminearum, hoewel Fusarium culmorum ook DON kan vormen. De door Fusarium soorten gevormde toxinen worden ook wel trichothecenen genoemd. Tot de groep trichothecenen behoren ook T-2 toxine en nivalenol. Fusarium schimmels komen voornamelijk voor in graankorrels. De weersomstandigheden tijdens de groei, met name de bloei, van de granen hebben grote invloed op het toxinegehalte. Met name wanneer tijdens de bloei de luchtvochtigheid en temperatuur hoog (rond 30°C) zijn.
Jodium is een spoorelement dat belangrijk is voor de productie van schilklierhormonen. Deze zijn nodig voor een goede groei, ontwikkeling van het zenuwstelsel en de stofwisseling. Van nature komt jodium voor in zeevis, eieren, zuivelproducten en zeewier.
Melamine is een grondstof bij de productie van sommige plastics, onder andere borden en bestek.
Voedingsmiddelen kunnen in direct contact staan met het verpakkingsmateriaal. Wanneer dit materiaal bestaat uit gerecycled karton kan het voorkomen dat schadelijke minerale oliën migreren naar het product. De desbetreffende minerale oliën zitten namelijk verscholen in industrieel inkt (kranten, karton bedrukkingen). Wanneer het met inkt bedrukte papier wordt gerecycled, blijven de minerale oliën veelal behouden in het materiaal.
De schadelijke minerale oliën waarom het gaat zijn:
Uit verschillende onderzoeken komt naar voren dat de MOSH en MOAH mutagene, carcinogene en/of hormoon verstorende werkingen kunnen hebben op de gezondheid. MOAH uit onvoldoende gezuiverde oliën kan al bij een lage blootstelling kankerverwekkend zijn. MOSH kan zich ophopen in het menselijk weefsel en kan nadelige gevolgen hebben voor de lever.
Niet alle minerale oliën zijn schadelijk.
Het RIVM heeft in 2019 de data uit 2012 van EFSA over MOSH en MOAH opnieuw geanalyseerd. De inname van minerale oliën is onderzocht. Er is toen niet gekeken naar alleen minerale oliën uit kartonnen verpakkingen, maar inname via alle voedingsmiddelen. Het RIVM verwacht op basis van de gehaltes die tot nu toe bekend zijn dat minerale oliën in voedsel in Nederland geen schadelijke gezondheidseffecten hebben.
Voedingsmiddelen met gerecycled karton of jute zakken als primair verpakkingsmateriaal. De minerale oliën MOSH en MOAH uit industriële inkten kunnen in het levensmiddel migreren. Dit geldt met name voor producten die lang in de verpakking bewaard worden.
Sommige niet schadelijke minerale oliën kunnen in pure vorm worden toegevoegd aan levensmiddelen. Contaminatie van het levensmiddel met minerale oliën zou ook mogelijk kunnen zijn vanuit gebruikte smeeroliën tijdens het oogstproces en/of de machinale verwerking van levensmiddelen.
Levensmiddelenbedrijven die gebruik maken van een gerecyclede kartonnen verpakkingen, kunnen voorzorgsmaatregelen treffen. Dit kan bijvoorbeeld door een barrière te plaatsen tussen de kartonnen verpakking (omdoos) en product. Het veel gebruikte OPP-folie is echter als barrière onvoldoende om de overdracht tegen te gaan. MOSH en MOAH kunnen namelijk migreren in gasvorm vanuit het karton, door de OPP-folie naar het product. De meest praktische oplossing is mogelijk het gebruik maken van BOPP-film in combinatie met EVOH (ethylene vinyl alcohol). Naast het tegenhouden van de schadelijke minerale oliën en hoge barrière eigenschappen, blijft het product ook langer houdbaar. Prijstechnisch gezien kan het wel nadelig zijn om gebruik te maken van folies met een effectieve barrière.
Als een bedrijf besluit toch geen folie of coating te gebruiken, kunnen er ook maatregelen worden getroffen om de migratie tussen gerecycled karton en product zo laag mogelijk te houden. Bij een hogere temperatuur en een langere contacttijd vindt meer migratie plaats. Een voorbeeld: voor ei-deegwaren direct verpakt in karton bleek in 8 maanden bij 20°C net zoveel MOSH gemigreerd per kg product als bij 1 week bij 40°C. Met een kortere contacttijd en opslag van product in verpakking bij een lagere temperatuur kan de migratie mogelijk afdoende laag zijn. Uiteraard kan men ook besluiten gerecycled karton niet te gebruiken voor bepaalde product(groep)en.
Een klein aantal landen (o.a. Duitsland en Zwitserland) hebben zich al gebogen over de gezondheidskwestie en zijn inmiddels bezig met hierover eisen op te nemen in de nationale wetgeving. De concentratie aan MOSH en MOAH in verpakkingsmaterialen proberen zij hiermee te verlagen.
In België is in 2017 het SciCom (een wetenschappelijk comité als adviesorgaan voor het FAVV) gevraagd om drempelwaardes voor te stellen aan het FAVV. Het SciCom beschrijft voor MOSH drempelwaarden voor diverse productgroepen. Het rapport beschrijft dat het voor MOAH momenteel niet mogelijk is om drempelwaardes vast te stellen en dat meer onderzoek moet worden uitgevoerd.
Er is nog geen Europese wetgeving op dit gebied. Er moet meer onderzoek plaatsvinden om normen vast te stellen. Het artikel ontwerpnormen voor MOAH geeft informatie over de huidige normen voor MOAH. De EFSA werkt aan een nieuwe wetenschappelijke opinie over mineralie oliën, waarin zowel MOAH en MOSH worden besproken. De draft hiervoor is gelanceerd in maart 2023 en hierop kon tot eind april 2023 gereageerd worden. De draft is te raadplegen via link op de EFSA-website.
In oktober 2019 werden analyseresultaten van melkpoeders voor baby’s door Foodwatch (een consumentenvereniging) gepubliceerd, die hun contaminatie door minerale oliën aantonen. Na deze resultaten heeft de Europese Commissie in 2020 een verklaring opgesteld op dat moment.
In april 2022 werd een nieuwe verklaring van de Europese Commissie opgesteld. Deze verklaring stelt de actielimieten voor MOAH voor, in alle levensmiddelen zoals verkocht en onafhankelijk van de bron van de contaminatie (verpakkingsmaterialen of andere bronnen).
Zowel België als Nederland hebben richtlijnen uitgewerkt om deze limieten te handhaven. Ook Frankrijk en Duitsland hebben omtrent MOSH/MOAH regelgeving uitgebracht. Frankrijk heeft een lijst stoffen in minerale oliën welke verboden zijn sinds januari 2023 en gedoogd tot 31 december 2024 max 1% MOAH uit minerale oliën, vanaf 1 januari 2025 is dit 0.1%. Lees hier verder over Franse maatregelen.
Documentatie
Lees hier verder over minerale oliën:
Er zijn verschillende materialen die gebruikt kunnen worden voor verpakkingen: papier, karton, metaal, glas, plastic, textiel, keramiek, hout of kurk. Voor verpakkingsmateriaal geldt een algemeen risico van (ongewenste) migratie van chemische stoffen uit het verpakkings- of voedselcontactmateriaal in het levensmiddel.
Of de overdracht van een chemische stof schadelijk is voor de gezondheid, hangt af van verschillende factoren zoals de hoeveelheid en de soort stof. Een voorbeeld van het gevolg van migratie is het veranderen van kleur, geur, smaak, structuur of uiterlijk van het levensmiddel. Zo kan een gekleurd verpakkingsmateriaal of voedselcontactmateriaal zijn kleur afgeven. Verder staan keramische materialen erom bekend dat zware metalen lood en cadmium kunnen afgeven, die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Uit PVC-verpakkingen kan de chemische stof vinylchloride migreren, die kankerverwekkend is.
Daarnaast bestaat de groep bisfenolen die bestaat uit drie stoffen (BFDGE, NOGE en BADGE). Bisfenolen kunnen zowel natuurlijk als synthetisch gevormd worden. Het zijn zogenoemde hormoonontregelaars, die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid doordat ze het hormonaal systeem kunnen verstoren. Verder kan het negatieve invloed hebben op de vruchtbaarheid, lever en nieren. Echter is verder onderzoek nodig om de specifieke gevolgen van opname te kunnen vaststellen.
In 2015 is door EFSA een risico-evaluatie uitgevoerd voor BPA en in 2018 heeft RIVM de inname in Nederland onderzocht en de eventuele voedselveiligheidsrisico’s hiervan. Beiden concludeerden dat de inname van BPA via de voeding dusdanig laag was en dat het risico voor de volksgezondheid verwaarloosbaar was. Echter komt men daar na het onderzoek van de EFSA van april 2023 op terug. Per januari 2025 is er een verbod op gebruik van BPA in levensmiddelencontactmaterialen. Lees er hier meer over.
Kleine en ongeboren kinderen zijn gevoeliger voor BPA dan volwassenen. Om deze groep te beschermen is BPA in de EU reeds geruime tijd verboden in babyflessen, drinkbekers en verpakkingen van voedsel dat bedoeld is voor baby’s en kinderen tot 3 jaar. Dit verbod is per januari 2025 uitgebreid naar alle levensmiddelencontactmaterialen.
Het risico van migratie van chemische stoffen vanuit het materiaal naar levensmiddelen, geldt voor alle verpakkings- en voedselcontactmaterialen. Per soort verpakkingsmateriaal kunnen specifieke migratierisico’s bekend zijn.
Verordening (EU) Nr. 1935/2004 artikel 16 schrijft voor dat voor verpakkingsmaterialen en gebruiksartikelen vergezeld moeten gaan van een ‘Verklaring van Overeenstemming (VvO)’ of ‘Declaration of Compliance’ (DoC). Deze toont aan dat deze materialen voldoen aan de wettelijke eisen. Daarnaast moet adequate documentatie (supporting documents) aanwezig zijn om dit aantoonbaar te maken, zoals een migratietest. In deze test wordt de migratie van chemische bestanddelen in levensmiddelen bepaald. Deze test moet aan de voorwaarden voldoen, zoals opgenomen in Verordening (EU) Nr. 10/2011.
Naast de hierboven genoemde verklaring van overeenstemming zijn er wettelijke positieve lijsten opgesteld van stoffen die gebruikt mogen worden bij de productie van diverse soorten verpakkingsmateriaal. Verder zijn specifieke migratielimieten (SML’s) opgesteld voor stoffen. Voor plastic verpakkingsmateriaal is dit bijvoorbeeld vermeld in bijlage I en II van Verordening (EU) Nr. 10/2011. Voor diverse soorten verpakkingsmaterialen geldt specifieke wetgeving. Zie pagina verpakkingsmaterialen.
In Verordening (EG) nr. 1895/2005 zijn eisen vastgesteld voor specifieke epoxyderivaten. Het gebruik of de aanwezigheid van BFDGE (Bisfenol-F-DiGlycidylEther) en NOGE (Novolac-glycidylethers) is volgens deze verordening verboden in kunststoffen, kleefmiddelen en materialen en voorwerpen voorzien van oppervlaktecoatings. De stof BADGE (Bisfenol-A-DiGlycidylEther, ook wel BPA genoemd) mag wel aanwezig zijn, maar hiervoor zijn limieten vastgesteld.
In de Nederlandse wetgeving is bovenstaande beschreven in Warenwetregeling Verpakkingen en gebruiksartikelen. Voor de nationale Belgische regelgevingen zijn de website van de FAVV en de website van de federale overheidsdienst te raadplegen.
Mycotoxinen zijn toxinen (gifstoffen) die, onder bepaalde omstandigheden, geproduceerd worden door schimmels. Zowel mensen als dieren kunnen vergiftigd worden door mycotoxinen. Onder mycotoxinen vallen aflatoxine, ochratoxine A, patuline, DON (deoxynivalenol), moederkoren (ergotalkaloiden), zearalenon (ZEA), phomopsine, T-2 en HT-2, citrinine en fumonisinen. Omdat mycotoxinen veelal stabiele stoffen zijn, en dus grotendeels niet wordt afgebroken door productieprocessen, kunnen deze vervolgens via de voedselketen in de voeding van mensen terecht komen.
Aflatoxine is één van de meest bekende mycotoxinen en wordt geproduceerd door de schimmels Aspergillus flavus en Aspergillus parasiticus, maar ook A. nomius, A. pseuditamarii en A. ochraceoroseus. Deze komen veel voor in tropische en subtropische landen. Er zijn verschillende soorten aflatoxinen, aflatoxine B1, B2, G1, G2 en M1 (metaboliet van B1) en M2 (metaboliet van B2). Aflatoxine B1 is hiervan de meest belangrijke en meest toxisch. Aflatoxine is erg bekend geworden omdat het de dood veroorzaakte van duizenden kippen en kalkoenen in 1959, een ziekte die later de naam ‘Turkey X disease’ kreeg. De voeding van deze dieren bestond onder andere uit aardnoten (pinda’s), welke gecontamineerd waren met aflatoxine door de schimmel Aspergillus flavus.
Ochratoxine A wordt geproduceerd door de schimmels spergillus ochraceus en Penicillium verrucosum. Aangezien ochratoxine A een stabiele stof is, en dus niet wordt afgebroken door productieprocessen, kan deze via de voedselketen in de voeding van mensen terecht komen.
Patuline is een mycotoxine die geproduceerd wordt door Penicillium, Aspergillus en Byssochlamys, maar vooral bekend is P. expansum. Patuline is relatief stabiel, vooral bij een lage pH zoals van appelsap. Het wordt bij het bereiden van appelsap nauwelijks afgebroken, maar wordt wel vernietigd tijdens het fermentatieproces van appelcider of wijn.
Ergot alkaloïden worden hoofdzakelijk geproduceerd door de schimmel Claviceps pupurea in granen waardoor deze vervolgens in het graan eindproduct terecht kunnen komen. Ze staan ook wel bekend als moederkoren (alkaloïden).
Zearalenon is een mycotoxine die gevormd wordt door onder andere Fusarium graminearum en F. culmorum. Zearalenon is zeer stabiel en wordt niet afgebroken tijdens productieprocessen als verhitten of vermalen. Hierdoor kan het terecht komen in het eindproduct.
T-2 toxine en HT-2 toxine worden gevormd door de schimmels F. acuminatum, F. sporotrichioides en F. poae. T-2 toxine wordt snel omgezet in HT-2 toxine; de toxinen komen vaak gezamenlijk voor. De T-2 toxine en HT-2 toxine behoren tot de groep trichothecenen, dit zijn door Fusarium schimmels gevormde toxinen. Tot de groep trichothecenen behoren ook deoxynivalenol (DON) en nivalenol.
De verschillende gifstoffen kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid. Mycotoxinen zijn vaak carcinogene stoffen of zijn schadelijk voor het immuunsysteem.
In veel grondstoffen kunnen mycotoxinen voorkomen, bijvoorbeeld in granen en graanproducten (meel en bloem), noten, zaden, pitten, gedroogde (zuid)vruchten, peulvruchten en appels.
Tijdens hoge verhitting kan deels afbraak plaatsvinden. Bijvoorbeeld bij het branden van koffiebonen is de verhitting zo hoog, dat vermindering optreed. Ook tijdens bierproductie kan het gehalte Ochratoxine A uit gerst verminderen. Echter worden mycotoxinen niet volledig tijdens een productieproces afgebroken. Daarom dient beheersing eerder in de keten plaats te vinden.
Een aantal toxinevormende schimmels kan voorkomen bij te velde staande gewassen, maar zij kunnen ook aanwezig zijn tijdens opslag na de oogst. Zowel de groei als de mate waarin mycotoxinen worden gevormd is sterk afhankelijk van omstandigheden zoals temperatuur en vochtigheid.
Door het goed opslaan van de granen na de oogst kan de ontwikkeling van schimmels en vorming van mycotoxinen voorkomen worden. Dit houdt in: het behouden van een lage luchtvochtigheid, niet te hoge temperaturen en de producten van de van de grond af opslaan. Let er op dat de schimmels ook vóór de oogst al kunnen groeien (voornamelijk tijdens teelt met warm en vochtig weer) en ook lage hoeveelheden schimmels kunnen mycotoxinen produceren als er voor de plant stress optreedt, bijvoorbeeld tijdens droogte. Het is van belang dat de gewassen ook altijd visueel gecontroleerd en geselecteerd worden. Het voorkomen van de vorming van schimmels en vervolgens mycotoxinen kan door goede landbouwpraktijken (Good Agricultural Practices).
De Europese Commissie heeft de verordening inzake maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (Verordening (EG) nr. 1881/2006) vervangen door een nieuwe verordening (Verordening (EU) 2023/915 van de Commissie van 25 april 2023) die vanaf 25 mei 2023 in werking treedt. Omdat het een verordening is, is deze direct van toepassing in alle lidstaten. Waarom deze wijziging? Verordening (EG) nr. 1881/2006 is in het verleden vaak en ingrijpend gewijzigd, zodat de Commissie ermee instemde deze te vervangen, aangezien er nieuwe wijzigingen moesten worden aangebracht. De maximale toegelaten waardes voor deze contaminanten zijn in de nieuwe wetgeving grotendeels behouden gebleven. Voor verdere wijziging lees hier verder. In de 2023/915 zijn voor diverse levensmiddelengroepen verschillende maximale limieten voor mycotoxinen opgenomen. Verder geldt onderstaande regelgeving:
Ook is door FAO/WHO een Code of Practice opgesteld ter preventie en reductie van contaminatie met mycotoxinen in granen (CXC 51-2003).
Lees hier verder over mycotoxinen:
Nitraat kan voorkomen in drinkwater en in nitraatrijke groenten (met name bladgroenten). Ook kan het als conserveermiddel toegevoegd worden aan de levensmiddelen. In het lichaam kan nitraat worden omgezet naar nitriet. Lang werd gedacht dat de stof toxisch is, maar EFSA heeft geconcludeerd dat de inname van nitraat via groenten waarschijnlijk geen risico voor de gezondheid oplevert.
De consumptie van nitraat zelf is niet gevaarlijk voor de gezondheid, maar het nitraat kan door het lichaam worden om gezet tot nitriet. In het maag-darmkanaal en in voedsel maar ook tijdens het bewaren en bereiden van nitraatrijk voedsel, wordt nitraat gedeeltelijk omgezet in nitriet. Nitriet kan schadelijke nitrosamines vormen door een reactie met bepaalde eiwitten. Uit proefdieronderzoek is gebleken dat nitrosamines kanker kunnen veroorzaken. Er is tot op heden nog geen bewijs voor carcinogeniteit voor de mens. Verder kan nitraat methemoglobinemie (zuurstofgebrek in het bloed) veroorzaken. Risicogroepen zijn baby’s, zwangere vrouwen en nierpatiënten.
Lang is gedacht dat de inname van nitraat toxisch was, maar de EFSA heeft geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat de blootstelling aan nitraat via groenten zal leiden tot gezondheidsrisico’s. Adviezen om de consumptie van nitraatrijke groenten te verminderen en om geen nitraatrijke groenten te combineren met vis, zijn daarom vervallen.
In 2017 heeft de EFSA de vastgestelde ADI (acceptable daily intake) opnieuw geëvalueerd. De huidige ADI is vastgesteld op 3.7 mg/kg lichaamsgewicht (nitraat) en 0.06 mg/kg lichaamsgewicht (nitriet). De EFSA concludeert dat de bestaande veiligheidsniveaus voor nitrieten en nitraten toegevoegd aan vlees en ander voedsel voldoende beschermend zijn voor de consument.
Nitraat is een stof die van nature in drinkwater en groenten voorkomt. Nitraatrijke groenten zijn met name bladgroenten: Chinese kool, koolrabi, paksoi, postelein, raapstelen, waterkers, alle soorten sla, spinazie, spitskool, andijvie, rode bieten, snijbiet, bleekselderij en venkel. Daarnaast wordt nitraat ook gebruikt als additief (conserveermiddel E251 en E252) voor behoud van de rode kleur van vlees en remming van de groei van Clostridium botulinum.
Hoeveel nitraat groenten precies bevatten, is afhankelijk van het groentenras, de hoeveelheid (kunst)mest en de hoeveelheid licht die de groenten tijdens de groei krijgen. Het nitraatgehalte in groenten kan stijgen door gebruik van een grote hoeveelheid (kunst)mest of te weinig licht tijdens de groei. Hierdoor wordt de uit de mest opgenomen stikstof niet optimaal gebruikt voor de groei van de plant waardoor het wordt omgezet in nitraat. Nitraatrijke groenten krijgen in de zomer een grotere hoeveelheid zonlicht en bevatten daarom minder nitraat dan de groenten die in de winter geoogst worden. Ook het ras van de groenten kan het nitraatgehalte bepalen. Na de oogst kan in nitraatrijke groenten nitriet ontstaan door bacteriën of door enzymen in de groenten.
De manier waarop de groenten worden bewaard en klaargemaakt, heeft invloed op de hoeveelheid nitriet die na de oogst nog gevormd wordt. De nitraatconcentratie in spinazie en kropsla kan dalen door de groenten te wassen en bij sla de hoofdnerven en de buitenste bladeren te verwijderen. Nitrietvorming kan worden voorkomen door de groenten bij een lage temperatuur te bewaren en zo snel mogelijk te verwerken. Tijdens het bereiden van een maaltijd kan het nitraatgehalte van groenten dalen doordat het met kookvocht uit de groenten verdwijnt, nitraat is gemakkelijk oplosbaar in water. Het opwarmen van nitraatrijke groenten leidt niet tot meer nitrietvorming als de groenten snel zijn afgekoeld na verwarmen en goed gekoeld zijn bewaard. De nitrietvorming lijkt namelijk vooral een gevolg van de activiteit van bacteriën. Als groenten langer dan twee dagen wordt bewaard, neemt de kans op nitrietvorming wel toe.
De Europese Commissie heeft de verordening inzake maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (Verordening (EG) nr. 1881/2006) vervangen door een nieuwe verordening (Verordening (EU) 2023/915 van de Commissie van 25 april 2023) die vanaf 25 mei 2023 in werking treedt. Omdat het een verordening is, is deze direct van toepassing in alle lidstaten. Waarom deze wijziging? Verordening (EG) nr. 1881/2006 is in het verleden vaak en ingrijpend gewijzigd, zodat de Commissie ermee instemde deze te vervangen, aangezien er nieuwe wijzigingen moesten worden aangebracht. De maximale toegelaten waardes voor deze contaminanten zijn in de nieuwe wetgeving grotendeels behouden gebleven. Voor verdere wijziging lees hier verder.
In verordening 2023/915 zijn normen voor nitraat vastgelegd.
PAK’s zijn de afkorting van polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Dit zijn organische verbindingen die bestaan uit 2 of meer gekoppelde benzeenringen (een ring van 6 koolstofatomen).
PAK’s zijn carcinogeen (kankerverwekkend). Ze behoren tot de genotoxische carcinogenen, wat betekent dat ze veranderingen in het erfelijk materiaal veroorzaken. Benzo(a)pyreen is het meest toxisch. Na opname in het lichaam wordt benzo(a)pyreen omgezet in diol-epoxiden. Deze stoffen kunnen verbindingen aangaan met het DNA van de cel waardoor het DNA beschadigd wordt. Bij hoge concentraties kunnen PAK’s ook negatieve effecten op de huid hebben en oog- en slijmvliesirritaties veroorzaken. De meest toxische PAK is benzo(a)pyreen. Mensen kunnen besmet raken via voedsel, inademing van besmette lucht, absorptie door de huid.
PAK’s ontstaan bij de onvolledige verbranding van koolstof bevattende materialen. Levensmiddelen kunnen besmet worden met PAK’s via het milieu (bijvoorbeeld bodem, water, lucht) en tijdens het verwerken. Met name vis en visserij producten kunnen via het milieu met PAK’s besmet raken. Er zijn verschillende manieren dat PAK’s gevormd worden tijdens het verwerken van levensmiddelen. Wanneer vet op een warmtebron druppelt kan dit de vorming van PAK’s veroorzaken (zoals het druppelen van vet op de hete kolen van een barbecue). Daarnaast kunnen ook PAK’s worden gevormd wanneer een product bij een hoge temperatuur wordt verhit. Ook bij het drogen en roken van levensmiddelen kunnen PAK’s worden gevormd. PAK’s komen met name voor in aangebrand (verbrande korsten) of gerookt eten (bijvoorbeeld verkoold vlees van de barbecue), oliën en vetten, cacaobonen, kokosolie, gerookt vlees/ gerookte vleesproducten, gerookte vis. Ook in specerijen worden concentraties PAK’s gevonden, maar deze dragen weinig bij aangezien ze in kleine hoeveelheden worden geconsumeerd.
Voorkom vorming van PAK’s door te zorgen dat er geen zwarte randjes of zwarte korstjes ontstaan bij de bereiding van eten en voorkom dat vet verbrandt.
De Europese Commissie heeft de verordening inzake maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (Verordening (EG) nr. 1881/2006) vervangen door een nieuwe verordening (Verordening (EU) 2023/915 van de Commissie van 25 april 2023) die vanaf 25 mei 2023 in werking treedt. Omdat het een verordening is, is deze direct van toepassing in alle lidstaten. Waarom deze wijziging? Verordening (EG) nr. 1881/2006 is in het verleden vaak en ingrijpend gewijzigd, zodat de Commissie ermee instemde deze te vervangen, aangezien er nieuwe wijzigingen moesten worden aangebracht. De maximale toegelaten waardes voor deze contaminanten zijn in de nieuwe wetgeving grotendeels behouden gebleven. Voor verdere wijziging lees hier verder.
In de 2023/915 zijn normen voor benzo(a)pyreen opgenomen voor diverse levensmiddelen. Er is een norm voor benzo(a)pyreen en voor de som van benzo(a)pyreen, benz(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen en chryseen.
Daarnaast geldt Verordening (EG) Nr. 2065/2003 inzake in of op levensmiddelen gebruikte of te gebruiken rookaroma’s.
Perchloraat is een chemische verontreiniging die op een natuurlijke manier in het milieu vrijkomt en door menselijk handelen vrijkomt. Water, bodem en meststoffen worden beschouwd als potentiële bronnen van perchloraat verontreiniging in voedsel.
Ziekteverschijnselen zijn huiduitslag, misselijkheid, opgezette lymfeklieren, bloedaandoeningen. Perchloraat remt de opname van jodium door het lichaam en kan daardoor de werking van de schildklier verstoren. Bij de ontwikkeling van foetussen en pasgeborenen kan jodiumtekort de mentale ontwikkeling verstoren. Ook kan korte termijn blootstelling van perchloraat zorgwekkend zijn voor peuters met een lage jodiuminname. Chronische blootstelling is zorgwekkend met name voor consumenten in jongere leeftijdsgroepen die een licht tot matig jodiumtekort hebben.
Risicoproducten zijn thee, gedroogde en behandelde kruiden en specerijen, verse groenten (zoals radijs, rucola, spinazie, knolraap, sla), melk- en zuivelproducten, fruit(producten), sappen, bier, wijn, water, babyvoeding, rijst, vis(producten. Water, bodem en meststoffen worden beschouwd als potentiële bronnen van perchloraat verontreiniging in voedsel.
Aangezien het een stof betreft die van nature kan voorkomen in grondstoffen, geldt monitoring van perchloraat als beheersmaatregel.
De Europese Commissie heeft de verordening inzake maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (Verordening (EG) nr. 1881/2006) vervangen door een nieuwe verordening (Verordening (EU) 2023/915 van de Commissie van 25 april 2023) die vanaf 25 mei 2023 in werking treedt. Omdat het een verordening is, is deze direct van toepassing in alle lidstaten. Waarom deze wijziging? Verordening (EG) nr. 1881/2006 is in het verleden vaak en ingrijpend gewijzigd, zodat de Commissie ermee instemde deze te vervangen, aangezien er nieuwe wijzigingen moesten worden aangebracht. De maximale toegelaten waardes voor deze contaminanten zijn in de nieuwe wetgeving grotendeels behouden gebleven. Voor verdere wijziging lees hier verder.
In de verordening 2023/915 zijn maximumgehalten aan perchloraat vastgelegd.
Pyrrolizidine alkaloiden (PA’s) zijn plantengifstoffen en worden van nature gevormd in de plant om zichzelf te beschermen tegen insectenvraat. Er zijn meer dan 500-600 verschillende PA’s bekend die voorkomen in verschillende plantensoorten.
PA’s kunnen giftig zijn voor de lever en hebben kankerverwekkende eigenschappen. Ook kunnen ze schade aan de lever, longen of nieren veroorzaken. De stoffen vormen met name een risico voor baby’s en jonge kinderen, vanwege het lage lichaamsgewicht. De EFSA heeft een MOE (margin of exposure) opgesteld. Bij een gevarieerde voeding is de kans klein dat een te hoge hoeveelheid PA’s wordt ingenomen.
Sint-Janskruid is een bekend voorbeeld. Met name in zaad van planten zijn de stoffen te vinden. Risicoproducten zijn vooral honing, kruidenthee, frisdrank en snoepjes met kruiden extracten, en voedingssupplementen gemaakt van pyrrolizidine alkaloiden bevattende planten. Honing kan besmet worden doordat bijen pollen gebruiken van planten die pyrrolizidine alkaloiden bevatten.
Controle dient plaats te vinden op grondstoffen.
In Warenwetbesluit Kruidenpreparaten zijn wettelijke normen voor PA’s in kruidenpreparaten vastgesteld. Ook kruidenthee valt hieronder.
Radioactieve deeltjes of straling kunnen in of op voedsel terecht komen na bijvoorbeeld een kernramp. Deze radioactieve deeltjes of straling vormen afhankelijk van de aard en de dosis een gevaar voor de gezondheid op korte en lange termijn.
Naar aanleiding van de ongevallen van de kerncentrales in Tsjernobyl (1986) en Fukushima (2011) is Europese wetgeving opgesteld waarin staat vastgelegd aan welke maximale toelaatbare niveau’s het voedsel moet voldoen. De NVWA controleert het voedsel dat uit een dergelijk gebied afkomstig is. Vanuit de bodem waar gewassen worden geteeld kan ook voedsel worden verontreinigd met radioactieve stoffen of straling. De hoeveelheid radioactieve stoffen die we op deze manier via het voedsel binnenkrijgen is zo klein dat het geen gezondheidsrisico’s oplevert.
Hoge doses radioactieve stoffen of ioniserende straling kunnen de volgende gezondheidseffecten veroorzaken:
Zeer hoge radioactieve stoffen of ioniserende stralingsdoses kunnen daarbij binnen enkele dagen tot weken leiden tot sterfte als gevolg van de ziekteverschijnselen.
In het algemeen bevat het voedsel geen radioactieve stoffen of straling die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Indien, na bijvoorbeeld een kernramp, radioactieve stoffen of straling vrijkomen kunnen alle producten die in de omgeving worden geproduceerd zijn verontreinigd.
Van belang is het herkomstgebied in relatie met het optreden van calamiteiten met radioactiviteit. Op dit moment lopen in de Europese Unie alleen maatregelen voor bepaalde producten uit gebieden rond Fukushima. Al de producten waarvoor nog speciale maatregelen gelden, mogen alleen de EU binnen met certificaat.
Voor producten uit mogelijke stralingsgebieden zoals bij Fukushima in Japan en Tsjernobil in Oekraïne zijn er maatregelen gekomen. Voor informatie omtrent bijzondere voorwaarden voor de invoer van levensmiddelen en diervoeders van oorsprong uit of verzonden vanuit Japan zie Uitvoeringsverordening 2021/1533, deze is per september 2021 ter vervanging van Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 2016/6. Voor invoer van landbouwproducten uit derde landen ingevolge van het ongeluk in de kerncentrale Tsjernobyl geldt Uitvoeringsverordening 2020/1158. Daarnaast geldt Verordening (Euratom) Nr. 2016/52 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar.
Het doorstralen van voeding doet denken aan radioactieve straling, Dit is onterecht, doorstralen levert geen radioactief product op; er wordt een ander type straling gebruikt. In het Warenwetbesluit Doorstraalde waren is de Nederlandse toelating voor het doorstralen van voedingsmiddelen en verpakkingen vastgelegd, met de maximale stralingsdosis. Veel consumenten hebben aversie tegen doorstralen/doorstraalde producten. Voor België vindt men deze gegevens in het Koninklijk besluit betreffende de behandeling van voedsel en voedselingrediënten met ioniserende straling
Soedanrood is een kunstmatige kleurstof die van nature niet in levensmiddelen voorkomt. Het toevoegen aan een product is in de EU verboden. Soedanrood valt onder de groep AZO-kleurstoffen. Dit is een groep synthetische kleurstoffen die gemeen hebben dat ze één of meer azo-groep(en) (-N=N-) bevatten in de structuur. De in de EU wel toegestane kleurstoffen uit deze groep, zijn vermeld in Verordening (EG) Nr. 1333/2008 inzake levensmiddelenadditieven.
Soedanrood staat bekend als een carcinogene stof. De kleurstof kan in het lichaam omgezet worden in afbraakproducten die mogelijk genotoxisch en kankerverwekkend kunnen zijn.
De Food Standards Agency (FSA) in Engeland en de Southampton University hebben zes zogenaamde azo-kleurstoffen onderzocht. Het bleek dat azo-kleurstoffen in combinatie met het conserveermiddel natriumbenzoaat (E211) kunnen zorgen voor hyperactiviteit en verminderde oplettendheid bij kinderen. EFSA (European Food Safety Authority) trekt deze studie in twijfel. Volgens EFSA zijn de effecten van deze mix van azo-kleurstoffen op het gedrag van kinderen verwaarloosbaar klein. De EFSA geeft aan dat op basis van de Southampton-studie er geen conclusies kunnen worden getrokken over de veiligheid van azo-kleurstoffen. Er is besloten dat fabrikanten uit voorzorg consumenten moeten waarschuwen voor mogelijke risico’s. De zes azo-kleurstoffen met bijbehorende E-nummers zijn:
Risicoproducten voor Soedanrood zijn palmolie, met name rode specerijen zoals chilipoeder, currypoeder, sumak, kurkuma, cayennepeper, paprikapoeder, en rode sauzen zoals chilisaus. Het grootste risico ligt bij producten die worden geïmporteerd uit derde landen, aangezien Soedanrood in die landen wel gebruikt mag worden.
Op 21 januari 2004 heeft de Europese commissie besloten dat alleen nog producten van Spaanse peper (inclusief curry poeder) in de EU kunnen worden ingevoerd als ze vergezeld zijn van een analyserapport waaruit blijkt dat ze geen Soedan I, II, III of IV (Scarlet Red) bevatten. Sinds 2006 is het aantal verontreinigde monsters sterk afgenomen, waarschijnlijk als gevolg van de strengere handhaving door Nederland en andere Europese landen. Echter worden nog wel verontreinigingen aangetroffen, aangezien Soedanrood buiten de EU wel gebruikt mag worden. Verontreinigingen zijn bijvoorbeeld aangetroffen op kruiden uit India, Turkije, Egypte, Ghana en Nigeria.
De overige azo-kleurstoffen kunnen zijn verwerkt in diverse levensmiddelen, onder andere limonade, kant-en-klaarmaaltijden, snoep en vruchtenyoghurt.
Bij voorkeur inkoop binnen EU en strengere controle op inkoop van buiten EU.
Via monsternameprojecten worden door de NVWA jaarlijks monsters palmolie en sauzen en specerijen uit derde landen bemonsterd en geanalyseerd, om het verbod om Soedanrood te handhaven.
Vanaf 20 juli 2010 zijn fabrikanten verplicht om een waarschuwing op de verpakking te zetten indien het een of meerdere van de voorgaand genoemde zes azo-kleurstoffen betreft: “Kan de activiteit of oplettendheid van kinderen nadelig beïnvloeden.” Dit is geregeld in Verordening (EG) nr. 1333/2008.
Solanine is een gifstof die van nature voorkomt in aardappelen. Het wordt onder invloed van licht gevormd in de schil en de uitlopers van de aardappelen. Dit proces begint na het oogsten. Solanine behoort tot de glycoalkaloïden, een groep giftige stoffen die van nature voorkomt in planten. Bij onrijpe groene tomaten kan het aanverwante tomatine voorkomen.
Solanine geeft de aardappel een wat bittere smaak en kan een branderig gevoel in de mond veroorzaken. In grotere hoeveelheden is de stof toxisch voor mensen en kan het klachten veroorzaken zoals acute maag- en darmklachten met diarree, braken en ernstige buikpijn. Daarnaast kan er koorts, een snelle en zwakke pols, lage bloeddruk en snelle ademhaling optreden. In ernstigere gevallen neurologische symptomen (slaperigheid, lusteloosheid, verwardheid, zwakte, slecht zien) gevolgd door bewusteloosheid en in sommige gevallen de dood. Bij inname van 3-6 mg/kg lichaamsgewicht kan solanine dodelijk zijn. Kinderen vallen in de risicogroep vanwege het lage lichaamsgewicht.
Solanine komt voor in de schil van aardappelen en in de uitlopers van oude aardappelen. Het gehalte is afhankelijk van het ras en de rijpheid van de aardappel. Groene (delen van) aardappelen bevatten een hoger gehalte solanine, onrijpe aardappelen en aardappelen met groene stukken moeten zoveel mogelijk vermeden worden. Voor consumptie bestemde aardappelen zijn van geschikte rassen met laag solanine gehalte. In de praktijk blijkt dat van de belangrijkste rassen consumptieaardappelen de gehaltes niet boven de 85 mg per kilogram uitkomen.
Solanine komt voor in de schil en wordt bij het schillen van de aardappel verwijderd. De stof is hittestabiel en wordt niet afgebroken tijdens koken, bakken of frituren.
Het donker opslaan van aardappelen direct na oogsten, om vorming van solanine onder invloed van licht te voorkomen. Daarnaast zijn voor consumptie bestemde aardappelen van rassen met laag solanine gehalte.
De Europese Commissie heeft in 2015 EFSA gevraagd te onderzoeken of er een limiet nodig is. In juli 2020 is het rapport uitgekomen: Risk assessment of glycoalkaloids in feed and food, inparticular in potatoes and potato-derived product.
Sterigmatocystine is een genotoxische en kankerverwekkende stof, die voornamelijk wordt geproduceerd door verschillende schimmels van de groep Aspergillus, met name Aspergillus nidilans en Aspergillus versicolor. Daarnaast is sterigmatocystine is een precursor van aflatoxine B1. Zo komt sterigmatocystine, in een voorstadium, voor in levensmiddelen die zijn verontreinigd met schimmels die aflatoxinen kunnen produceren. De LD50-waarde varieert tussen de 120 en 166mg/kg lichaamsgewicht.
Bij te hoge inname van sterigmatocystine worden de lever en nieren aangetast.
Sterigmatocystine is voornamelijk aangetroffen in granen en dan met name rijst en haver, op graanproducten, groene koffiebonen, kruiden, noten en bier. Ook aan het oppervlak van kaas kan sterigmatocystine voorkomen als gevolg van schimmelgroei tijdens rijpen en opslag.
Er is geen duidelijke informatie aanwezig dat sterigmatocystine vanuit mogelijk besmet veevoer een gevaar vormt voor producten als melk, kaas en eieren.
Gecontroleerde opslag van grondstoffen en eindproducten, waarin schimmelvorming dient te worden voorkomen.
Geen meldingen
Sulfiet kan een overgevoeligheidsreactie veroorzaken bij mensen. Het kan van nature in levensmiddelen voorkomen, of worden toegevoegd als conserveermiddel (E220-E228).
Mensen kunnen een overgevoeligheidsreactie krijgen op sulfiet. Het gaat hier om een voedselintolerantie, geen voedselallergie. Het lichaam maakt geen antistoffen en er treden geen kruisreacties op. Overgevoeligheidsklachten komen vaker voor bij astmapatiënten: 4% van alle astmatische mensen en 20 – 30% van astmatische kinderen zijn overgevoelig voor sulfiet.
Klachten als hartkloppingen, huiduitslag en vochtophoping kunnen voorkomen. Ook kan sulfiet leiden tot een astma aanval.
Sulfiet kan van nature aanwezig zijn in levensmiddelen. Verder wordt sulfiet aan levensmiddelen toegevoegd als conserveermiddel (E220 t/m E228). Het wordt gebruikt om bruinkleuring van vlees te voorkomen. Het kan vooral in hoge gehaltes aanwezig zijn in wijn, gedroogd fruit en mosselen. Ook komt het van nature voor in planten uit de look familie, zoals sjalot, bieslook, prei, etc. Sulfiet kan worden toegevoegd aan salades, aardappels en niet-alcoholische dranken.
Beheersing van allergenen/ allergenen management, o.a. productievolgorde, gescheiden opslag van allergenen, herhaaldelijke beoordeling van kruisbesmetting in het productieproces. Onbedoeld kunnen er allergene stoffen tijdens het productieproces in een product terecht komen. De kans op kruisbesmetting is groot bij een omschakeling van product. Bij producten die na elkaar geproduceerd worden kunnen achtergebleven resten voor kruisbesmetting zorgen.
Zware metalen zijn metallisch chemische elementen met een hoge dichtheid die in lage concentraties giftig tot zeer giftig zijn. Voorbeelden van zware metalen zijn lood, kwik, arseen, cadmium en tin. Zware metalen komen algemeen voor en zijn een natuurlijk bestanddeel van de aardkorst. Ze kunnen door planten en dieren worden opgenomen en mensen raken ermee besmet door het eten van planten en vlees van dieren. Ook kunnen mensen besmet raken door het inademen van lucht en het drinken van water.
De mens heeft sommige metalen, zoals ijzer, in geringe hoeveelheden nodig om gezond te blijven. Andere zware metalen, zoals kwik en lood, zijn niet nodig om gezond te blijven. Eenmaal in ons lichaam aanwezig, kunnen zware metalen zich in bepaalde organen ophopen. Ziekteverschijnselen van bepaalde metalen worden hieronder benoemd.
Lood
Kinderen krijgen met name schade aan de hersenen en volwassen aan het hart, bloedvaten en nier. Geringe hoeveelheden lood kunnen voor kinderen en zwangere vrouwen schadelijk zijn. Het leidt tot vermindering van eetlust, buikpijn, obstipatie, moeheid, slapeloosheid. Bij langdurige blootstelling kan bloedarmoede optreden, en bij grotere hoeveelheden kan het leiden tot beschadiging van nieren en zenuwstelsel.
Kwik
Voor de ongeboren foetus heeft kwik negatieve effecten zoals geboortedefecten en miskramen. Ook heeft het een negatief effect op de kwaliteit van sperma. Beschadiging van zenuwstelsel en/of hersenfuncties en allergische huidreacties kunnen optreden. Ook leerproblemen, doofheid, geheugenverlies, vermoeidheid, hoofdpijn e.d. kunnen voorkomen.
Er zijn verschillende vormen van kwik:
Cadmium
Nierbeschadiging, leverbeschadiging, diarree, buikpijn en sterk braken, botbreuk, negatieve voortplantingseffecten en mogelijke onvruchtbaarheid, beschadiging zenuwstelsel, beschadiging immunologische afweer en ontwikkeling psychologische problemen kunnen optreden.
Op lange termijn kunnen kleine hoeveelheden arseen huidveranderingen voorzaken. Ook kan er bloedarmoede optreden en komen tintelingen in ledematen voor. Bij langdurige blootstelling kan long-, blaas en huidkanker optreden.
Er zijn twee vormen van arseen: organisch en anorganisch.
Nikkel
In maart 2024 heeft de EFSA geconcludeerd dat nikkel zowel chronische als acute effecten kan hebben.
Chronische effecten: Zwangerschapsverlies kan voorkomen en bij zuigelingen, peuters en kinderen tussen 36 maanden en 10 jaar oud mogelijke neurotoxische effecten. Op basis van deze groepen werd een toelaatbare dagelijkse inname (TDI) van 13 μg/kg vastgesteld. Nikkel is bij inademing geclassificeerd als kankerverwekkend voor de mens.
Acute effecten: Braken, krampen, diarree, duizeligheid, hoofdpijn en vermoeidheid waren de meest gemelde effecten na acute blootstelling. Opflakkeringen van eczeem op de huid zijn bij personen die voor nikkel gesensibiliseerd zijn, wat ongeveer 15 % van de bevolking betreft.
Lood
Graanproducten, aardappelen, granen, bladgroenten en drinkwater.
Kwik
(Roof)vis (zoals zwaardvis, tonijn, haai, makreel, snoek, snoekbaars, paling), zeevruchten, niet-alcoholische dranken.
Cadmium
Graan en graanproducten, bladgroenten, chocoladeproducten, aardappelen, zetmeelrijke wortels en knollen, water weekdieren, algen, schaaldieren, eetbaar slachtafval, paddenstoelen, oliehoudende zaden, zeewier.
Roken is één van de belangrijkste bronnen voor inname van cadmium.
Arseen
Vis en zeevruchten, rijst(producten), tarwe(producten), (vervuild)water. Huisstof is ook een bron van blootstelling.
Nikkel
De monitoring vanuit Aanbeveling (EU) 2024/907 van de Commissie van 22 maart 2024 zou onder meer betrekking moeten hebben op voedingssupplementen, chocolade, boterhampasta die cacao bevat, notenpasta, cacaobonen, producten op basis van granen (met name ontbijtgranen, graanvlokken en maalderijproducten van haver), kant-en-klare soep, koffie, thee, groenten, zeewier, oliehoudende zaden, producten op basis van soja zoals tofu en dranken op basis van soja, peulvruchten, noten, vis en andere visserijproducten.
Aangezien zware metalen algemeen in de natuur kunnen voorkomen, is de aanwezigheid nauwelijks te voorkomen. Chemische analyses geven meer inzicht in aanwezigheid van het gevaar. Er kan ook aan de leverancier een verklaring gevraagd worden hoe dit gevaar geborgd is.
De Europese Commissie heeft de verordening inzake maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (Verordening (EG) nr. 1881/2006) vervangen door een nieuwe verordening (Verordening (EU) 2023/915 van de Commissie van 25 april 2023) die vanaf 25 mei 2023 in werking treedt. Omdat het een verordening is, is deze direct van toepassing in alle lidstaten. Waarom deze wijziging? Verordening (EG) nr. 1881/2006 is in het verleden vaak en ingrijpend gewijzigd, zodat de Commissie ermee instemde deze te vervangen, aangezien er nieuwe wijzigingen moesten worden aangebracht. De maximale toegelaten waardes voor deze contaminanten zijn in de nieuwe wetgeving grotendeels behouden gebleven. Voor verdere wijziging lees hier verder.
In de verordening 2023/915 zijn vele productgroepen benoemd met een limiet voor lood, ook productgroepen die niet direct benoemd zijn als verdacht voedsel. Voor organisch arseen zijn in deze verordening maximumgehalten vastgesteld.
Verder heeft FAO/ WHO de CODEX General Standard for Contaminants and Toxins in Food en Feed opgesteld (CXS 193-1995). In Nederland geldt daarnaast het Warenwetbesluit Verpakte waters.
Unicef heeft onderzoek gedaan in samenwerking met milieuorganisatie Pure Earth: Eén op de drie kinderen wereldwijd vergiftigd door lood (juli 2020)
Wat betreft Nikkel:
Bongkrekzuur is een zeer giftige verbinding die geproduceerd wordt door de bacterie ‘Burkholderia gladioli pathovar cocovenenans’. Het wordt vaak in verband gebracht met door voedsel overgedragen ziekten, vooral in gefermenteerde kokosproducten, voedingsmiddelen op basis van maïs en noedels. Er zijn verschillende gevallen bekend van bongkrekzuurvergiftiging, vooral in Zuidoost-Azië. Deze incidenten benadrukken het belang van voedselveiligheid en de gevaren van dit krachtige gif.
De belangrijkste ziekteverschijnselen van bongkrekzuurvergiftiging zijn malaise, duizeligheid, slaperigheid, overmatig zweten, hartkloppingen, buikpijn, braken, diarree (met bloed), bloed plassen en ophoping van urine in de blaas.
Het kan verstoring veroorzaken voor het functioneren van lever-, hart-, hersen- en longfuncties met de dood tot gevolg. Tot nu toe zijn er geen medicijnen beschikbaar.
Bongkrekzuur kan aanwezig zijn in verschillende soorten voedsel, vooral in producten die worden gefermenteerd onder onhygiënische of onjuiste omstandigheden. Voedingsmiddelen welke vaak worden geassocieerd met een verhoogd risico op bongkrekzuur besmetting zijn gefermenteerde Kokosproducten zoals gefermenteerde Kokosmelk en Tempeh Bongkrèk, een traditionele Indonesische tempeh gemaakt van kokosnoot. Producten gebaseerd op gefermenteerde mais zoals Ogi, een maïspap populair in West-Afrika of de alcoholische maisdrank Pombe. Andere gefermenteerde granen en zaden, cassave, soja, en rijst(noedels), indien verkeerd gefermenteerd, vormen ook risico’s voor bongkrekzuur besmetting.
Fermentatie van mais en kokos gecontroleerd moeten steeds gecontroleerd verlopen en onder juiste en hygiënische omstandigheden. Bereide rijstproducten mogen niet te lang bewaard worden bij temperaturen tussen 20 en 30 °C. Koken doodt de bacterie maar heeft geen effect op Bongkrekzuur aangezien de stof hitteresistent is. Er kan ook aan de leverancier een verklaring gevraagd worden hoe dit gevaar geborgd is.
Bongkrekzuur is niet opgenomen in EU- of nationale wetgeving
Tetrabromobisfenol A (TBBPA) is een van de meest gebruikte broomhoudende vlamvertragers. Het heeft een toepassing in kunststoffen, elektronica, meubelen en textiel. Omdat het veelvuldig wordt ingezet treffen we het vaak aan in water, bodem, lucht en organismen, waaronder mensen. Vandaar dat het geleid heeft tot bezorgdheid over de mogelijke schadelijke effecten op de gezondheid. Mensen komen voornamelijk in contact met TBBPA via de voeding, ademhaling en huidcontact.
Neurotoxiciteit en kankerverwekkendheid werden geïdentificeerd als de belangrijkste effecten, gebaseerd op studies met knaagdieren, waarbij voedsel de belangrijkste bron van blootstelling aan TBBPA was. Met name vis, vlees en zuivelproducten. Recente (EFSA) onderzoeken hebben vastgesteld dat de laagst hoeveelheid die nodig is om een nadelig effect te hebben 0,2 mg/kg lichaamsgewicht per dag is. Alle schattingen van blootstelling door de verschillende bevolkingsgroepen ligt onder deze vastgestelde TDI, ook voor kwetsbare groepen zoals zuigelingen. Daardoor is met 90%-95% zekerheid geconcludeerd dat de huidige blootstelling aan TBBPA geen gezondheidsrisico vormt.
TBBPA kan voorkomen in voeding door milieuvervuiling of overdracht uit verpakkingen en apparatuur. Het wordt niet opzettelijk aan voedsel toegevoegd, maar kan er indirect in kleine hoeveelheden in terechtkomen. TBBPA hoopt zich bijvoorbeeld op in rivieren en oceanen en kan worden opgenomen door vissen en andere zeedieren. Zo kunnen (vooral vette) vissoorten zoals zalm, haring en makreel hogere concentraties bevatten vanwege bioaccumulatie.
Voedings- en voedermiddelen voor vee kunnen ook besmet zijn met TBBPA. Dit kan gebeuren wanneer (landbouw)grond of water verontreinigd is door afvalwater, slib of luchtdeeltjes. Zo kan TBBPA terechtkomen in melk, kaas, boter of vlees en in gewassen als wortelen, aardappelen en bladgroenten die dicht bij de grond groeien. Zo kunnen ook drinkwaterbronnen besmet raken voor.
Plastic of coatings kunnen met TBBPA behandeld zijn en vanuit de verpakkingsmaterialen migreren in voedsel. Dit kunnen we zien bij vetrijke producten zoals chips, kant-en-klaarmaaltijden of snacks die in plastic verpakt zijn.
Beheersmaatregelen richten zich op het minimaliseren van blootstelling en het beperken van de milieu-impact van TBBPA. Zo kan de industrie zorgen voor het zo beperkt mogelijk toepassen van TBBPA en de consument kan voedingsmiddelen in TBBPA-gerelateerde verpakkingen vermijden. Wanneer het niet vermeden kan worden dan zorgt veilige recyclage ervoor dat er geen schadelijke stoffen in het milieu en daardoor in de voedselketen terecht komen. Verder valt TBBPA onder EU’s REACH-regelgeving dus moeten fabrikanten veiligheid aantonen en is het aangewezen om regelmatige controle op TBBPA in milieu en voedselketen uit te voeren.
TBBPA valt onder de REACH-verordening EG 1907/2006, die rechtstreeks geldt in Nederland en België. De belangrijkste punten daarbij zijn dat bedrijven die TBBPA importeren of produceren, de stof registreren bij het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA) en veiligheidscertificaten verstrekken. Er moet worden aangetoond dat het gebruik van TBBPA veilig is, met name in toepassingen waar blootstelling aan consumenten mogelijk is. Hoewel TBBPA momenteel niet is opgenomen op de autorisatielijst van REACH, wordt het gebruik ervan nauwlettend gevolgd.