De Europese Commissie heeft een nieuwe mededeling uitgebracht voor het toepassen van HACCP-principes. Dit document helpt bedrijven met het toepassen van GHP en HACCP-principes door praktische richtlijnen te geven. Wijzigingen ten opzichte van de vorige versie zijn doorgevoerd naar aanleiding van wijzigingen in onder andere de Codex Alimentarius en Verordening (EG) Nr. 852/2004, bijvoorbeeld ten aanzien van voedselveiligheidscultuur en allergenen. Lees in dit artikel de belangrijkste wijzigingen.
GHP’s krijgen meer aandacht, net als in de herziene versie van de Codex Alimentarius norm “Algemene beginselen van de levensmiddelenhygiëne” (CXC 1-1969). GHP’s zijn een onderdeel van het basisvoorwaardenprogramma: het zijn een aantal preventieve maatregelen die worden toegepast om veilige en geschikte levensmiddelen te produceren. De meeste GHP’s zijn niet specifiek voor een bepaald gevaar. Wanneer geen kritische controlepunten (CCP’s) of operationele basisvoorwaarden (OPRP’s) zijn vastgesteld, kunnen GHP’s echter wel voldoen om gevaren te beheersen. Enkele voorbeelden van GHP’s en/of OPRP’s die in het document genoemd worden, zijn:
Een beslisboom kan een manier zijn om een OPRP of CCP te bepalen. Het document beschrijft dat de ideale beslisboom die voor alle situaties toepasbaar is niet bestaat. Een beslisboom kan wel als richtlijn of instrument gebruikt worden. In Aanhangsel 4A en 4B van het document zijn twee voorbeeld beslisbomen opgenomen. GHP’s die meer aandacht behoeven, worden niet altijd geïdentificeerd door de gevareninventarisatie volgens de Codex methodiek. Dit gebeurt wel met OPRP’s in ISO 22000. Het gebruik van OPRP’s wordt genoemd als goede oplossing om de specifieke GHP’s wel te identificeren en wordt in overeenstemming geacht met zowel de Codexnorm en ISO 22000.
De meer kritische GHP’s moeten worden bewaakt, gevalideerd en geverifieerd. Voorbeelden waarbij bewaking doorgaans vereist is, zijn stappen met temperatuur (koelen, verhitten, etc.) of visuele inspectie na reiniging. Validatie en verificatie kan chemisch of microbiologisch onderzoek omvatten. Documentatie met betrekking tot GHP’s wordt in Verordening (EG) Nr. 852/2004 niet nadrukkelijk vereist, maar is wel nodig om uitvoering en naleving aan te kunnen tonen.
De toelichting beschrijft dat kleine bedrijven flexibel mogen zijn bij het toepassen van GHP’s en HACCP. Maatregelen moeten in verhouding staan tot de omvang van een bedrijf, maar ook tot de aard van het bedrijf en de daaraan gekoppelde specifieke risico’s. Sectorale gidsen voor op HACCP gebaseerde kwaliteitssystemen, hygiënecodes in Nederland, België werkt met autocontrolegidsen, kunnen een klein(er) bedrijf helpen met de invulling. Expliciet wordt echter benoemd dat het toepassen van dergelijke gidsen geen vervanging is van de specifieke gevarenanalyse van een levensmiddelenbedrijf. Deze gidsen zijn namelijk op algemene gevarenanalyses gebaseerd, terwijl bij een levensmiddelenbedrijf zich ook andere gevaren kunnen voordoen, bijvoorbeeld rondom de indeling van de bedrijfsruimte. Belangrijk is dus dat alle werkzaamheden van het bedrijf aan bod komen in de gebruikte gids. Is dit niet het geval, dan moet het bedrijf voor de niet behandelde werkzaamheden eigen op de HACCP-beginselen gebaseerde procedures opstellen. Verder worden bij de GHP’s diverse voorbeelden genoemd hoe kleine bedrijven flexibel met de vereisten om kunnen gaan.
In de toelichting (Bijlage I, vanaf hoofdstuk 3) wordt een lijst met voorbeelden van algemene GHP’s benoemd. De belangrijkste wijzigingen hierin zijn:
Het onderdeel allergenen is flink uitgebreid. Van primaire productie tot verkoop aan consument moeten er preventieve maatregelen genomen worden om kruisbesmetting te voorkomen. Bij primaire productie, oogst en slacht moet bijvoorbeeld rekening worden gehouden met allergenenbeheer. Denk hierbij aan gewasrotatie, schoonmaak bij het oogsten en het slachten, transport en opslag. Alleen wanneer kruisbesmetting met allergenen middels preventieve maatregelen niet voorkomen kan worden, mag hiervan een vermelding gemaakt worden op het etiket. Dergelijke vrijwillige informatie mag met name niet misleidend, dubbelzinnig of verwarrend zijn voor de consument.
Nieuw is de informatie over voedselherverdeling en -donatie. Het doneren van voedseloverschotten kan in alle schakels van de keten voorkomen, maar gebeurt het vaakst in detailhandel. Om mogelijke bijkomende gevaren te borgen, verwijst het document naar aanvullende GHP’s zoals beschreven in Verordening (EG) Nr. 852/2004 (hoofdstuk V BIS “Herverdeling van voedsel” in bijlage II).
In 2021 is het onderwerp voedselveiligheidscultuur opgenomen in Verordening (EG) Nr. 852/2004 (hoofdstuk XI BIS in bijlage II). Er wordt verwezen naar de volgende onderdelen van een goede voedselveiligheidscultuur:
Aangezien voedselveiligheidscultuur een subjectief onderwerp is, kan het lastig zijn dit te beoordelen en meetbaar te maken. Hiervoor is in het document in Aanhangsel 3 een voorbeeldtool opgesteld in de vorm van een enquête/ vragenlijst met een aantal stellingen over de verschillende onderwerpen.
Een ander nieuw onderwerp dat wordt besproken in de toelichting is Bijlage III het uitvoeren van audits op GHP’s en overige HACCP-procedures door de bevoegde autoriteit (in Nederland NVWA). Er wordt beschreven aan welke richtlijnen zo’n audit moet voldoen. Specifiek wordt ingegaan op het onderwerp voedselveiligheidscultuur. De auditor kan de voedselveiligheidscultuur verifiëren door:
Om subjectieve interpretatie te voorkomen, moet de auditor de voedselveiligheidscultuur verifiëren aan de hand van objectieve gegevens zoals gevolgde opleidingen of controle van prestaties aan de hand van bijvoorbeeld interne audits en follow-up van afwijkingen.
Bij gevaren met een hoge ernst is het zinvol te bekijken of het kwaliteitssysteem adequaat kan reageren en voorkomt dat er schadelijk product op de markt gebracht gaan worden. Komt een gevaar vaak voor en is meting en correctie mogelijk (zoals bij CCP’s), dan is het proces goed te beheersen voor dat gevaar. Aandacht moet gegeven worden aan gevaren met hoge ernst die vaak kunnen optreden, maar die niet makkelijk op te sporen en te corrigeren zijn. Opties zijn het nemen van maatregelen die het opsporen en corrigeren van afwijkingen beter mogelijk maken en/of die de waarschijnlijkheid en/of ernst van afwijkingen verlagen.
De dagen worden langzaam korter, de blaadjes vallen van de bomen en het wordt weer kouder in ons land. Dit betekent dat de winter in aantocht is en ook Sinterklaas weer langs onze huizen zal gaan met allerlei lekkers. Net zoals voorgaande jaren kijkt Sinterklaas eerst naar de jaarlijkse sinterklaasartikelen etikettencontrole voordat hij ons verblijdt met al het lekkers.
Voor de zevende keer zijn de etiketten van strooigoed en andere sinterklaasartikelen, zoals chocoladeartikelen, in verschillende winkels gecontroleerd op conformiteit met Verordening (EU) Nr. 1169/2011, over verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Hierbij is met name gekeken naar de verplichte vermeldingen in artikel 9. Denk hierbij aan bijvoorbeeld de wijze van vermelden van allergenen, de voedingswaardetabel en de benaming van een levensmiddel. Hiernaast is er ook gekeken naar de vermelding van kleurende levensmiddelen. In dit artikel lees je de bevindingen over wat opviel aan al het Sinterklaas lekkers.
Dit jaar zijn ruim 40 producten gecontroleerd op de juistheid van het etiket. Beoordeeld zijn de etiketten van onder andere kruidnoten in verschillende smaken, chocoladeletters, marsepein en chocolade Sinterklazen.
In Artikel 2 lid 2 m staat dat de leesbaarheid van een etiket wordt bepaald door onder andere de grootte van het schrift, de afstand tussen de letters, de kleur en het lettertype. Hiernaast geeft de verordening in overweging 26 aan dat uit studies blijkt dat de goede leesbaarheid van een etiket een belangrijk element is voor de tevredenheid van consumenten. Bij de controle bleek in een aantal gevallen dat het etiket of delen ervan niet goed leesbaar zijn. Het gaat hierbij vaak om chocoladesinterklazen waarbij de verpakking om de chocolade heen is gevouwen. Hierdoor is het etiket in elkaar verfrommeld. Een enkele verpakking is gemaakt van een glimmende folie. Hierdoor is de weerspiegeling van licht groot en het etiket amper te lezen.
Als het gaat om allergenen zijn er zeker nog verbetermogelijkheden. In Artikel 21 staat dat stoffen en producten die allergieën en toleranties veroorzaken (bijlage II van de verordening) moeten worden benadrukt door middel van een afwijkende typografie, dit kan door een afwijkend lettertype, afwijkende kleur of door de stijl aan te passen. In de meeste gevallen waren de verpakkingen juist opgesteld door het allergeen dikgedrukt te maken. Helaas is dit niet op alle verpakkingen correct gedaan. Op een verpakking werd “gluten” als allergeen benadrukt in plaats van de graansoort. De juiste vermelding was in dit geval tarwemeel. Het woord “gluten” mag vrijwillig worden toegevoegd, tarwemeel (gluten).
Volgens artikel 9 lid 1 f is de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptie datum verplicht. Volgens bijlage X moet de datum van minimale houdbaarheid worden voorafgegaan door de woorden ‘Ten minste houdbaar tot…’ wanneer in de datumaanduiding de dag is vermeld en ‘Ten minste houdbaar tot einde…’ in de andere gevallen. Deze vermelding moet vergezeld gaan van de datum zelf óf een verwijzing naar de plaats op de etikettering waar de datum is aangegeven.
Bij de controles viel het op dat de datum vaak lastig te vinden was. Vaak was de datum ergens tussen andere teksten gezet op het etiket. Er werd verwezen naar de datum met “zie verpakking of zie opdruk” wat te algemeen is. De plaats op het etiket waar de datum staat, moet specifiek worden vermeld, bijvoorbeeld “Ten minste houdbaar tot: zie onderkant product”.
Volgens artikel 30 moet de verplichte voedingswaardevermelding het volgende omvatten: de energetische waarde, hoeveelheden vetten, verzadigde vetzuren, koolhydraten, suikers, eiwitten en zout. Dit rijtje mag worden aangevuld met bijvoorbeeld vezels, maar dit is niet verplicht. In Artikel 34 staat hoe de voedingswaarden moeten worden gepresenteerd.
Volgens artikel 34 lid 2 worden de voedingswaarden, als er voldoende ruimte is, gepresenteerd in tabelformaat met de cijfers onder elkaar. Indien er onvoldoende ruimte is, worden de gegevens achter elkaar geplaatst. Hiervan is in sommige gevallen gebruik van gemaakt door de fabrikanten. Er zijn geen fouten in de voedingswaardevermeldingen gevonden dit jaar.
Het valt op dat bij steeds meer artikelen kleurende levensmiddelen worden gebruikt in plaats van additieven. Deze worden in de lijst van ingrediënten aangegeven met de naam van het ingrediënt, bijvoorbeeld zwarte bessensap. Soms wordt deze voorafgegaan door groepsbenamingen als ‘kleurend voedingsmiddel’ of ‘kleurend concentraat’. Deze groepsbenamingen zijn niet wettelijk vastgelegd en niet verplicht om te gebruiken. Kleurende levensmiddelen worden vaak verward met kleurstoffen, omdat ze beiden kleur geven aan het product. Het kan lastig zijn om onderscheid te maken, bepalend hierbij is de mate van selectieve extractie van het kleurende bestanddeel. Het grote verschil is dat kleurende levensmiddelen wel smaak, – geur- en voedingsstoffen bevatten, bij een kleurstof is alleen het kleur gevende bestanddeel van het levensmiddel nog over.
Op dit punt scoren de etiketten goed. Bij alle gecontroleerde etiketten is deze regel goed toegepast. Bijvoorbeeld bij de marsepeinproducten is het percentage amandelen netjes vermeld. Dit is verplicht omdat in artikel 22 lid c staat dat de hoeveelheid van een ingrediënt moet worden vermeld als het ingrediënt van wezenlijk belang is om een levensmiddel te karakteriseren en het te onderscheiden van de producten waarmee het wegens zijn benaming of aanblik zou kunnen worden verward.
De gevonden fouten en verbeterpunten komen aardig overeen met voorgaande jaren. Hierbij vallen een paar dingen op:
Al met al kunnen we positief zijn over de etiketten van de sinterklaasartikelen en kan Sinterklaas met een gerust hart de schoenen gaan vullen.
Volgens de nieuwe verordening over het recyclen van plastic wordt de veiligheid van gerecycled kunststof gebaseerd op een verplichte decontaminatie en het toepassen van geschikte recyclingtechnologie, het recycling proces en recycling installaties. Afhankelijk van de toegepaste technologie is autorisatie vereist. Registratie is altijd noodzakelijk.
Voor recycling door chemische depolymerisatie, het gebruik van restanten en afsnijdsels en het gebruik van gerecycled plastic achter een sperlaag zijn nieuwe aspecten opgenomen in Verordening (EU) 2022/1616. De verordening beoogt alle methoden van recycling te ondervangen. Er zijn maar een paar uitsluitingen, bijvoorbeeld de complete chemische depolymerisatie tot monomeren waarbij stoffen worden geproduceerd die zijn opgenomen in de lijst van toegelaten stoffen uit Verordening (EU) Nr. 10/2011 (zie artikel 1, lid 3 van Verordening 2022/1616). De nieuwe verordening houdt niet alleen rekening met chemische verontreinigingen, ook microbiologische veiligheid krijgt aandacht. Dit is geregeld doordat elk recycling proces een verplichte decontaminatie bevat, al dan niet in meerdere processtappen.
Volgens de nieuwe verordening moet de veiligheid op drie niveaus (recyclingtechnologie, recyclingproces en recyclinginstallatie) gegarandeerd worden. Goedgekeurde technologieën worden opgenomen in de bijlage van de verordening. Op dit moment zijn er 2 goedgekeurde technologieën; mechanische PET recycling en recycling van plastics in een gesloten keten. In een gesloten keten hebben bedrijven uit die keten afspraken met elkaar gemaakt zodat het te recyclen materiaal voor recycling terugkomt bij de producent, het zogenaamde ‘closed loop‘ recycling.
Recyclers die mechanische PET recycling toepassen moeten een autorisatie hebben, terwijl individuele recyclers die met een gesloten keten werken dat niet hoeven te hebben. Reden hiervoor is dat de bedrijven in de keten ervoor zorgen dat vervuiling tot een minimum beperkt wordt. Dit is een wijziging de opzichte van oude situatie volgens Verordening (EG) Nr. 282/2008.
Alle recyclers van plastic bestemd voor voedselcontactmaterialen moeten zich laten registeren. Dit is een actie die direct uitgevoerd kan worden met behulp van de informatie op de pagina Resources for plastic recyclers. De bedrijven worden opgenomen in een openbaar register. Dit register bevat informatie over recyclers, recyclinginstallaties en recyclingsprocessen en zal te vinden zijn op de website van de EU over de nieuwe verordening.
Nieuwe technologieën worden toegelaten onder strikte voorwaarden en in eerste instantie voor een korte termijn, zodat de recycler in staat is de benodigde informatie te verzamelen om het toelatingsdossier op te bouwen. Definitieve toelating vindt plaats na beoordeling door de EFSA en goedkeuring door de Europese Commissie. Een belangrijk aspect is dat de grondstoffen niet vervuilder mogen zijn dan dat het proces aankan qua decontaminatie, de input en output van het proces moeten in de in te dienen dossiers goed beschreven zijn
De verordening voorziet in twee modellen voor verklaringen van overeenstemming; een te gebruiken door de recycler en een voor de verwerker van het gerecycleerde materiaal. Ook de lay-out van de verordening is vastgesteld. Hiermee worden deze VvO’s geheel uniform qua opzet en informatie. Diverse nummers worden gebruikt in het toelatingsproces en op de verklaring van overeenstemming:
De nieuwe verordening is 10 oktober 2022 van kracht geworden. Enkele aspecten van de overgang naar de nieuwe verordening worden hieronder benoemd. Uitgebreide informatie is te vinden op de webpagina over de nieuwe verordening en in de verordening zelf.
Meer informatie is te vinden op de website van de EU over verordening (EU) 2022/1616. De EU database waar de informatie in opgenomen wordt over recycling is hier te vinden.
De NVWA heeft op haar website uitgebreide informatie opgenomen over de visketen, gebaseerd op diverse onderliggende rapporten. Het rapport “De Visketen in Beeld“ geeft inzicht in de relevante gevaren die een rol spelen in de visketen. Daarnaast worden diverse aspecten toegelicht waaronder de wijze van toezicht, de inspectiegegevens van de afgelopen jaren, het fraudebeeld, duurzaamheid, dierengezondheid en dierenwelzijn. In dit artikel focussen we met name op de voedselveiligheidsaspecten, al dan niet veroorzaakt door fraude.
Chemische gevaren in de visketen zijn het gevolg van bijvoorbeeld verkeerd gebruik van diergeneesmiddelen bij de kweek of additieven bij de verwerking. Contaminatie kan ook plaatsvinden door de aanwezigheid van diverse stoffen in het leefmilieu van vissen, schaal- en schelpdieren. Bijvoorbeeld dioxines en dioxineachtige PCB’s, methylkwik (roofvissen, met name zwaardvis en tonijn) of perfluorverbindingen (PFAS, PFOS, PFOA). Door opwarming van zeewater kunnen biotoxines (onder andere tetrodotoxine) als gevaar belangrijker worden.
Veel stoffen kunnen ophopen in vis, schaal- en schelpdieren. Een beperkte consumptie van visproducten kan daardoor soms tot overschrijding van gezondheidsnormen leiden.
Listeria monocytogenes, Salmonella spp., Vibrio spp. en Clostridium botulinum zijn de bacteriën die wereldwijd gezien het belangrijkste volksgezondheidsrisico vormen via de consumptie van vis, schaal- en schelpdieren. In Nederland spelen vooral Listeria en Salmonella een rol. Vibrio’s zijn mogelijk een opkomend risico; zij komen vaker voor in warmer water.
Door bederf (als gevolg van bijvoorbeeld een te hoge opslagtemperatuur) kunnen biogene amines, met name histamine, gevormd worden. Het voedselveiligheidsrisico van virussen in vis of schaaldieren is beperkt, maar speelt wel een rol bij tweekleppige weekdieren (schelpdieren), bijvoorbeeld norovirus in oesters. Parasieten kunnen een risico zijn bij vis die bestemd is om rauw te consumeren. RASFF-meldingen laten zien dat de beheersmaatregel, lang genoeg invriezen tot een bepaalde kerntemperatuur (zoals voorgeschreven in Verordening (EG) Nr. 853/2004) niet altijd afdoende wordt toegepast.
De fysische risico’s worden ingeschat als beperkt. Bedrijven passen bijvoorbeeld metaaldetectie toe. Specifiek benoemt het rapport micro-en nanoplastics. Door het ontbreken van kennis op toxicologische en analytisch gebied, is het niet mogelijk een risicobeoordeling uit te voeren.
Het rapport “De Visketen in Beeld“ en de bijbehorende rapporten geeft een toelichting op alle voorgenoemde gevaren, geeft aan waar en wanneer in de keten deze gevaren optreden en benoemt de oorsprong en beheersmaatregelen. Uitgebreidere informatie over de gevaren is te vinden in het onderliggende Advies van de directeur bureau Risicobeoordeling & onderzoek over de risico’s voor mens, dier en natuur in de visketen.
Ook fraude kan leiden tot voedselveiligheidsproblemen. Maar dit hoeft niet altijd zo te zijn. Fraudeurs willen immers niet in beeld komen en zullen daarom willen voorkomen dat ziektegevallen optreden door hun producten. Het rapport Fraudebeeld visserijketen van de NVWA-IOD laat zien dat in de jaren 2017 t/m 2020 overtredingen van de visserijwetgeving in de primaire fase de belangrijkste oorzaak voor processen-verbaal in de visketen zijn. Het gaat bijvoorbeeld om illegale vangst en handel van ondermaatse vis of stroperij, activiteiten die de visstand en biodiversiteit kunnen aantasten. Verderop in de keten – bij de visverwerking – spelen ook voedselveiligheidsrisico’s een rol. Bijvoorbeeld door het aanpassen van houdbaarheidstermijn of onvoldoende traceerbaarheid. Het verlengen van de houdbaarheid kan een te hoog histamine gehalte en te hoge aantallen bacteriën zoals Listeria opleveren.
Andere vormen van fraude in de visketen zijn bijvoorbeeld:
Het rapport geeft diverse aanbevelingen ter verbetering van het toezicht om fraude te voorkomen.
Dit artikel werd september 2022 gepubliceerd en is niet meer actueel. Actuele informatie kan je vinden in volgend artikel op de kennisbank: Etiketteren voedingswaarde vermelding en Nutri-score
Het Safe Quality Food (SQF) programma is een voedselveiligheids- en kwaliteitsstandaard voor de hele keten. SQF is ontwikkeld in Australië door de Food Industry Association (FMI) in en beheerd door het Safe Quality Food Institute (SQFI). SQF is vanaf niveau 2 GFSI erkend. SQF is voor Nederlandse bedrijven vooral interessant bij veel export naar Australië of de Verenigde Staten.
Het SQF programma is een voedselveiligheidsprogramma voor alle sectoren in de hele keten, van primaire productie tot Retail en productie van verpakkingsmateriaal voor de levensmiddelensector.
SQF fundamentals is voornamelijk voor low risk producten en is een standaard voor de basis voedselveiligheid regels. Voor deze fundamentals zijn twee verschillende programma’s Basic en Intermediate. Beide programma’s bevatten essentiële voedselveiligheidseisen. De Basic SQF focust op het ontwikkelen van een voedselveilige omgeving. De Intermediate SQF bouwt hierop verder en voegt meer eisen toe aan documentatie. Dit legt de basis voor niveau 2.
Via de website van SQFI zijn er diversen documenten te downloaden, waaronder:
Vanaf 24 mei 2021 is versie 9 uitgebracht waarmee SQF ook voldoet aan de laatste wijzigingen in de GFSI eisen.
Het Food Safety programma bestaat uit de volgende SQF Food Safety Codes:
Voor de bedrijven die naast de voedselveiligheid ook een kwaliteitsprogramma willen toevoegen bestaat het SQF Quality Program:
Sinds oktober 2021 heerst de grootste epidemie van hoog pathogene volgelgriep ooit in Europa. De in heel Nederland geldende ophok- en afschermplicht voor bedrijven en hobbyhouders is pas sinds 28 juni voor bepaalde delen in Nederland opgeheven. Door de langdurige ophokplicht moeten vrije uitloop eieren afgewaardeerd worden tot scharreleieren. Dit heeft niet alleen gevolgen voor de inkomsten van de pluimveehouders, maar ook voor het etiketteren van de eieren en producten waar deze eieren in verwerkt worden.
Hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) is een zeer ernstige ziekte veroorzaakt door een virus. Van de kippen die besmet zijn, sterven de meesten. Dit kan oplopen tot 100%. Ziekteverschijnselen zijn onder andere eiproductiedaling, oedeem aan het hoofd, luchtwegproblemen, diarree en overvloedig tranen. Er bestaat ook laagpathogene aviaire influenza (LPAI). Kenmerkend zijn een daling van de eiprpoductie, ontsteking van de luchtwegen en een gezwollen kop. Laagpathogene varianten kunnen muteren tot hoogpathogene varianten.
Voor mensen is de kans om ziek te worden klein en de ziekteverschijnselen zijn meestal mild. Contact met zieke dieren moet zoveel mogelijk gemeden worden; voorkomen moet worden dat het virus gaat muteren en zich ook gaat verspreiden via mensen.
Volgens een rapport van de EFSA is het epidemieseizoen van 2021-2022 de grootste ooit in Europa geregistreerd. Het hoogpathogene aviaire influenza (HPAI)-virus werd 5.300 keer aangetroffen bij pluimvee, in gevangenschap levend en wilde vogels. De persistentie van het HPAI (H5)-virus bij wilde vogels geeft aan dat het mogelijk endemisch (continu voorkomend) is geworden in wilde vogelpopulaties in Europa. De verspreiding van het virus vond gewoonlijk plaats via trek(water)vogels. Pluimvee wordt besmet via direct of indirect contact, bijvoorbeeld via uitwerpselen. Bij buitenuitloop is de kans op besmetting daarom veel hoger.
Om te voorkomen dat pluimvee met het vogelgriepvirus in aanraking komt, zijn landelijke maatregelen tegen de vogelgriep voor bedrijven en hobbyhouders ingesteld. De ophok- en afschermplicht die sinds 26 oktober 2021 van kracht was voor heel Nederland, is op 28 juni 2022 in delen van Nederland opgeheven (Regeling van 28 juni 2022, nr. WJZ/22237675). Het betreft het (zuid)oosten van Friesland, Groningen, Drenthe, het oostelijk deel van Gelderland, Brabant en het zuiden van Limburg (regio’s 4, 5, 8, 11, 17, 18 en 20, zie kaart). De kans op een uitbraak bij het intrekken van de ophok- en afschermplicht wordt in deze gebieden laag tot matig beschouwd. De betrokken regio’s hebben een lager risico doordat ze niet in waterrijke gebieden liggen. Bovendien waren er sinds mei 2022 geen uitbraken geweest bij pluimvee, geen met hoogpathogene vogelgriep besmette wilde vogels gevonden en deze regio’s zijn niet pluimveedicht. In september 2022 zijn een aantal gevallen van vogelgriep voorgekomen in het gebied waar de ophokplicht is opgeheven. Rond de betreffende locaties geldt een vervoersbeperking, zoals aangegeven op deze kaart. De Regeling van 28 juni 2022 is (nog) niet ingetrokken.
Volgends de EU handelsnorm voor eieren, mogen conventionele “eieren van hennen met vrije uitloop” niet afkomstig zijn van hennen die langer dan 16 weken onafgebroken geen vrije uitloop hebben gehad. Op 16 februari 2022 zijn deze 16 weken verstreken. Sindsdien moeten de eieren van de opgehokte hennen afgewaardeerd worden tot scharrelei. Behalve een daling van inkomsten voor de pluimveehouders, betekent het langdurig ophokken ook dat andere etiketten gebruikt moeten worden, zonder vermeldingen over de vrije uitloop. In plaats daarvan mogen de eieren scharreleieren genoemd worden. Als op producten waarin deze eieren verwerkt worden expliciet vermeld staat dat het vrije uitloop eieren betreft, moeten ook die etiketten aangepast worden.
Voor biologische eieren zijn de regels anders; de basisregel is dat kippen minimaal een derde van hun leven moeten beschikken over een uitloop. Bij een door de overheid ingestelde ophokplicht geldt de termijn van 16 weken niet.
Pluimveehouders zouden graag zien dat de EU-regels voor conventionele eieren gelijkgetrokken worden met die voor biologische eieren. Daarnaast zou vaccinatie mogelijk moeten worden met een effectief vaccin en zou de handel in gevaccineerd pluimvee(producten) toegelaten moeten worden in de EU.
BRCGS Food versie 9 is gepubliceerd op 1 augustus 2022. De definitieve standaard is niet veel verandert ten opzichte van het ontwerp. Toch zijn er wel een aantal belangrijke verschillen waar aandacht aan besteed moet worden.
BRCGS Food Safety versie 9 is 3 jaar na BRC versie 8 verschenen op 1 augustus 2022. Dit past bij de 3-jarige cyclus die BRCGS aanhoudt voor het updaten van standaarden. Zo’n 3-jarige cyclus wordt overigens ook door andere eigenaren van standaarden vaak aangehouden. Tussentijds wordt alleen gewijzigd bij belangrijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld als de GFSI-vereisten aangepast worden. In de whitepaper BRCGS 9 Food Safety , wordt uitgebreid ingegaan op de verschillen tussen versie 8 en versie 9.
Het ontwerp van de standaard is op basis van de opmerkingen gemaakt tijdens de openbare consultatie aangepast. Enkele opvallende verschillen tussen het ontwerp en de definitieve versie zijn:
Validatie vereisten zijn verduidelijkt in de definitieve versie:
Traceerbaarheid is ook uitgebreider in de definitieve versie ten opzichte van de draft:
Aanvullingen bij onderhoud:
Voor claims is toegevoegd dat alle claims onderbouwd moeten zijn; het proces en de receptuur moeten zijn gevalideerd en voldoen aan alle wettelijke eisen in land van verkoop van het product.
Bij incidenten, terughaal acties of recalls moet binnen 21 dagen een oorzaakanalyse uitgevoerd zijn.
Tip: Volg de workshop BRCGS Food Safety versie 9. Tijdens deze workshop gaat onze ervaren trainer in op welke wijzigingen zijn doorgevoerd en wat dat voor jouw bedrijf betekent. Je krijgt handvaten hoe je deze wijzigingen concreet kan vertalen en toepassen in het kwaliteitshandboek en de rest van jouw organisatie
Veel bedrijven zijn bezig met het beoordelen of hun producten een THT of TGT aanduiding moeten krijgen. Het Warenwetbesluit BBL wijzigt namelijk per 1 januari 2023 de regels hieromtrent. In de praktijk blijkt het vaak lastig te bepalen of je met een THT of TGT te maken hebt. Onderstaand stappenplan helpt je op weg.
Het Warenwetbesluit Bereiding en Behandeling van levensmiddelen wordt gelijk getrokken met de Europese Verordening (EU) Nr. 1169/2011. Voor producten die nu een THT-datum (“Ten Minste Houdbaar Tot”) hebben, moet worden nagegaan of ze na het verstrijken van de houdbaarheidstermijn een onmiddellijk gevaar voor de menselijke gezondheid kunnen opleveren. Is dat het geval, dan moet de THT worden vervangen door een TGT (“Te Gebruiken Tot”). Bij verstrijken van een TGT–datum moet een product weggegooid worden omdat het onveilig kan zijn. Bij verstrijken van de THT-datum kan de consument door waarnemingen, smaak, geur en/ of uiterlijk zelf bepalen of het product geschikt is voor consumptie. Deze beoordeling door de consument wordt gestimuleerd om voedselverspilling tegen te gaan. Zo’n product is immers niet direct na het verstrijken van de houdbaarheidsdatum schadelijk voor de gezondheid.
Het bepalen van de THT en TGT heeft te maken met pathogene micro-organismen. Het gaat niet over bederfveroorzakers of kwaliteitsaspecten. Wanneer na de houdbaarheid bederfveroorzakers zoals melkzuurbacteriën of schimmels gaan groeien, eet de consument het niet meer op. Toch kan dit product niet zomaar een THT krijgen. Er moet worden uitgesloten dat er geen pathogenen kunnen uitgroeien in het product.
In de EFSA “Guidance on date marking and related food information: part 1” is op bladzijde 32 een beslisboom opgenomen die bedrijven helpt te beslissen of een TGT– of een THT–datum op een product moet staan. Onderstaand stappenplan is gebaseerd op deze beslisboom. Een andere werkwijze is ook mogelijk.
Benodigde informatie voor het doorlopen van de de beslisboom:
Voor een aantal producten is nu al duidelijk of een THT of TGT van toepassing is. Basisinformatie over het type product en de processtappen sluit een bepaalde groep producten uit van verder onderzoek.
De volgende producten krijgen een THT vermelding:
Daarnaast beschrijft Verordening (EU) nr. 1169/2011 diverse groepen producten welke zijn uitgesloten van de verplichting van de verplichting van de vermelding van een houdbaarheidstermijn zoals azijn, keukenzout, suikerwerk en verse, niet-gesneden groenten en fruit.
Voor producten waar vraag Q10 van de EFSA beslisboom van toepassing is, ga naar stap 3. Vraag Q10 is voor diverse producten de laatste vraag die beslissend is voor de keuze tussen THT en TGT en luidt: “Is het bedrijf in staat om aan te tonen (stapsgewijze benadering beschreven in paragraaf 3.4) dat het voedingsmiddel de groei en/of toxineproductie van pathogene bacteriën niet ondersteunt onder redelijkerwijs voorzienbare temperatuuromstandigheden tijdens distributie en opslag?” Om deze vraag te kunnen beantwoorden ga je verder met stap 3.
Als hulpmiddel staat in appendix B van de EFSA Guidance on date marking; part 1 een tabel waarin te zien is welke pathogenen relevant kunnen zijn bij welke pH – Aw combinatie. Neem bij het vaststellen van de relevante pathogenen ook procesfactoren mee. Daarbij gaat het over eventuele kiemdodende behandelingen (zoals verhitten) of nabesmetting na zo’n behandeling. Dat bepaalt immers welke micro-organismen aanwezig kunnen zijn in het product.
Voor kant-en-klare producten is een onderzoek naar mogelijke uitgroei van Listeria monocytogenes verplicht. Vaak wordt gedacht dat op basis van deze studie bepaald kan worden of een TGT of THT van toepassing is. Een listeriastudie kan soms wel voldoende zijn om een THT markering uit te sluiten. Immers, is bekend dat dit pathogeen na het verlopen van de houdbaarheidstermijn kan groeien tot boven de wettelijke norm? Dan krijgt dit product sowieso een TGT (zie stap 5 van dit stappenplan). In alle andere gevallen is het echter belangrijk te kijken of ook andere pathogenen in het product kunnen groeien.
Intrinsieke factoren zijn factoren die gekoppeld zijn aan de eigenschappen van het product en worden bepaald door de samenstelling. Naast de pH en Aw van een product kunnen bijvoorbeeld groeiremmende stoffen aanwezig zijn. Sommige producten bevatten deze van nature, soms zijn additieven gebruikt die groeiremmend zijn. Bij producten geproduceerd met behulp van micro-organismen, zoals gefermenteerde producten, kunnen die micro-organismen groeiremmend werken. Bij extrinsieke factoren, factoren van buitenaf, kun je denken aan bijvoorbeeld de temperatuur of de gassamenstelling in de verpakking.
Beoordeel op basis van de informatie uit stappen 3 en 4 of en zo ja welke pathogenen zouden kunnen groeien in het product. Hulpmiddelen hierbij die je kunt gebruiken zijn vakliteratuur, resultaten van houdbaarheidsstudies, modelstudies of challengetesten. Huidige houdbaarheidsonderzoeken bepalen de groei van micro-organismen gedurende de houdbaarheidstermijn. Om een THT mee te mogen geven, schrijft het EFSA voor dat geen groei en/ of toxinevorming van pathogenen mogelijk mag zijn na het verstrijken van de houdbaarheid. Maar hebben bedrijven wel genoeg data om dit te onderbouwen?
Als groei of toxinevorming van pathogenen na de houdbaarheid niet kan worden uitgesloten, geldt een TGT-datum. In de tabel op bladzijde 36 van het EFSA document worden enkele praktische voorbeelden gegeven hoe de beslisboom doorlopen kan worden.
Leg voor elk product vast op basis waarvan besloten wordt of een THT of TGT vermelding van toepassing is, bewaar de documentatie. Hou daarnaast de informatie actueel; wijzigingen in het product, proces of verpakkingswijze kunnen immers van invloed zijn.
Dit is een premiumartikel. Premiumartikelen maken deel uit van het Normec Foodcare Kenniscentrum abonnement. Alle kennis en ervaring vanuit elke expertise komt samen in de Kennisbank. Je vindt hier alle relevante informatie over diverse productgroepen en wetgeving. Benieuwd? Lees wat het Normec Foodcare Kenniscentrum jou kan bieden.
Standaarden als BRCGS, IFS en FSSC 22000 hebben allen de eis dat minimaal éénmaal per drie jaar een onaangekondigde audit gehouden moet worden. Elke standaard heeft regels ingesteld voor onaangekondigde audits. Lees per standaard wat de eisen en mogelijkheden zijn voor onaangekondigde audits. En we delen belangrijke tips en weetjes, zodat je altijd goed voorbereid bent op onaangekondigde audits.
Sinds 2021 werken de BRCGS, IFS en FSSC 22000 standaarden allen met onaangekondigde audits om te blijven voldoen aan de GFSI-vereisten in versie 2020 en 2020.1. Per standaard bespreken we de belangrijkste regels en mogelijkheden inzake onaangekondigde audits.
In het Document BRCGS079 “Position Statement and Protocol on Unannounced Audits – Meeting the GFSI benchmark” geeft BRCGS informatie over onaangekondigde audits die van toepassing zijn op de normen Food Safety, Packaging Materials en Storage and Distribution.
Elke drie jaar moet minimaal één onaangekondigde audit plaatsvinden. Wordt een bedrijf voor de eerste keer gecertificeerd voor één van deze standaarden? Dan worden de eerste twee audits aangekondigd. De derde en laatste audit in de driejarige certificatiecyclus is dan een onaangekondigde audit. Hercertificatie kan zowel een aangekondigde als onaangekondigde audit zijn. De certificerende instelling (CI) plant de onaangekondigde audit in en geeft na elke audit aan of de volgende audit een onaangekondigde audit is.
Bedrijven kunnen ook aangeven altijd te willen werken met onaangekondigde audits. Bedrijven met een BRCGS certificaat die niet altijd een onaangekondigde audit willen, krijgen een onaangekondigde audit in de periode van vier maanden, voordat de jaarlijkse audit uiterlijk moet plaatsvinden.
Elk bedrijf mag voor een beperkte periode aangeven wanneer geen onaangekondigde audit kan plaatsvinden, de zogenaamde black-out periode. Hiervoor mogen maximaal tien dagen aangewezen worden, of vijf dagen, als er sprake is van een audit na zes maanden (zoals bij score C of D). De CI moet over de redenen geïnformeerd worden. Een geldige reden is bijvoorbeeld dat op de betreffende dag geen productie plaatsvindt of dat het bedrijf gesloten is. De afwezigheid van de kwaliteitsmanager of (een deel van) het management is geen geldige reden, vervanging hoort immers goed geregeld te zijn. BRCGS geeft aan rekening te houden met de omstandigheden bij bijvoorbeeld zeer kleine bedrijven en bedrijven die werken met seizoensproducten met een heel kort seizoen. Het bedrijf informeert de CI over deze omstandigheden.
Volgens het document “Unannounced IFS Assessments (audits)” zijn onaangekondigde audits van toepassing bij de standaarden Food, Logistics, Broker en PACsecure. In het document worden algemene regels gegeven, maar de exacte regels verschillen per IFS standaard. Daarnaast zijn de eisen voor onaangekondigde audits bij IFS Food versie 8 strenger dan bij IFS Food versie 7 waar onaangekondigde audits nog een keuze waren. Hierna worden met name de vereisten voor onaangekondigde audits uit de draft IFS Food versie 8 besproken. Het is nog niet bekend wanneer de definitieve versie uitkomt.
Volgens IFS Food versie 8 spreken het bedrijf en de CI gezamenlijk af of de initiële en de hercertificatie audits aangekondigd of onaangekondigd zijn. Audits gekoppeld aan een uitbreiding van de scope of de follow-up audit zijn altijd aangekondigde audits. Een follow-up audit wordt uitgevoerd als in de voorgaande audit een onvoldoende score is gehaald met één major en de totale score ≥ 75%.
Een onaangekondigde audit vindt plaats binnen zestien weken, voordat de jaarlijkse audit uiterlijk moet plaatsvinden, tot twee weken daarna. Minstens één op de drie audits is een onaangekondigde audit. Op verzoek van het bedrijf kunnen vaker onaangekondigde audits plaatsvinden.
Een aantal regels ten aanzien van onaangekondigde audits is in IFS Food versie 7 en 8 gelijk. Zo mogen bedrijven tien werkdagen, verdeeld over maximaal drie perioden, aanmelden als dagen waarop geen onaangekondigde audit kan plaatsvinden. Daarnaast kunnen perioden aangegeven worden waarop het bedrijf niet werkt of gesloten is. Het bedrijf informeert de CI hierover minimaal vier weken voor de start van de periode waarin de onaangekondigde audit plaatsvindt. Voor seizoensproducten moet gemeld worden wanneer het seizoen start en eindigt. Tijdens het hele seizoen kan de onaangekondigde audit plaatsvinden; er kunnen geen ‘black-out’ dagen aangegeven worden. Specifieke regels zijn van toepassing voor bedrijven met meerdere locaties en een hoofdkantoor (zie paragraaf 2.4.2). Nieuw in de draftversie 8 is dat het niet voldoen aan de regels voor de onaangekondigde audit erin kan resulteren dat een onaangekondigde audit gezien wordt als aangekondigde audit. De eerstvolgende audit wordt dan weer een onaangekondigde audit.
FSSC heeft haar vereisten ten aanzien van onaangekondigde audits opgenomen in de standaard en de begeleidende documenten. Er is geen document specifiek gericht op onaangekondigde audits.
FSSC 22000 vereist dat minimaal elke drie jaar een onaangekondigde audit plaatsvindt. De initiële audits zijn een aangekondigde audit. De CI bepaalt welke audit een onaangekondigde audit wordt. Bedrijven kunnen aangeven of zij alle audits onaangekondigd willen laten plaatsvinden.
In FSSC 2200 versie 5.1 staat geen periode vermeld wanneer de onaangekondigde audit plaatsvindt.
Elk bedrijf informeert de CI wanneer een onaangekondigde audit niet plaats kan vinden. Er worden geen restricties genoemd in het aantal dagen of perioden.
Om altijd goed voorbereid te zijn op onaangekondigde audits geven we hierbij enkele tips.
Informeer de certificerende instelling voorafgaand aan een onaangekondigde audit goed over wanneer geen productie (van producten binnen de scope van het certificaat) plaatsvindt. Ook bij wijzigingen in de planning moet de CI geïnformeerd worden. Dat voorkomt een aanvullende onverwachte audit en problemen met het tijdig kunnen inplannen van onverwachte audits. Bij FSSC 22000 kan het een aangekondigde audit worden, binnen 4 weken na de onaangekondigde audit
Bij een goedwerkend kwaliteitssysteem in combinatie met een goede voedselveiligheidscultuur is een bedrijf elke werkdag ‘klaar voor een audit’. In feite betekent dit dat onder andere de productieruimten elke dag moeten worden bijgehouden qua hygiëne, orde en netheid. Ook het papierwerk moet bijgehouden zijn, denk aan registraties, actielijsten, verslagen van relevante vergaderingen, etc.
Het is handig om, vóórdat een onaangekondigde audit plaatsvindt, een ‘draaiboek’ op te stellen. Zo weet degene die de auditor als eerste ontvangt hoe te handelen tijdens de onaangekondigde audit. Denk hierbij aan:
Alle standaarden beschrijven expliciet dat het de bedoeling is dat de auditor snel na aankomst in de productie start (BRCGS en IFS: binnen een half uur, FSSC: binnen een uur). Zorg dat altijd afdoende beschermende kleding aanwezig is, inclusief schoenen (waar dit relevant is).
Het testen van het opgestelde draaiboek en het trainen van medewerkers hoe om te gaan met een onverwachte audit dragen bij aan een goed verloop van een onaangekondigde audit.
Je las een premiumartikel van het Normec Foodcare Kenniscentrum. Smaakt het naar meer? Bekijk dan de mogelijkheden van het Kenniscentrum abonnement. Hiermee heb je direct toegang tot alle kennis.