Dit is een premiumartikel. Premiumartikelen maken deel uit van het Normec Foodcare Kenniscentrum abonnement. Alle kennis en ervaring vanuit elke expertise komt samen in de Kennisbank. Je vindt hier alle relevante informatie over diverse productgroepen en wetgeving. Benieuwd? Lees wat het Normec Foodcare Kenniscentrum jou kan bieden.
In dit artikel lichten we een aantal aankomende wijzigingen in Europese wetgeving toe die van toepassing zijn in de voedingsindustrie en naar verwachting dit jaar zullen worden gepubliceerd. De wijzigingen gaan over diverse onderwerpen. Zoals residuen van bestrijdingsmiddelen, biologisch (zee)zout, antimicrobiële stoffen in geïmporteerde dieren of producten van dierlijke oorsprong en novel foods.
Draft verordeningen zijn opgesteld over (residuen van) bestrijdingsmiddelen:
Een nieuwe Europese Verordening omvat regels voor de productie van organisch zeezout en ander zout bestemd voor levensmiddelen of diervoeder, als wijziging/aanvulling van Verordening (EU) 2018/848. In deze Verordening ‘inzake biologische productie en etikettering van biologische producten’ waren alleen productiemethoden voorgeschreven voor agrarische producten. De nieuwe eisen voor biologisch zout omvatten onder andere eisen ten aanzien van de grondstof (niet vervuild zeewater, zoutafzettingen op rotsen, natuurlijk pekel of zoutmeren), het productieproces ( zo min mogelijk milieuvervuiling veroorzaken, een omschakelingsperiode van 6 maanden) en de samenstelling (geen gebruik van additieven en proceshulpstoffen, eventuele overige ingrediënten zijn organisch). Verwacht wordt dat de Europese Commissie in april 2023 de conceptverordening goedkeurt. Zo gauw de Verordening wordt gepubliceerd (publicatiedatum nog onbekend), is de verordening na 20 dagen van toepassing.
In de ontwerpverordening staan eisen voor dieren en producten van dierlijke oorsprong, bestemd voor menselijke consumptie, die vanuit derde landen de EU worden ingevoerd. De eisen betreffen het verbod op het gebruik van antimicrobiële stoffen voor groeibevordering en opbrengstverhoging en het verbod op het gebruik van bepaalde antimicrobiële stoffen die zijn gereserveerd voor de behandeling van infecties bij mensen. Preventie van microbiële resistentie is een belangrijk doel. Denk hierbij ook aan middelen die voor mensen worden gebruikt en soms het enige werkzame middel zijn voor een bepaalde ziekte. De Verordening is een aanvulling op Verordening (EU) 2019/6. Omdat deze Verordening samenhangt met andere Verordeningen, is er geen informatie over de verwachte publicatie en het van toepassing worden.
Elk jaar worden vele besluiten gepubliceerd over de toelating of afwijzing van novel foods. Sinds 1 januari 2018 zijn 275 autorisatie-aanvragen (Art 10) en 40 kennisgevingen (traditionele voedingsmiddelen) in behandeling. Komend jaar zijn daarom net als afgelopen jaar diverse verordeningen met een toelating of afwijzing te verwachten.
Je las een premiumartikel van het Normec Foodcare Kenniscentrum. Smaakt het naar meer? Bekijk dan de mogelijkheden van het Kenniscentrum abonnement. Hiermee heb je direct toegang tot alle kennis.
Consumenten krijgen bij het eten verschillende residuen van bestrijdingsmiddelen binnen. Bijvoorbeeld door het eten van groenten, fruit of graanproducten. In 4 alinea’s informeren we je over actuele onderzoeken die een beeld geven van de blootstelling aan residuen van bestrijdingsmiddelen of die gezondheidseffecten geven bij cumulatieve of chronische blootstelling en aan welk beleid gewerkt wordt.
Een internationaal onderzoek van vijf Europese landen (Tsjechië, Hongarije, Letland, Spanje en Nederland) laat zien dat in de urine van mensen vaak residuen van bestrijdingsmiddelen of afbraakproducten van bestrijdingsmiddelen worden gemeten; in 84% werden 2 of meer residuen aangetroffen. Het vaakst werden chloorprofam en acetamiprid (of hun afbraakproducten) aangetroffen. Een verschil tussen mensen die leven in agrarische gebieden ten opzichte van mensen die leven in stedelijk gebied, net als invloed van seizoenen, werd waargenomen, maar bleek niet consistent bij de vijf deelnemende landen. Wel zijn er verschillen waargenomen in de kans op detectie van residuen van bestrijdingsmiddelen bij kinderen ten opzichte van volwassenen. Mogelijk wordt dit verschil veroorzaakt door een andere blootstelling en/of afbraak in het lichaam. Kinderen eten relatief gezien (per kilogram lichaamsgewicht) gewoonlijk meer dan volwassenen. Toch zijn bepaalde residuen vaker aangetroffen in de urine van kinderen.
Het risico van de consumptie van verschillende residuen is berekend in een onderzoek uitgevoerd door het RIVM. Specifiek is gekeken naar mogelijke gezondheidseffecten op het zenuwstelsel. De huidige Nederlandse, gelijktijdige blootstelling aan verschillende residuen van bestrijdingsmiddelen blijkt geen nadelig effect te hebben op het zenuwstelsel. Eerder onderzoek uit 2020 naar de gelijktijdige consumptie van verschillende residuen van bestrijdingsmiddelen, de zogenaamde cumulatieve blootstelling, had dezelfde resultaten. Wel bleek in het recentste onderzoek, over de periode 2019-2021, dat de blootstelling lager is geworden. Het onderzoek was gericht op twee specifieke groepen gewasbeschermingsmiddelen die invloed kunnen hebben op het zenuwstelsel. De ene groep van residuen kunnen effecten hebben op de doorgifte van signalen in het zenuwstelsel, de andere groep beïnvloedt de aansturing van het bewegingsapparaat.
Zoals in elke EU lidstaat gebeurt, onderzoekt het Federaal Agentschap voor de Veiligheid groenten en fruit (en andere producten) op de aanwezigheid van residuen van bestrijdingsmiddelen. Op basis van de resultaten in de periode 2014 tot en met 2020 blijkt volgens het rapport van de Wetenschappelijk Comité (SciCom) dat de chronische blootstelling aan residuen van Belgische consumenten geen risico inhield. Dit geldt ook voor kinderen en voor grote eters van groenten en fruit. Het voedingsadvies van de overheid stuurt aan op meer consumptie van groeten en fruit. Ook bij hogere consumptie zijn geen nadelige effecten te verwachten kijkend naar de lange termijn blootstelling. Het onderzoek bekeek niet de cumulatieve inname. In het onderzoek werden 44 verschillende residuen meegenomen, geselecteerd op basis van de frequentie van aangetroffen monsters, vanwege hun toxiciteit (lage ADI waarde) en representativiteit (afdoende aantal monsters onderzocht op het residu).
ZZS zijn stoffen die giftig zijn bij lage concentraties, zich ophopen in het milieu, zeer slecht afbreekbaar zijn en kankerverwekkend en/of schadelijk zijn voor de voortplanting. ZZS komen volgens een onderzoek van het RIVM in 20% van de bestrijdingsmiddelen voor, in 10% zitten stoffen die verdacht ZZS zijn en in 5% zitten per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS), allen in gehalten met aanvaardbare risico’s voor mens. Nederland heeft het beleid de uitstoot van zogenaamde Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) door bedrijven te minimaliseren. Lastig is dat er verschillende lijsten van ZZS zijn (nationaal en internationaal), met verschillende stoffen. Bij de toelating van bestrijdingsmiddelen wordt bijvoorbeeld een andere ZZS lijst gebruikt dan in de REACH verordening. Het uitvoeren van beleid wordt daardoor bemoeilijkt. Enkele aanbevelingen van het RIVM zijn het afstemmen van stofdefinities en aanvullend onderzoek om het gebruik (de hoeveelheden) van bestrijdingsmiddelen met ZZS te inventariseren.
In de agri-food sector zijn al producten op de markt die gemaakt zijn met behulp van synthetische biologie. Genetisch gemodificeerde micro-organismen vallen in deze categorie. Het gaat dus niet alleen over de verre toekomst. Andere voorbeelden zijn de ontwikkeling van nieuwe enzymen of de productie van aroma’s met behulp van genetisch gemodificeerde organismen. Moeten we rekening houden met nieuwe gevaren bij het gebruik van o.a. genetisch gemodificeerde micro-organismen? Hoe wil de Europese Food Safety Authority (EFSA) inspelen op nieuwe ontwikkelingen? Onderstaand artikel brengt duiding.
Synthetische biologie is een interdisciplinair veld op het snijvlak van moleculaire engineering en biologie. Het is gericht op het ontwikkelen van nieuwe biologische systemen en het geven van nieuwe functies aan levende cellen, weefsels en organismen. Met synthetische biologie worden cellen of delen daarvan ontworpen of gewijzigd. Hierbij maken synthetisch biologen veel gebruik van genetische modificatie. In sommige gevallen gaan de onderzoekers zelfs verder: ze bouwen en ontwerpen zelf het DNA dat ze willen gebruiken. Zo kunnen ze bepaalde functies aan cellen toewijzen, veranderen of verbeteren.
Bij productie met behulp van synthetische biologie (SynBio producten) kunnen een grote verscheidenheid aan micro-organismen gebruikt worden (bacteriën, schimmels, virussen, bacteriofagen en micro-algen), net als een hele spectrum van productietechnieken. Dit maakt het lastig nu al een compleet overzicht te hebben van mogelijke nieuwe gevaren. Een aantal nieuwe gevaren zijn te benoemen. Bijvoorbeeld de aanwezigheid van ongebruikelijke en/of ‘new-to-nature’ componenten (bijv. xenobiotisch nucleïnezuur (XNA), xenoproteïnen). Ook de stabiliteit en de mogelijke afbraak tot schadelijke componenten zijn belangrijke aspecten. Mogelijk veroorzaken de nieuwe componenten en/of hun afbraakproducten allergische reacties, een onevenwichtige voeding (door de biologische beschikbaarheid te veranderen) en hebben zij een nadelig effect het microbioom. Een grondige gevarenanalyse per ontwikkeling is dus noodzakelijk.
Microbioom: In en op ons lichaam bevinden zich veel micro-organismen, zoals bacteriën, virussen en gisten. Gezamenlijk worden deze micro-organismen het microbioom genoemd.
Novel foods: worden gedefinieerd als levensmiddelen die vóór 15 mei 1997, toen de eerste Europese Verordening inzake nieuwe voedingsmiddelen in werking trad, niet in significante mate door de mens in de EU werden geconsumeerd.
EFSA: Toelatingsprocedure
SynBio micro-organismen hebben potentiële toepassingen in de agri-food sector waarvoor in de EU een pre-market autorisatie vereist is. Dat betekent dat een risicobeoordeling moet worden uitgevoerd door de EFSA (en het bedrijf dat het product op de markt brengt) vóórdat een product op de markt gebracht mag worden. Afhankelijk van de toepassing van het nieuwe product kan het gaan over een beoordeling zoals al bestaat voor bijvoorbeeld voederadditieven, novel foods, levensmiddelenadditieven of gewasbeschermingsmiddelen.
De huidige procedures voor de toelating op de markt omvatten onder andere een nutritionele beoordeling, een beoordeling van het productieproces, de toxiciteit en allergeniciteit. Er worden berekeningen uitgevoerd over de blootstelling en daarnaast worden beoordelingen uitgevoerd nadat een product op de markt is (post-market).
Ook al wordt de huidige werkwijze voor autorisatie in het algemeen als adequaat gezien, toch heeft de EFSA in haar evaluatierapport over de risicobeoordeling van SynBio micro-organismen (in of als levensmiddelen of diervoeders) een hele rij aanbevelingen. Om een goede risicobeoordeling te kunnen uitvoeren van SynBio producten zijn volgens de EFSA aanvullende richtlijnen nodig. Bijvoorbeeld richtlijnen ten aanzien van het productieproces van bacteriofagen en micro-algen en de invloed van bacteriofagen op het microbioom in de darmen. Ook zijn nieuwe tools nodig voor de risicobeoordeling. Bijvoorbeeld voor het evalueren van de allergeniciteit van ‘new-to-nature’ eiwitten of voor de interpretatie van onderzoek naar de verstoring van het darm microbioom. Duidelijk is dat de EFSA een verbetering van de huidige risicobeoordeling van SynBio micro-organismen nodig vindt om voorbereid te zijn voor de toekomst.
Graag blikken even terug op 2022 en bekijken we de recalls die afgelopen jaar in Nederland en België hebben plaatsgevonden. Hoeveel recalls hebben er zich voorgedaan in Nederland en België in het jaar 2022? Wat zijn de meest voorkomende oorzaken en wat zijn de grootste verschillen en overeenkomsten tussen beide landen? Dit analyseren we voor je in onderstaand artikel.
Recalls worden ingedeeld in 5 groepen nl. microbiologische recalls, chemische, fysische en recalls met betrekking tot allergenen en andere gevaren ( overige). Deze groepen zijn gebaseerd op type gevaar waarvoor de recall is geïnitieerd.
In Nederland kwamen in 2022 134 recalls voor, in België waren dit er 240. Dit is iets lager dan in voorgaande jaren. In 2020 had Nederland 150 recalls, België 259. In 2021 waren in Nederland 215 recalls en in België 500 recalls. Het hogere aantal in 2021 komt doordat er veel recalls plaatsvonden met betrekking tot ethyleenoxide. In Nederland houdt de NVWA alle recalls bij voor levensmiddelen en in België doet de FAVV dit. Kijkend naar het aantal recalls in Nederland en België in 2022, valt het op dat er in België bijna 2x zoveel recalls uitgevoerd zijn ten opzichte van Nederland. In België zijn de meeste recalls gerelateerd aan chemische en microbiologische gevaren, in Nederland zijn allergenen en micro-organismen het vaakst de aanleiding voor een recall.
In België is het sinds 14 november 2003 verplicht om alle producten te melden die mogelijk schadelijk zijn voor de gezondheid. Dit geldt niet alleen voor de bedrijven, maar ook voor (commerciële) laboratoria. Zo’n melding kan bijvoorbeeld gaan om het aantal ziekmakende micro-organismen wat is gevonden. Een melding is overigens niet verplicht als het product zich nog steeds in het bedrijf bevindt en corrigerende maatregelen kunnen genomen worden ter eliminatie of ter voldoende reductie van het gevaar (vb.: sterilisatie of pasteurisatie bij overschrijding van de microbiologische normen). In Nederland hebben (commerciële) laboratoria geen meldplicht. Het verschil in meldingsplicht heeft zeer waarschijnlijk invloed op het aantal meldingen en daarmee het aantal recalls. Waarschijnlijk gaat een meldplicht voor laboratoria komend jaar ook in Nederland verplicht worden.
Kijkend naar de chemische recalls in Nederland en België, zijn een paar verschillen te benoemen. In Nederland zijn in 2022 13 chemische recalls uitgevoerd ten opzichte van 88 recalls in België. Het grote verschil wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de meldplicht die al eerder besproken werd. De meldingen in België zijn voornamelijk gericht op een te hoog gehalte chloorpyrifos en aflatoxine B1. Chloorpyrifos, een gewasbeschermingsmiddel, kwam vooral voor bij rozijnen en gedroogde bonen. Aflatoxine B1 kwam vooral voor bij verschillende soorten granen. In Nederland gingen de recalls voornamelijk over ethyleenoxide en 2-chloorethanol (2CE).
Fysische recalls kwamen het minst voor. Er waren in Nederland in 2022 22 recalls, in België 30 recalls. In België werden voornamelijk recalls uitgevoerd door metaal en glassplinters in het product. In Nederland gingen de meldingen om metaal en plastic die gevonden werden in de voedingsmiddelen.
In Nederland werden er 45 recalls gemeld die met allergenen te maken hadden in vergelijking met 3 in België. In Nederland gaan bijna alle meldingen over het niet vermelden van allergenen op het etiket. Het zijn voornamelijk noten en soja die niet vermeld worden, terwijl zij wel in het product zitten. In België gaan de 3 meldingen over ei wat niet op het etiket is vermeld.
Al met al kunnen we zeggen dat in 2022 weer een hele hoop producten terug werden geroepen. Kijkend naar België en Nederland komen de recalls vaak overeen. Dit komt doordat de recalls tegelijkertijd in België en Nederland werden uitgevoerd. We kunnen concluderen dat;
Terugkijkend op 2022 zijn bovenstaande punten opgevallen en is het voor de retailer en producent weer een mooie uitdaging om in 2023 het plaatsvinden van recalls verder tot een minimum te beperken.
Wanneer er in een product een probleem is met groei van een micro-organisme gedurende de houdbaarheidstermijn, kan het relevant zijn om additieven toe te voegen die een remmend werking hebben op de groei van micro-organismen. Door het gebruik van de juiste additieven kan de houdbaarheid van een product verlengd worden. Waar moet je op letten bij het toevoegen van additieven? Je leest het in dit artikel.
Additieven zijn stoffen die bewust aan voedingsmiddelen worden toegevoegd om een bepaald technologisch doel te behalen. Een voorbeeld van additieven is de groep conserveermiddelen. Regelgeving omtrent het gebruik van conserveermiddelen is vastgelegd in Verordening (EG) Nr. 1333/2008. Daarnaast heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) het ‘Handboek additieven voor levensmiddelenfabrikanten’ gepubliceerd.
Om het juiste additief te kiezen, is het belangrijk om eerst na te gaan welk organisme de beperkende factor is. Middelen die remmend werken voor bacteriën, zijn namelijk niet altijd geschikt voor het tegengaan van schimmelgroei of de ontwikkeling van gisten. In Verordening (EG) Nr. 1333/2008 zijn 27 functionele klassen van levensmiddelen additieven vastgesteld. Eén hiervan zijn conserveermiddelen, deze “verlengen de houdbaarheid van levensmiddelen door ze te beschermen tegen bederf door micro-organismen”. Gewoonlijk worden conserveermiddelen in lage dosis (<1%) toegevoegd. Het is niet de bedoeling om met de toevoeging van conserveermiddelen “slechte” producten te corrigeren. Verordening (EG) Nr. 1333/2008 beschrijft namelijk dat de te gebruiken hoeveelheid moet worden vastgesteld op de kleinste hoeveelheid die nodig is om het gewenste effect te bereiken.
Voorbeelden en mogelijke toepassingen van conserveermiddelen zijn:
De groei van micro-organismen kan, afhankelijk van het soort micro-organisme, ook geremd worden door verlaging van de pH. Voor het verlagen en stabiliseren van de pH kan gebruik worden gemaakt van voedingszuren en/of zuurteregelaars. Naast het verlagen van de pH kunnen zij het levensmiddel een zure smaak geven. Citroenzuur wordt bijvoorbeeld in veel verschillende productcategorieën toegepast. Ook het combineren van zuurteregelaars/voedingszuren en conserveermiddelen is een mogelijkheid.
Hierbij is wel vereist dat de consument niet wordt misleid. NVWA noemt in het ‘Handboek additieven voor levensmiddelenfabrikanten’ het voorbeeld dat antioxidanten die in dusdanige hoeveelheden worden toegevoegd dat ze een conserverende werking hebben, als ‘conserveermiddel’ op het etiket vermeld moeten worden.
Naast het toevoegen van additieven aan de receptuur, zijn soms andere oplossingen mogelijk om groei van micro-organismen tegen te gaan. Wellicht kan het proces verbeterd worden door een eliminerende stap toe te voegen, zoals napasteurisatie. Een andere optie is de samenstelling van het product te wijzigingen waardoor het een minder gunstige voedingsbodem is voor uitgroei van micro-organismen. Denk hiervoor aan het verder indrogen van een product waardoor de Aw verlaagd wordt of het verlagen van de pH (zie hierboven).
Bij de keuze van additieven is de daarnaast de pH van het product zelf belangrijk. Bepaalde additieven, zoals de organische zuren, zijn namelijk alleen werkzaam bij de juiste zuurgraad. Pas je een receptuur aan en wijzigt daardoor de pH van het product, bekijk dan ook of de gebruikte additieven nog wel afdoende werken.
Welke additieven wanneer zijn toegelaten en in welke concentratie staat in Verordening (EG) Nr. 1333/2008. In bijlage II Deel E is een lijst opgenomen van alle in de Europese Unie toegestane levensmiddelenadditieven en de voorwaarden voor gebruik in verschillende levensmiddelencategorieën. Mogelijke hulpmiddelen bij het bepalen welk additief in welke hoeveelheid gebruikt mag worden zijn de additievenwijzer van de NVWA en de additieven database opgezet door de Europese Unie.
Nutri-Score is het vrijwillige voedsellogo dat is opgesteld om consumenten te helpen gezondere keuzes te maken. Het logo is in sommige landen binnen de EU al officieel ingevoerd. In Nederland word het nu op kleine schaal gevoerd voor een proef met een aantal bedrijven. Het is in Nederland nog niet officieel ingevoerd, omdat de berekeningen van Nutri-Score onvoldoende in lijn zijn met aanbevelingen uit Richtlijnen Goede Voeding en de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. De berekeningen van Nutri-Score zijn inmiddels herzien. De Gezondheidsraad heeft dit aangepast algoritme eind 2022 geëvalueerd.
Nutri-Score beoordeelt producten op samenstelling door deze te vergelijken met andere producten binnen dezelfde productgroep. Een product krijgt een score A voor de meest gezonde keuze binnen een productgroep (donkergroen) tot score E voor de minst gezonde keuze (rood). Er worden punten toegekend aan ‘gunstige’ bestanddelen in het levensmiddel: eiwitten, vezels, groente, fruit, peulvruchten en noten en aan de ‘ongunstige’ bestanddelen: calorieën, suikers, natrium en verzadigde vetzuren.
De Gezondheidsraad beschrijft in haar advies dat volledige aansluiting bij aanbevelingen uit de Richtlijnen Goede Voeding en de Schijf van Vijf niet mogelijk is vanwege verschillen in doelstellingen en systematiek. Bovendien is het niet waarschijnlijk dat er een voedselkeuzelogo komt dat wel volledig voldoet aan de aanbevelingen. Te veel afwijking of tegenstelling moet echter vermeden worden.
Het is niet wenselijk dat een product een Nutri-Score A of B krijgt, terwijl het niet voorkomt in Richtlijnen Goede Voeding of de Schijf van Vijf. Voornamelijk deze “groene scores” zijn nog niet in lijn met de voedingsaanbevelingen. Er is te veel ruimte voor toevoegingen van zout en suiker. Verder zou meer onderscheid gemaakt moeten worden tussen vezelrijke (volkoren) producten en producten met minder vezels. Momenteel krijgen bijvoorbeeld witte en zilvervlies rijst namelijk dezelfde Nutri-Score. Ook bij zachte margarine en halvarine en kaas is meer onderscheid tussen meer en minder gezonde samenstelling wenselijk.
Het herziene algoritme laat wel beter zien welke producten minder gezonde keuze zijn, zoals productgroepen sauzen, koek, gebak, snoep en chocolade. Ook is binnen deze productgroepen beter onderscheid tussen meer en minder ongezonde producten zichtbaar.
De Gezondheidsraad concludeert in haar advies dat Nutri-Score een meerwaarde heeft naast de bestaande voedingsvoorlichting. Het logo helpt consumenten om producten makkelijk met elkaar te vergelijken. Het is wel essentieel dat het algoritme wordt aangepast en de verschillen waarbij het niet goed aansluit op de voedingsaanbevelingen worden opgelost. Verder is goede uitleg van Nutri-Score belangrijk. Een gezond voedingspatroon is namelijk meer dan alleen het nuttigen van producten met een Nutri-Score A of B.
Staatssecretaris Maarten van Ooijen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft het advies van de Gezondheidsraad gedeeld met de Tweede Kamer. Het advies van de Gezondheidsraad zal worden meegenomen bij de besluitvorming over wettelijke invoering van Nutri-Score in Nederland. Naar verwachting wordt hierover begin 2023 meer bekend.
Beheersing van leveranciers is een belangrijk aspect bij de beheersing van de voedselveiligheid, kwaliteit en authenticiteit van levensmiddelen. De beheersing van leveranciers is nu beschreven in één document, informatieblad 64. Naast het hebben van een certificaat van je leverancier, zijn vaak aanvullende beheersmaatregelen nodig.
Het nieuwe informatieblad 64 is een samenvoeging van Informatieblad 64 ‘Borging van voedselveiligheid in de levensmiddelenketen met betrekking tot de gevaren verbonden aan grondstoffen’ en informatieblad 65 ‘Borging van voedselveiligheid in de levensmiddelenketen met betrekking tot de gevaren verbonden aan inkoop van consumptie gerede producten’. In de blog ‘Nieuwe versie NVWA Informatieblad 64’ staan de beheersmaatregelen die door de NVWA geaccepteerd worden bij de beheersing van leveranciers. In het artikel ‘Update samenvoegen informatieblad 64 en 65’ worden de belangrijkste wijzigingen in het document puntsgewijs beschreven.
Een aantal bedrijven heeft opmerkingen gehad van de NVWA over de onvoldoende beheersing van hun leveranciers; overigens (deels) al voor het nieuwe informatieblad 64 gepubliceerd werd. Alhoewel de werkwijze ten aanzien van leveranciersbeheersing zoals opgenomen in de oude informatiebladen 64 en 65 niet wezenlijk verandert is, is een belangrijk punt explicieter benoemd in het nieuwe informatieblad 64. Als beheersmaatregel alleen een certificaat als FSSC 22000, BRCGS of IFS van de leverancier hebben, wordt niet voldoende bevonden door de NVWA omdat de borging van grondstofgevaren niet afdoende getoetst wordt. Voor de leveranciers met dergelijke kwaliteitssystemen moet een bedrijf daarom aanvullende beheersmaatregelen hebben. Bijvoorbeeld door aantoonbaar te hebben dat tijdens de audit van de leverancier wèl alle grondstoffen zijn beoordeeld en akkoord bevonden. Alternatieven zijn bijvoorbeeld het steekproefsgewijs analyseren van de grondstoffen of het auditeren van de leverancier.
Alleen als een leverancier een RiskPlaza certificaat heeft, zijn geen aanvullende beheersmaatregelen nodig volgens informatieblad 64; alle grondstofgevaren worden getoetst bij audits van dit kwaliteitssysteem. De ‘borging van grondstofgevaren van alle ingrediënten’ staat expliciet benoemd in de scope van RiskPlaza op de website ketenborging.nl. Bij alle andere kwaliteitssystemen ontbreekt deze vermelding in de scope. Toch kan het kan nuttig zijn aanvullende beheersmaatregelen te nemen voor grondstoffen van leveranciers met een RiskPlaza certificaat, op basis van de HACCP analyse kan immers blijken dat een bepaald gevaar extra aandacht behoeft.
Een nieuw informatieblad betekent dat leveranciersbeheersing de aandacht heeft van de NVWA. Het is dus belangrijk de huidige manier van leveranciersbeheersing te controleren en zo nodig aan te passen zodat je bedrijf voldoet aan het nieuwe informatieblad 64.
Komend jaar gaan diverse kwaliteitsstandaarden wijzigen. Wat zijn de te verwachten wijzigingen in 2023? En wat zijn de belangrijkste aandachtspunten? Een overzicht met de nu voorziene wijzigingen in 2023.
De genoemde belangrijkste reden voor aanpassingen van de kwaliteitsstandaarden is het beter aansluiten op de internationaal gebruikte normen zoals Code of Practise van de Codex Alimentarius of andere ISO normen. Bovendien wil men inspelen op relevante ontwikkeling en opmerkingen van belanghebbenden.
De definitieve versie van BRCGS Food versie 9 is in augustus 2022 gepubliceerd. Met de actualisatie wil BRCGS aansluiten op de nieuwste trends en activiteiten in de branche, praktische ervaringen en best practices uit de branche. Vanaf 1 februari 2023 starten de audits volgens de nieuwe norm. De belangrijkste wijzigingen zijn beschreven in de hier te lezen whitepaper.
FSSC 22000 versie 6.0 wordt meer in lijn gebracht met de in juni 2022 gepubliceerde ISO 22003-1:2022. Deze ISO norm bevat vereisten voor de audit en certificering van een voedselveiligheidsbeheersysteem (FSMS) dat voldoet aan de vereisten van ISO 22000 (of andere gespecificeerde FSMS-vereisten). Ook continue verbetering van de standaard is een aanleiding.
De definitieve versie 8 van de standaard is nog niet gepubliceerd. Wijzigingen werden doorgevoerd naar aanleiding van de update van de General Principles of Food Hygiene (CXC 1-1969, rev. 2020) van de Codex Alimentarius in november 2020, de nieuwe ISO 22003-2 standaard voor product en proces standaarden en feedback van belanghebbenden. De definitieve versie van IFS Food Safety versie 8 zal naar verwachting het eerste kwartaal van 2023 gepubliceerd gaan worden.
IFS heeft aangekondigd dat zij gestart is met de evaluatie van de IFS Broker versie 3.1.Een tijdspad is nog niet gegeven, maar aannemelijk lijkt dat de draft het komende jaar zal verschijnen.
De overgangsfase naar de nieuwe versie GMP+ 2020 norm loopt door tot 1 september 2024. Informatie over de wijzigingen is te vinden in het artikel GMP+ Feed Certification scheme 2020. De documenten behorende bij het kwaliteitssysteem kunnen elk een verschillend versienummer (= uitgiftedatum) hebben.
De Integrated Farm Assurance (IFA) versie 6 is gepubliceerd in september 2022.
Er zijn twee edities van IFA versie 6:
Vanaf 1 januari 2024 wordt IFA versie 6 verplicht. Informatie over de wijzigingen zijn te vinden op de website van Global GAP en zijn samengevat in dit document.
Tegelijkertijd met IFA 6 is GRASP versie 2 gepubliceerd, die de huidige versie 1.3-1-i gaat vervangen.
In november 2022 is daarnaast de GlobalG.A.P. Chain of Custody versie 6.1 uitgebracht. Deze versie is een verduidelijking van versie 6. Wanneer deze versie ingevoerd gaat worden is nog niet gepubliceerd.
In dit artikel is een aantal wijzigingen op een rijtje gezet die per 1 januari 2023 ingaan. Het betreft diverse wijzigingen, over de vereisten over GlobalG.A.P. CoC, informatie te vermelden op etiketten (houdbaarheidsdatum, veiligheidswaarschuwing voor pluimveevlees en vervanging van zonnebloemolie), normen voor verontreinigingen in levensmiddelen en de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor verpakkingen.
Vanaf 1 januari 2023 moeten de volgende bedrijven een geldige CoC-certificering hebben:
Zie ook het artikel GLOBALG.A.P. Chain of Custody vaker vereist en informatie op de website van GlobalG.A.P.
Sinds de tekorten aan zonnebloemolie op de markt als gevolg van de oorlog in Oekraïne, springt de NVWA met coulance om ten aanzien van de etikettering van producten waarbij zonnebloemolie is vervangen. Als een vervangende olie gebruikt wordt in plaats van zonnebloemolie, moeten vanaf 1 januari 2023 alle etiketten weer geheel kloppen. Dus met de juiste ingrediënten en voedingswaarden. Lees meer in het artikel Tijdelijk geen handhaving NVWA tekort zonnebloemolie.
Diverse maximumgehalten in verordening (EG) nr. 1881/2006 zijn aangepast of nieuw en gaan per 1 januari in. Het betreft normen voor:
Verwacht in 2023 zijn normen voor diverse perfluoralkylstoffen (PFAS stoffen) in bijvoorbeeld visserijproducten als tweekleppige weekdieren. In de toekomst worden voor ham en kaas maxima verwacht voor het gehalte ochratoxine A, mede afhankelijk van monitoringsresultaten.
Met het ‘Besluit regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid‘ geeft Nederland ten aanzien van verpakkingsmaterialen invulling aan het zogenaamde EU-afvalpakket. De regels gelden voor producenten van verpakte producten en importeurs van verpakte producten die het verpakte product als eerste op de Nederlandse markt brengt. Lees meer in het artikel: Verpakkingen: uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
Het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen wordt geactualiseerd op twee punten:
Naschrift: op 28 november 2022 is via de Staatscourant de wijziging van het Warenwetbesluit officieel gepubliceerd. Het waarschuwingsetiket wordt aan de bijlage van het besluit toegevoegd.
De informatiebladen 64 en 65 die gaan over de beheersing van relevante gevaren van leveranciers zijn onlangs door de NVWA samengevoegd. Op 17 november is de definitieve versie gepubliceerd van informatieblad 64. Hiermee is informatieblad 65 vervallen. Wat zijn de wijzigingen?
De NVWA heeft Informatieblad 64 ‘Borging van voedselveiligheid in de levensmiddelenketen met betrekking tot de gevaren verbonden aan grondstoffen’ en informatieblad 65 ‘Borging van voedselveiligheid in de levensmiddelenketen met betrekking tot de gevaren verbonden aan inkoop van consumptie gerede producten’ samengevoegd tot een nieuwe versie van Informatieblad 64. De nieuwe titel is ‘Beheersing van relevante gevaren verbonden aan de inkoop van levensmiddelen (inclusief grondstoffen) in het kader van HACCP’. Samenvoegen heeft er voor gezorgd dat op één plek alle informatie ten aanzien van leveranciersbeheersing te vinden is.
Naast het samenvoegen zijn een aantal wijzigingen aangebracht, onder andere:
Andere handboeken die op de NVWA-website zijn gepubliceerd in 2020 – 2022 zijn handboeken over etikettering van levensmiddelen; voedings- en gezondheidsclaims; voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen en kruidenpreparaten; additieven voor levensmiddelenfabrikanten; regelgeving voeding voor specifieke groepen; nieuwe voedingsmiddelen.