Dit is een premiumartikel. Premiumartikelen maken deel uit van het Normec Foodcare Kenniscentrum abonnement. Alle kennis en ervaring vanuit elke expertise komt samen in de Kennisbank. Je vindt hier alle relevante informatie over diverse productgroepen en wetgeving. Benieuwd? Lees wat het Normec Foodcare Kenniscentrum jou kan bieden.
Wet- en regelgeving is ook op Europees vlak voortdurend onderhevig aan verandering. In dit artikel vind je een aantal veranderingen die je mag verwachten in 2024.
Voor verordening (EG) nr. 853/2004 ligt een voorstel voor wijziging van bijlagen II en III. Dit met als achterliggende gedachte om:
Ook wordt de kans gezien om bepaalde eisen te verduidelijken die zijn vastgesteld in bijlagen II en III om dubbelzinnigheid te voorkomen, met name wat betreft:
Geplande goedkeuringsdatum datum is vierde kwartaal 2023.
Vitaminen en mineralen in levensmiddelen en voedingssupplementen zijn belangrijk voor de gezondheid. Sommige zijn echter schadelijk als ze in grote hoeveelheden worden ingenomen. Bij dit initiatief gaat het om de vaststelling van:
Geplande goedkeuringsdatum is het eerste kwartaal van 2024.
Lees er hier verder over. “Eenduidige aanvaardbare bovengrens vitaminen en mineralen voor de EU.”
Het EU-voedselveiligheidsbeleid stelt eisen aan materialen die met levensmiddelen in contact komen (zoals voedselverpakkingen, keuken- en tafelgerei, en apparatuur voor de verwerking van levensmiddelen).
Deze eisen worden nu geactualiseerd om:
Deze wijziging is reeds gepubliceerd, producenten van verpakkingsmateriaal die de betrokken stoffen gebruiken moeten hiermee in orde zijn tegen 01 februari 2025.
Lees er hier verder over: “Aandachtspunten bij wijzigingen in de kunststofverordening”
Dit initiatief verbiedt het gebruik van BPA in materialen die met levensmiddelen in contact komen, waaronder kunststof en gecoate verpakkingen. Aanleiding is de publicatie van het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, waarin wordt gewezen op een punt van zorg voor de menselijke gezondheid.
De maatregel zal ook:
Geplande goedkeuringsdatum is het eerste kwartaal van 2024.
Lees er hier verder over: “Nieuwe wetgeving voor BPA in voedselcontactmaterialen”
De Europese Commissie komt met een voorstel om lidstaten te verplichten om de voedselverspilling te verminderen. Het weggooien van voedingsmiddelen moet in de verwerking en productie met 10% afnemen voor 2030. Ook bij consumenten en Retail moet de voedselverspilling afnemen met 30% (per hoofd van de bevolking), in vergelijking met 2020. De Commissie wil dat er wettelijke, bindende doelstellingen komen om voedselverspilling in te perken. Hiermee hoopt ze dat voedselverspilling in alle lidstaten daadwerkelijk afneemt. Het voorstel van de Europese unie is op 5 juli 2023 aangenomen. Het is aan de lidstaten om hier zelf een invulling aan te geven. Nederland en België waren hier reeds vooruitstrevend mee aan de slag.
Zo heeft Nederland de ‘Theory of change’ met een versnellingsagenda gepubliceerd en geeft daarin aan dat in 2025 de opschalingsfase volop in gang dient te zijn. Deze fase houdt in:
Vlaanderen heeft het Actieplan voedselverlies en biomassareststromen circulair 2021-2025 lopende. Hierin wordt gewerkt aan concrete acties in drie kringlopen, waarvan de eerste kringloop volledig inspeelt op voedselverlies en voedselreststromen. Het stelt een beleid voor de periode 2021-2025 voor, voor het inperken van voedselverlies en het circulair inzetten van biomassa en biomassareststromen. Het actieplan focust op drie kringlopen:
Er staan drie krachtlijnen centraal welke de basis vormen van het beheer van elke kringloop.
Meer preventie, minder verlies; oa. Samenwerking binnen productieketens stimuleren, Vanuit de keten voedselverlies terugdringen bij de consument, Sociaal circulair ondernemen opschalen, Start-ups rond voedselverlies ondersteunen, Thuiskringlopen stimuleren.
Beter sorteren en inzamelen; Selectieve inzameling van keuken- en levensmiddelenafval bij bedrijven verbeteren.
Meer hoogwaardige valorisatie; De circulariteit en duurzaamheid van de recyclagemarkt verhogen en de toegevoegde waarde van de afzetmarkt verhogen.
De doelstellingen van dit Actieplan voor eind 2023, 2025 en 2030 zijn gebaseerd op:
Het streven is om de hele keten 30 % van de voedselverliezen te laten voorkomen, herverwerken als voedsel of hoogwaardiger valoriseren ten opzichte van 2015. Dit kan o.a. door:
Reststromen uit groen-, natuur-, bos- en landschapsbeheer en houtreststomen worden optimaal gemobiliseerd en hoogwaardig gevaloriseerd.
Door dit initiatief worden bedrijven verplicht om beweringen over de ecologische voetafdruk van hun producten/diensten te onderbouwen aan de hand van standaardmethoden. Hierdoor moeten dergelijke beweringen in de hele EU betrouwbaar, vergelijkbaar en controleerbaar worden en wordt “greenwashing” (onterecht een milieuvriendelijk imago uitdragen) bestreden. Zo kunnen commerciële afnemers en investeerders duurzamere keuzes maken en zal het consumentenvertrouwen in groene keurmerken en de informatie hierover toenemen. Het advies is uitgebracht door de Europese commissie, een geplande goedkeuringsdatum is er tot op heden nog niet.
Lees er hier verder over: “Betrouwbaarheid van milieuclaims en gevaar voor greenwashing”
Je las een premiumartikel van het Normec Foodcare Kenniscentrum. Smaakt het naar meer? Bekijk dan de mogelijkheden van het Kenniscentrum abonnement. Hiermee heb je direct toegang tot alle kennis.
Wil je levensmiddelen exporteren naar het Verenigd Koninkrijk (VK)? Dan heb je te maken met nieuwe regels. Deze zijn vastgelegd in het Border Operating Model (BOM). De Britse overheid wil de nieuwe importregels in drie fasen introduceren. Fase 1 en 2 zijn ondertussen in werking getreden. Fase 3, welke voorzien was voor juli 2022, is uitgesteld. Dit heeft momenteel geen invloed op de huidige regels welke gelden vanuit fase 1 en 2. Met welke data en regels moet je rekening houden? En waar vind je aanvullende informatie per productgroep? Je leest het in dit artikel.
De volgende drie fasen zijn opgenomen in het Border Operating Model:
In april 2022 besloot de Britse regering fase 3 niet tot uitvoering te brengen. In plaats daarvan is er samen met de industrie gewerkt aan een nieuw model. Dit nieuwe ‘Border Target Operating Model’ (TOM) is opgesteld in de vorm van een ‘Draft for Feedback’ voor de stakeholders. Het termijn voor feedback liep tot mei 2023. Vanuit de draft en de feedback is in augustus 2023 het definitieve plan opgesteld welke van toepassing gaat zijn op invoer uit alle landen in GB. In dit plan wordt aangegeven dat men probeert een evenwicht te vinden tussen noodzaak en efficiëntie van grenscontroles en het ondersteunen van bedrijven met zo eenvoudig mogelijke importprocessen. Alle maatregelen worden genomen, rekening houdend met het streven om ’s werelds meest effectieve grenscontroles te hebben tegen 2025 (2025 UK border strategy). Digitalisering zal hier een grote rol gaan spelen.
De Nederlandse en Vlaamse overheid lichten het definitieve plan toe op hun websites.
De verschillende voorgestelde fases van dit Border Target Operating Model zijn:
Informatie over de grenscontroles worden rond de invoeringsdata bekendgemaakt op de NVWA-website en de website van de Britse overheid.
Houd steeds rekening met de mogelijke aanvullingen die binnenkort ingevoerd zullen gaan worden in het kader van de ‘Border Target Operating Model’ oftewel de hernieuwde fase 3.
Voorbeelden van samengestelde producten zijn lasagne, pizza tonijn of crème likeur. Ook in deze productgroep is een aantal producten uitgesloten van prenotificatie en het gezondheidscertificaat. De producten moeten wel via een grenscontrolepost (BCP) het VK binnenkomen en voorzien zijn van een commercieel document.
Het stappenplan voor het aanvragen van exportcertificaten voor producten van dierlijke oorsprong is te vinden op de website van de NVWA en Flanders trade en FAVV.
Verpakkingshout (pallets, houten kratten, kisten, etc.) moet sinds 1 januari 2021 voldoen aan de internationale standaard ISPM 15 ‘Guidelines for regulating wood packaging material in international trade’. Verpakkingshout dient bij import behandeld en gemarkeerd te zijn conform ISPM 15. Hiermee wordt de introductie van schadelijke organismen (zoals de Aziatische boktor) zoveel mogelijk voorkomen.
Rubber wordt veelvuldig toegepast in de levensmiddelenindustrie en maakt daarbij vaak voor een korte of langere tijd contact met levensmiddelen. Denk aan lopende banden, slangen, afdicht sealen, opslagcontainers, elastiekjes om groente samen te houden of (wegwerp) handschoenen en schorten.
Voor contactmaterialen zijn er nationale en Europese richtlijnen welke overzichtelijk gemaakt worden bij het Belgische FAVV en het Nederlandse RIVM. Verder is het goed om te weten dat het Duitse BfR (Duitse Federale Instituut voor Risicobeoordeling) in een gratis database aanbevelingen publiceert voor contactmaterialen die niet onderhevig zijn aan deze wettelijke bepalingen.
De “BfR-database” wordt onderhouden door het Duitse Federaal Instituut voor Risicobeoordeling (BfR), in het Duits bekend als het “Bundesinstitut für Risikobewertung”. De BfR is een overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor het beoordelen en beheren van risico’s in verband met levensmiddelen, chemicaliën en verschillende consumentenproducten om de volksgezondheid en het milieu te beschermen. Ze geven wetenschappelijke beoordelingen en aanbevelingen aan regelgevende instanties in Duitsland.
Deze databank bevat dus informatie met betrekking tot voedselveiligheid, chemische veiligheid en verschillende risicobeoordelingen bijvoorbeeld gegevens over verontreinigingen in voedsel, chemische stoffen, additieven, pesticiden en meer.
BfR aanbevelingen zijn niet wettelijk bindend, maar worden door de industrie in de hele Europese Unie algemeen gerespecteerd. Het is dan ook nuttig deze te raadplegen ook al produceer je geen producten die bestemd zijn voor de Duitse markt.
De aanbevelingen zijn ingedeeld volgens het type materiaal. In de database vind je de betrokken en geldende Europese wetgeving én de door het BfR opgestelde aanbevelingen. Het betreft o.a. onderzoekmethoden en –resultaten. Deze worden toegelicht en mogelijkheden en restricties worden aangegeven. Deze aanbevelingen geven je dus richtlijnen van hoe je per type materiaal kan testen en valideren of deze al dan niet geschikt zijn om in contact te komen met levensmiddelen.
De informatie in de databank wordt regelmatig aangepast en geactualiseerd.
BfR maken een onderscheid tussen verschillende soorten rubber. Op deze soortenindeling baseren zij de huidige 3 aanbevelingen:
Voor de verschillende soortenindeling houdt men vervolgens rekening met de indeling van 4 categorieën op basis van de contacttijd met levensmiddelen.
De BfR-aanbevelingen XXI/1 en XXI/2 bevatten beide
Belangrijk om te weten is dat de stoffen uit tabel 2 zullen worden geschrapt, tenzij men hiervoor vóór 1 juli 2023 bij het BfR een verklaring van belang voor het voortzetten van het gebruik van de betreffende stoffen had ingediend. De volgende stap is het indienen van een verzoekschrift voor die stoffen bij het BfR om ze in de aanbevelingen te houden. Dit met een deadline van 1 juli 2026.
Wil je meer weten over contactmaterialen of deze BfR aanbevelingen, check dan zeker ook volgende info:
Met de groeiende wereldbevolking en de toenemende welvaart zal de vraag naar eiwitten en eiwitrijke producten in de komende jaren blijven stijgen. Statistieken geven aan dat de voedselproductie tot wel 70% zal moeten stijgen tot het jaar 2050. Met de traditionele eiwitbronnen zal dit geen haalbare kaart blijven.
Momenteel beslaat ongeveer 63% van de eiwitten in onze voeding in Noordwest-Europa van dierlijke oorsprong (onder andere vlees, vis, zuivel) en 37% van plantaardige oorsprong. Een verhouding van 50:50 wordt algemeen gezien als een meer wenselijke situatie. Eiwittransitie is de overgang van traditionele eiwitbronnen, zoals zuivel, vlees en soja, naar alternatieve bronnen, zoals eiwit uit landbouwgewassen, aquacultuur of insecten.
In 2018 heeft de Europese Unie de lidstaten opgeroepen om meer in de eigen behoefte aan plantaardig eiwit te voorzien en minder afhankelijk te worden van de import van bijvoorbeeld soja en te werken aan duurzaamheid binnen deze doelstellingen. Het is aan de hele voeding gerelateerde keten om een invulling te geven aan enerzijds een verschuiving naar minder voeding afkomstig van dierlijke productie (zoals vlees, zuivel en eieren), maar anderzijds ook een dierlijke productie die op duurzamere manieren gevoed wordt. Deze doelstellingen samen met aantrekkelijke productontwikkelingen moet de consument stimuleren om de transitie te willen maken. Vanuit Nederlandse en Vlaamse overheid wordt de oproep van de Europese Unie beantwoord.
Nederland presenteerde in 2021 de Nationale Eiwitstrategie (NES). In deze strategie wordt het doel gepresenteerd om in de komende vijf tot tien jaar de zelfvoorzieningsgraad van nieuwe en plantaardige eiwitten aanzienlijk te vergroten en deze eiwitten op een veel duurzamere manier te produceren.
Innoverende agrariërs zijn een deel van de oplossing en ook studenten en professionals worden opgeleid om de eiwittransitie in goede banen te leiden. Er zijn tal van opleidingen die hier op diverse gebieden aan werken. Naast diverse masteropleidingen zijn er veel hbo-opleidingen, waarbij er ook veel aandacht is voor (het ontwikkelen van) nieuwe voedingsproducten. Ook zijn er onderwijsinstellingen die cursussen aan professionals aanbieden om zich (bij) te scholen op het gebied van de eiwittransitie.
Concreet zijn er projecten met het op Nederlandse bodem telen van soja voor veevoeder en alternatieve zuiveltoepassingen en er worden projecten gelanceerd voor alternatieve eiwitbronnen zoals het kweken van algen en eendenkroos als nieuwe groente en eiwitproductie door schimmels. Zo is er in Nederland de organisatie Transitie coalitie Voeding (TcV) opgericht waar eiwittransitie één van de pijlers is. Daar worden meerdere projecten toegelicht.
Vlaanderen heeft een roadmap naar eiwittransitie beschreven in 7 concepten, die uitgewerkt worden via een aaneenschakeling van onderzoeks- en innovatieprojecten op een tijdshorizon van 10 jaar die beogen de eiwittransitie in Vlaanderen te kunnen versnellen. De invulling is erop gericht dat de verschuiving een verduurzaming inhoudt, en nutritioneel verantwoord is. De economische haalbaarheid is ook essentieel hierbij, daarom richt de overheid zich op de Vlaamse voedingsindustrie als innovatieve en exportgerichte speler in de wereld welke door zijn kwalitatief aanbod een naam krijgt als koploper op dit gebied.
In België heeft het FAVV een nieuwe versie uitgebracht van de Omzendbrief “Listeria monocytogenes in kaas (al dan niet) op de hoeve geproduceerd”. Men heeft hier de beheersing van rauwmelkse boter aan toegevoegd. Dit naar aanleiding van het advies van maart 2022 van het Wetenschappelijk Comité over het groeipotentieel van Listeria in rauwmelkse boter. Het advies heeft met name betrekking op wanneer je pH moet meten en aan welke normen dit moet voldoen.
De omzendbrief betreft de productie en het in de handel brengen van kaas op basis van rauwe of hittebehandelde melk en rauwmelkse boter in de sectorverwerking van melk op de hoeve (operatoren met een toelating of een erkenning). Let er wel op dat in het toepassingsgebied van de omzendbrief wordt aangegeven dat het zich niet beperkt tot de hoeve. Deze omzendbrief kan ook toegepast worden door operatoren die melk verwerken in een niet-hoeve gebonden inrichting (operatoren met een toelating of een erkenning).
In de omzendbrief wordt verduidelijkt wanneer de rauwmelkse kaas valt onder wel of geen voedingsbodem voor Listeria, hoe je hier achter komt en wat de vervolgacties zijn. Specifiek wordt ook een wijziging aangegeven op het correct gebruik van de pH-meter.
Verse kazen kunnen worden ingedeeld onder de levensmiddelen die de groei van Listeria monocytogenes niet ondersteunen (zie Verordening (EG) nr. 2073/2005). De limiet van 100 cfu/g af productie kan dan worden toegepast onder de volgende voorwaarden:
Verse kazen die niet voldoen aan bovenstaande voorwaarden, vallen onder de levensmiddelen die de groei van Listeria monocytogenes ondersteunen (zie Verordening (EG) nr. 2073/2005). Dit houdt in dat de operator zelf moet aantonen of een limiet van 100 cfu/g kan worden gerespecteerd gedurende de houdbaarheid. Tenzij men de limiet van niet gedetecteerd in 25g af productie wenst te hanteren. Er dienen challengetesten te worden uitgevoerd conform omzendbrief betreffende Listeria monocytogenes in kant-en-klare levensmiddelen.
Indien er geen informatie beschikbaar is over de mogelijke groei van Listeria monocytogenes in het product, moet voldaan zijn aan de grenswaarde van “niet gedetecteerd in 25g”.
Steunend op het advies 08‐2020 van het Wetenschappelijk Comité over het groeipotentieel van Listeria monocytogenes in Belgische hoevekazen vallen de zachte en halfharde kazen in de categorie van kant-en-klare levensmiddelen die de groei van Listeria monocytogenes ondersteunen (zie Verordening (EG) nr. 2073/2005).
Dit houdt in dat de operator zelf moet aantonen of een limiet van 100 kve/g kan worden gerespecteerd gedurende de houdbaarheid. Er dienen hiervoor challengetesten te worden uitgevoerd. Zie ook omzendbrief betreffende Listeria monocytogenes in kant-en-klare levensmiddelen. Echter, zachte kazen zijn een hoog risico product voor de uitgroei van Listeria monocytogenes en verder onderzoek naar het groeipotentieel van Listeria monocytogenes in deze kazen wordt als weinig nuttig beoordeeld (cf. advies 08-2020 van het Wetenschappelijk Comité). Indien er geen informatie beschikbaar is over de mogelijke groei van Listeria monocytogenes in het product, moet voldaan zijn aan de grenswaarde van “niet gedetecteerd in 25g”.
Naar aanleiding van het advies 03-2022 van het Wetenschappelijk Comité over het groeipotentieel van Listeria monocytogenes in rauwmelkse boter geldt dat rauwmelkse boter kan worden ingedeeld onder de levensmiddelen die de groei van Listeria monocytogenes niet ondersteunen (zie Verordening (EG) nr. 2073/2005). De limiet van 100 cfu/g kan worden toegepast onder de volgende voorwaarden:
Om te kunnen voldoen aan bovenstaande voorwaarden is het gebruik van fermenten wellicht noodzakelijk. Fermenten moeten correct worden gebruikt volgens de voorschriften van de fabrikant (onder andere fermentatietemperatuur).
Rauwmelkse boter die niet voldoen aan bovenstaande voorwaarden, vallen onder de levensmiddelen die de groei van Listeria monocytogenes ondersteunen (zie Verordening (EG) nr. 2073/2005). Dit houdt in dat de operator zelf moet aantonen of een limiet van 100 cfu/g kan worden gerespecteerd gedurende de houdbaarheid. Er moet hiervoor challengetesten worden uitgevoerd conform omzendbrief betreffende Listeria monocytogenes in kant-en-klare levensmiddelen. Dit geldt in het bijzonder voor boter waarbij productieprocessen gehanteerd worden met weinig tot geen verzuring en/of gebaseerd op een tragere spontane fermentatie aangezien zij een potentieel hoger risico vormen voor de verdere uitgroei van Listeria monocytogenes in rauwmelkse boter.
Indien er geen informatie beschikbaar is over de mogelijke groei van Listeria monocytogenes in het product, moet voldaan zijn aan de grenswaarde “niet gedetecteerd in 25g”.
In onderstaande artikelen gaan we in op Informatieblad 85, omgevingsonderzoek, risicoanalyse en het gebruik van fagen.
Exporteer je producten naar de United States? Dan is het belangrijk dat niet enkel de producten maar ook de gebruikte verpakkingsmaterialen voldoen aan de eisen gesteld door FDA (U.S. Food and Drug Administration). In dit artikel lichten we toe aan welke eisen voedselcontactmateriaal moet voldoen volgens de FDA.
Of materiaal in contact mag komen met levensmiddelen is door de FDA over het algemeen bepaald door de specifieke regelgeving aangaande de afzonderlijke stoffen waaruit het voorwerp bestaat. De individuele stof moet onder één van de volgende zaken vallen:
Houd er rekening mee dat een FCN specifiek is voor de combinatie van (1) de fabrikant, (2) de stof die in contact komt met levensmiddelen (FCS) en (3) de gebruiksvoorwaarden die in de kennisgeving worden vermeld. Het is dus niet geldig voor een vergelijkbare of identieke stof die wordt geproduceerd of bereid door een andere fabrikant. FCN’s zijn daarom eigendom van de fabrikant.
Wanneer een product wordt geverifieerd of her-beoordeeld, moet elke autorisatie uit drie delen bestaan: de identiteit van de stof, specificaties inclusief zuiverheid of fysische eigenschappen en beperkingen op de gebruiksvoorwaarden.
Een garantieverklaring (letter of guarantee) kan aan de fabrikant gevraagd worden. Hierin wordt verklaard dat een bepaald product aanvaardbaar is voor het beoogde gebruik in contact met levensmiddelen.
De onderstaande paragrafen zijn bedoeld om daarbij te helpen. Met de links in elke sectie kun je elk onderdeel onderzoeken op autorisatiecategorie:
21 CFR 174-179 raadpleeg je om te zien of het gebruik van het bestanddeel een correct gereguleerd indirect additief is. Componenten van een voedselverpakkingsmateriaal dat wordt gebruikt in overeenstemming met een verordening in 21 CFR (174-179) behoeven geen verdere FDA-beoordeling. De meeste gereguleerde indirecte levensmiddelenadditieven zijn te vinden in de “Indirect Additive”-database van CFSAN.
21 CFR 182-186 en de lijst met GRAS-kennisgevingen raadpleeg je om te zien of het gebruik van het onderdeel algemeen erkend is als veilig (GRAS).
“GRAS” staat voor ‘algemeen erkend als veilig’. Elke stof die opzettelijk aan voedsel wordt toegevoegd is voor de FDA een levensmiddelenadditief, dat moet worden beoordeeld en goedgekeurd door de FDA voordat het op de markt wordt gebracht, tenzij de stof door gekwalificeerde deskundigen algemeen wordt erkend als zijnde veilig onder de voorwaarden van het beoogde gebruik, of tenzij het gebruik van de stof anderszins is uitgezonderd van de definitie van een levensmiddelenadditief.
Niet alle stoffen die GRAS zijn, worden vermeld in de FDA-voorschriften. De FDA heeft een procedure ingesteld waarbij iemand de FDA kan informeren over zijn eigen GRAS-bepaling.
21 CFR 181 raadpleeg je om te zien of het gebruik van het onderdeel vooraf is goedgekeurd. Eerder goedgekeurde stoffen zijn stoffen waarvan het gebruik in contact met voedsel het onderwerp is van een brief van de FDA of USDA vóór 1958 waarin geen bezwaar wordt gemaakt tegen een specifiek gebruik van een specifieke stof.
Raadpleeg de lijst met vrijstellingen voor drempelwaarden om te controleren of het bestanddeel is vrijgesteld van een petitie of een FCN als levensmiddelenadditief, omdat het een bestanddeel van voedsel wordt op niveaus die onder de drempel van de regelgeving liggen. Een stof die wordt gebruikt in een artikel dat in contact komt met levensmiddelen, kan door de FDA worden vrijgesteld van de noodzaak van een FCN of een petitie (verordening) als voedseladditief indien is aangetoond dat het gebruik in kwestie resulteert in een zeer lage concentratie (0,5 ppb). Zie “Verzoeken indienen onder 21 CFR 170.39 Threshold of Regulation for Substances Used in Food Contact Articles” voor meer informatie.
Raadpleeg de lijst met effectieve kennisgevingen voor stoffen die in contact komen met levensmiddelen. De lijst met effectieve kennisgevingen van stoffen die in contact komen met levensmiddelen, de verordening, begeleidende documenten en aanvullende informatie over het kennisgevingsprogramma staan vermeld op de webpagina over stoffen die in contact komen met levensmiddelen. Houd er rekening mee dat FCN’s eigendom zijn en dat gebruikers de stof die ze gebruiken moeten kunnen traceren tot de fabrikant waarvoor de melding van kracht is.
Als een onderdeel van het artikel dat in contact komt met voedsel niet valt onder één van de bovenstaande categorieën zijn er de volgende opties:
Soms willen personen controleren of de componenten van een bepaald voedselcontactmateriaal voldoen aan de voorschriften. In dergelijke gevallen kunnen zij een kennisgeving indienen voor een formulering van een stof die in contact komt met levensmiddelen. Het doel van een formuleringskennisgeving is om te verifiëren dat componenten van een materiaal dat in contact komt met levensmiddelen legaal mogen worden gebruikt en niet om een nieuwe stof die in contact komt met levensmiddelen toe te laten. Omdat deze kennisgevingen bedoeld zijn voor wettelijke status en niet voor veiligheidsbeoordelingen, vereisen kennisgevingen voor formuleringen niet dat de informatie ter ondersteuning van de veiligheid van het beoogde gebruik van elke stof in de formulering die met voedsel in contact komt, opnieuw moet worden ingediend. Een kennisgever van een formulering hoeft alleen een ingevuld FDA-formulier 3479 en eventuele aanvullende documentatie in te dienen om vast te stellen dat elk van de componenten van de formulering is goedgekeurd voor het beoogde gebruik. In gevallen waarin de basis voor naleving van een individuele FCS in een formulering een effectieve kennisgeving is, dient een kennisgever van de formulering vast te stellen dat hij kan vertrouwen op de vermelde kennisgeving voor het beoogde gebruik van de FCS in de formulering.
Om als foodbedrijf – voor mens en dier – te exporteren naar de United States heb je te maken met aanvullende regelgeving. In dit blog lees je hoe je voldoet aan de FDA/FSMA regelgeving.
Dit is een premiumartikel. Premiumartikelen maken deel uit van het Normec Foodcare Kenniscentrum abonnement. Alle kennis en ervaring vanuit elke expertise komt samen in de Kennisbank. Je vindt hier alle relevante informatie over diverse productgroepen en wetgeving. Benieuwd? Lees wat het Normec Foodcare Kenniscentrum jou kan bieden.
Verpakkingen spelen een belangrijke rol bij het veilig distribueren van producten in de huidige samenleving en toeleveringsketens. Met een verbruik van ongeveer 40% plastic en 50% papier in Europa is de verpakkingssector een grootverbruiker van materialen. Verpakkingen hebben veel milieueffecten, terwijl ze in het huidige bevoorradingssysteem ook een aanzienlijke kostenpost vertegenwoordigen. In dit artikel leggen we de focus op verpakkingsarme distributie. Waar liggen vanuit Europa de aandachtspunten? Welke mogelijkheden en hindernissen ervaren de industrie en retail sector? Ook doen we een greep uit initiatieven die reeds zijn geïntroduceerd.
Vanuit de Europese Commissie worden initiatieven genomen om lidstaten te motiveren om de levensmiddelenindustrie in beweging te brengen tot terugdringen van milieubelastende verpakkingsmaterialen. Zo kent het Europese Green Deal initiatief o.a. de richtlijnen rond de Single Use Plastics (SUP’s) waarbij er o.a. aangegeven wordt dat de consument op bepaalde plaatsen zijn eigen verpakking mag meenemen om te laten vullen. Ook heeft het Europees Parlement gepleit voor een verhoging van het aandeel hergebruik tot 10% in 2030.
Door de wildgroei aan labels welke te maken hebben met duurzaamheid, wordt er vanuit de EU gewerkt aan een uniform label. Er bestaat reeds een Europees ‘Eco label’, echter kan dit label niet aan een voedingsmiddel worden toegekend. Daar hoopt de EU dus binnenkort verandering in te brengen. Hierop vooruitlopend heeft bijvoorbeeld de Belgische Colruyt Group de ‘Eco score’ geïntroduceerd. Een A t/m E score wordt daarbij toegekend op basis van verschillende factoren met betrekking tot het milieu. Een van die factoren is de aan- of afwezigheid van en de duurzaamheid van verpakking.
Vlaanderen heeft het ‘Green deal anders verpakt’ initiatief. Een Green Deal met focus op preventie en hergebruik van verpakkingen. Een ruime groep deelnemers heeft zich aangemeld, van producenten als Coca-Cola en Nestlé tot retailers als Delhaize en Colruyt. Dankzij het Green Deal-instrument kunnen door de ketensamenwerking proefprojecten op grotere schaal tot stand komen.
Ook in Nederland bestaan Green Deals initiatieven, dit zijn afspraken tussen de Rijksoverheid en andere partijen. Die andere partijen zijn bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden. De Green Deal helpt om duurzame plannen uit te voeren. Bijvoorbeeld voor energie, klimaat, water, grondstoffen, biodiversiteit, mobiliteit, biobased economy, bouw en voedsel. Subsidies kunnen hiervoor aangevraagd worden.
Naast deze Green Deals hebben Nederlandse supermarkten als Jumbo en Albert Heijn zichzelf doelen gesteld om duurzamer te zijn. Zo wil Jumbo 20% minder verpakkingsmaterialen ten opzichte van 2019 en Albert Heijn wil in 2025 twintig miljoen kilo minder verpakkingsmateriaal gebruiken.
De hoeveelheid verpakkingsmateriaal is de afgelopen jaren gegroeid, onder meer veroorzaakt door vraag naar verhoogd gemak. Echter zien we wel dat een steeds breder publiek begint open te staan voor initiatieven waarbij milieueffecten beperkt worden. Dit doet vermoeden dat wanneer het juiste platvorm gecreëerd wordt voor de consument, waarbij efficiëntie, gebruiksgemak en kwaliteitsbeleving behouden blijven, de consument bereid zou zijn om over te stappen. We zien al een aantal initiatieven waarbij de consument eigen verpakking kan gebruiken. Echter blijft het tot nu toe nog vaak bij versnipperde of lokale initiatieven.
Aangezien het grote merendeel van de consumenten zich het gemak van ‘one-stop shopping’ niet meer kunnen of willen laten ontnemen, liggen er grote uitdagingen én kansen voor de retail en de toeleverende industrie om hierop in te spelen. Daarbij komt dat het een marketingtool kan zijn om in te spelen op de steeds groter wordende groep milieubewuste consumenten.
Herbruikbare verpakkingsvormen zijn van oudsher in veel toepassingen gebruikt en zijn nog steeds te vinden, zowel in B2B (kratten, pallets, etc.) als in B2C (bierflesjes, PET flessen, etc.). In de afgelopen decennia zien we echter een trend van herbruikbare verpakkingen naar eenmalig gebruik. Bijvoorbeeld in Nederland waar zuivelproducten in glazen flessen werden aangeboden en deze nu vervangen zijn door wegwerppakken.
Om deze trend te draaien zijn er, naast de systemen uit het verleden, ook weldoordachte nieuwe systemen nodig. Goed ontworpen systemen om bij te vullen of te hergebruiken kunnen met succes leiden tot materiaalbesparing. Bijvoorbeeld het bijvullen van zakjes voor wasmiddelen vertegenwoordigen in Japan 80 tot zelfs 98% van de markt voor sommige merken (Kao Group, Japan).
In de praktijk zullen de effecten afhangen van het ontwerp en de uitvoering van herbruikbare verpakkingssystemen. Overstappen op herbruikbare verpakkingen kan echter ook negatieve gevolgen hebben; door toegenomen transportbewegingen of milieubelastende productie- of schoonmaaktechnieken kan het zomaar zo zijn dat het zijn doel voorbijschiet. Gedegen onderzoek zal dus steeds nodig zijn om de haalbaarheid en duurzaamheid helder te krijgen.
De voorbeelden laten zien dat de verandering van eenmalige naar herbruikbare verpakkingen een wijziging in de toeleveringsketen kan betekenen door de introductie van retourlogistiek (behalve bijv. voor navulsystemen die gebaseerd zijn op navulsystemen door de eindverbruiker).
De retailer kan worden gezien als een trechter voor de productstroom van leverancier naar consument. Aangezien de retailer zich voor bepaalde retourstroom producten zal moeten herinrichten en hiervoor arbeid en tijd zal moeten investeren hangt de beste oplossing af van hoe de logistiek is geregeld met de leverancier en retailer locaties.
De herinrichting van de detailhandel door middel van thuisbezorging biedt nieuwe manieren van distributie en dus van verpakking.
Je las een premiumartikel van het Normec Foodcare Kenniscentrum. Smaakt het naar meer? Bekijk dan de mogelijkheden van het Kenniscentrum abonnement. Hiermee heb je direct toegang tot alle kennis.
Insecten zijn over het algemeen een goede bron van meervoudig onverzadigde vetten, eiwitten, vezels en verschillende vitaminen en mineralen. Ze vormen dan ook een interessante alternatieve eiwitbron. Volgens de FAO worden insecten als eiwitbron steeds relevanter o.a. vanwege de stijgende kosten van dierlijke eiwitten, voedselonzekerheid, druk op het klimaat, bevolkingsgroei en toenemende vraag naar eiwitten. We nemen jullie graag mee in de voordelen, de risico’s verbonden aan gebruik van deze producten en de betrokken wetgeving.
FAO geeft aan dat insecten een zeer voedzame en gezonde voedselbron zijn met een hoog vet-, eiwit-, vitamine-, vezel- en mineraalgehalte. Ze kunnen daarom als alternatieve eiwitbron worden gebruikt in een gezond en duurzaam dieet. Ook zijn er voordelen voor milieu en klimaat. Bij het kweken van insecten treedt een hoge voederconversie-efficiëntie op, er ontstaat minder uitstoot van broeikasgassen, er moet minder gebruik gemaakt worden van water en landbouwgronden en het draagt bij tot het verminderen van voedselverspilling.
Allergenen
Volgens de EFSA vormen voedselallergieën een belangrijk probleem voor de volksgezondheid (2-4% bij volwassen en tot 8-9% bij kinderen). De Europese regels omtrent etikettering hebben daarom reeds een lijst opgesteld van 14 allergene stoffen die vaak voorkomen in levensmiddelen en die duidelijk moeten worden geïdentificeerd op het label. Het betreft o.a. eieren, melk, vis, schaaldieren en glutenbevattende granen. Door extra aandacht hieraan te besteden op het label, stelt het personen met een allergie in staat de juiste producten te selecteren.
De EFSA heeft geconcludeerd dat de consumptie van insecteneiwitten mogelijk tot allergische reacties kan leiden. Het kan met name het geval zijn bij personen met reeds bestaande allergieën voor schaaldieren, huisstofmijt en in sommige gevallen weekdieren. Bovendien kunnen allergenen uit het voer (bijvoorbeeld gluten) terechtkomen in het insect dat wordt geconsumeerd. Daarom wordt bij de autorisaties van deze eiwitten vaak de voorwaarde gesteld dat er specifieke zaken op het label worden vermeld aangaande de mogelijke allergeniciteit. Dit zorgt ervoor dat ook in bedrijven die deze producten verwerken er extra maatregelen moeten worden getroffen om kruiscontaminatie te vermijden binnen het HACCP allergenenbeleid.
Microbiologische gevaren
Net als alle andere dierlijke bronnen in levensmiddelen kunnen de insecten een bron zijn van microbiologische contaminatie. De darmflora van insecten kan een grote diversiteit aan parasieten, schimmels en andere micro-organismen bevatten, waarbij zowel de kweekomgeving als de voedingsmedia een belangrijke rol spelen. Het microbiologisch profiel van een insectensoort is echter relatief uniek waardoor het niet mogelijk is om in algemeen te beschrijven welke bacteriën meer kans hebben om voor te komen. De productie van insecten als eiwitbron in levensmiddelen is ook nog relatief nieuw. Het is daarom nog niet mogelijk om insecten te kweken met een stabiele microbiële load.
Naast de variabiliteit moet er ook rekening gehouden worden dat deze insecten pathogenen zoals B.cereus, Salmonella en Campylobacter kunnen bevatten. Bedrijven die deze producten verwerken moeten dus de nodige maatregelen nemen om microbiologische gevaren te reduceren tot een veilig niveau. Hierbij is het belangrijk dat bedrijven erbij stil staan dat deze producten niet hetzelfde reageren tijdens bijvoorbeeld verhittingsstappen als andere dierlijke eiwitbronnen en er dus mogelijk intensievere programma’s nodig zijn om de microbiële load te reduceren. Meer doorgedreven testen en challenge testen kunnen nodig zijn om deze processen correct te valideren. Houd hierbij rekening dat het niet enkel om bacteriën gaat. Ook parasieten kunnen op/in de insecten aanwezig zijn.
Chemische gevaren
Er zijn hoofdzakelijk twee bronnen voor de aanwezigheid van toxische stoffen in insecten, namelijk de productie van natuurlijke toxines door bepaalde insecten in een bepaald ontwikkelingsstadium en de opname van contaminanten of fytochemicaliën o.a. via het voeder/de omgeving. Om deze gevaren te beoordelen is dus een goede kennis van de insecten zelf nodig en van de productieomstandigheden. Net als alle andere levensmiddelen dienen insecten te voldoen aan de wet- en regelgeving omtrent contaminanten ( Verordening (EU) 2023/915).
Fysische gevaren
Sommige delen van insecten worden niet verteerd door de mens en kunnen ook schade aanbrengen tijdens de consumptie. Er wordt dus vaak aangeraden om, indien voor de bepaalde insecten van toepassing, op het productetiket te vermelden dat de poten en vleugels van het insect vóór consumptie verwijderd moeten worden.
Volgens Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/2292 zijn insecten: voor menselijke consumptie bestemde levensmiddelen die bestaan uit, geïsoleerd zijn uit of vervaardigd zijn uit insecten of delen daarvan, met inbegrip van alle levensstadia van insecten, en die in voorkomend geval zijn toegelaten overeenkomstig Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad en zijn opgenomen in de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen die is vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2470 van de Commissie (“de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen”).
Volgens de Europese “novel foods” Verordening (EU) 2015/2283 worden alle levensmiddelen op basis van insecten (niet alleen delen van insecten of extracten, maar ook gehele insecten en hun bereidingen), beschouwd als “novel foods”. Bijgevolg moet op Europees niveau een toelating als “novel food” verkregen worden vooraleer insecten voor humane consumptie binnen de EU in de handel gebracht mogen worden.
Volgende insecten zijn reeds toegelaten als novel food: gele meelworm (Tenebrio molitor), treksprinkhaan (Locusta migratoria), huiskrekel (Acheta domesticus) en buffalokever, ook wel kleine meelworm genoemd (Alphitobius diaperinus).
Ondanks dat deze insecten zijn toegelaten, zijn ze niet in alle toepassingen toegelaten. De specifieke voorwaarden voor gebruik zijn tevens opgenomen in de toelating. Zo is de gele meelworm in 1 specifieke toelating enkel toegelaten in eiwithoudende producten, biscuits, gerechten op basis van peulvruchten en producten op basis van pasta en gelden voor deze toelating beschermde eigendomsrechten. Dit wil zeggen dat tijdens een termijn van 5 jaar het insect uitsluitend in de handel mag worden gebracht door het bedrijf dat de toelatingsaanvraag heeft ingediend. Uitzondering hierop is, dat een volgende aanvrager een toelating voor het nieuwe voedingsmiddel verkrijgt zonder naar de overeenkomstige beschermde wetenschappelijke gegevens te verwijzen in de eerdere aanvraag of met toestemming van het oorspronkelijke bedrijf.
Toch zijn er ook insecten op de markt voor welke nog geen toelating is verkregen. Binnen de oude novel foods wetgeving was het bijvoorbeeld niet duidelijk dat volledige insecten ook binnen het toepassingsgebied van deze wetgeving vielen. Bij gevolg tolereerden bepaalde landen waaronder België dat gehele insecten als levensmiddel op de markt werden gebracht. In kader van de “novel foods” Verordening (EU) 2015/2283 zijn daarom overgangsmaatregelen bepaald voor gehele insecten waarvoor nog geen aanvraag is goedgekeurd. Ze mogen op de markt gebracht worden onder de volgende voorwaarden:
In België gaat dit om gehele insecten die behoren tot de insectensoorten die als veilig geëvalueerd werden in het “Gemeenschappelijk advies SciCom 14-2014 en HGR nr. 9160”.
Verder moet bij produceren, verhandelen, verwerken en verpakken ook aan alle andere wetgeving voor levensmiddelen worden voldaan o.a. wetgeving contaminanten en residuen, hygiënewetgeving, microbiologische wetgeving en wetgeving rond etikettering.
Producenten van insecten voor menselijke consumptie dienen ook te voldoen aan de eisen die gelden voor andere levensmiddelenbedrijven. Bijkomend heeft in Nederland de NVWA hierover specifieke afspraken gemaakt met VENIK (de branchevereniging Nederlandse Insectenkwekers). Zo moeten insecten vóór verkoop verhit worden en moet het etiket informatie bevatten over allergieën gezien mensen met een schaaldierallergie, schelpdierallergie of huisstofmijtallergie ook allergisch kunnen zijn of worden voor insecten.
In België volgt men de adviezen van het wetenschappelijk comité en wordt een verhittingsstap wel aangeraden maar niet verplicht.
Dat de Europese Unie bezig is met duurzaamheid mag geen verrassing zijn. Diverse initiatieven voor nieuwe wet- en regelgeving op dit gebied worden onderzocht. Bijvoorbeeld op het gebied van het verminderen van voedselafval, een duurzame voedselketen, voedselcontactmaterialen en etikettering. De Europese Commissie moet de hieronder genoemde initiatieven en de resultaten van de openbare consultaties die hierover hebben plaatsgevonden nog beoordelen.
Doel van dit voorstel voor regelgeving is het duurzaam maken van de voedselketen in de EU en duurzaamheid te integreren in al het aan voedsel gerelateerde beleid. Het zal algemene beginselen en doelstellingen vastleggen, samen met de vereisten en verantwoordelijkheden van alle actoren in het EU-voedselsysteem. Meer in het bijzonder zal het regels stellen over: duurzaamheidsetikettering van voedingsmiddelen, minimumcriteria voor duurzame inkoop van voedsel door de overheid, het besturen en monitoren. Het moet aansluiten op de ‘Conferentie on the Future of Europa’, een strategieplan voor de middellange tot lange termijn voor Europa. In het derde kwartaal van 2023 wordt een beslissing van de Europese Commissie verwacht.
Dit betreft een voorstel voor de herziening van richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen. Deze richtlijn vereist onder andere dat EU-lidstaten maatregelen nemen om (levensmiddelen)afval te voorkomen en te monitoren en daarnaast hergebruik, recycling of ander nuttig gebruik te stimuleren. Het belangrijkste doel van de herziening is het vaststellen van bindende doelstellingen om voedselverspilling tegen te gaan. De EU Farm to Fork strategie (van boer tot bord strategie) vraagt om een dergelijke doelstelling. Ook voor andere soorten afval zijn plannen voor wijzigingen; ter vereenvoudiging van de regelgeving en ter vermindering van de lasten voor burgers en bedrijven. In het tweede kwartaal van 2023 wordt een beslissing van de Europese Commissie verwacht.
De huidige regelgeving moedigt het ontwikkelen van duurzame, herbruikbare en recyclebare alternatieven niet aan, noch draagt het bij aan de veiligheid van dergelijke alternatieven blijkt uit een evaluatie van de EFSA. Plan is voor voedselcontactmaterialen vervaardigd uit minder traditionele en potentieel duurzamere productiebronnen en -methoden, zoals materialen gemaakt met plantaardige of bio gebaseerde technologie, specifieke en duidelijke veiligheidsregels in te voeren. Nieuwe regelgeving moet ook beter gaan aansluiten op de wetgeving die bedoeld is het milieu te beschermen tegen gevaarlijke stoffen; dit draagt vaak ook bij aan de voedselveiligheid. De in 2022 gepubliceerde verordening voor gerecycled kunststof sluit hier al op aan. In het tweede kwartaal van 2023 wordt een beslissing van de Europese Commissie verwacht.
Door het etiketteren van het land van oorsprong voor meer product(groepen) verplicht te gaan stellen wil de EU het voor de consument mogelijk maken gezondere en duurzamere voedingskeuzes te maken. Meer staat in het artikel in “Etikettering land van oorsprong: aankomende uitbreidingen”.
Verordening (EU) nr. 609/2013 is de basis voor de Europese regels voor onder andere de dagelijkse voeding en volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing. De samenstelling en etikettering van deze producten moet aan verschillende eisen voldoen. Gedetailleerde voorschriften die zijn vastgelegd in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2017/1798 zijn eind 2022 gewijzigd. Wat houden deze wijzigingen in?
De Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2017/1798 werd initieel gepubliceerd op 7 oktober 2017. Eind 2022 werd deze gewijzigd en deze wijzigingen zijn vanaf 27 oktober 2022 van kracht. Gedelegeerde Verordeningen bevatten regels waarmee verdere invulling wordt gegeven aan eerder vastgestelde wetgeving. Ze zijn direct toepasbaar en hoeven niet te worden omgezet in nationale wetgeving.
In de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2017/1798 staan de bijzondere samenstellings-en informatievoorschriften voor de dagelijkse voeding en compleet vervangende producten voor gewichtsbeheersing welke bedoeld zijn voor gezonde mensen met overgewicht of obesitas die gewichtsverlies voor ogen hebben. Naast dat deze producten moeten voldoen aan Verordening (EU) nr. 609/2013 en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2017/1798, moeten zij in elke lidstaat waarin ze op de markt worden gebracht worden aangemeld bij een bevoegde instantie.
Per 29 november 2022 zijn nieuwe eisen ingegaan ten aanzien van de samenstelling. Het betreft eisen voor de stoffen linolzuur, α-linoleenzuur en magnesium. De eisen zijn minder streng geworden, daarom mogen de nieuwe eisen direct door bedrijven gebruikt worden.
| Oude vereisten (tot 29 november 2022) | Nieuwe vereisten (vanaf 29 november 2022) |
| Minimaal 11 g linolzuur per volledig dagrantsoen | Geen eis |
| Minimaal 1,4 g alfa-linoleenzuur per volledig dagrantsoen | Minimaal 0,8 g per volledig dagrantsoen |
| Maximaal 250 mg magnesium per volledig dagrantsoen | Maximaal 350 mg magnesium per volledig dagrantsoen |
De eisen voor de samenstelling van de producten worden beschreven in de bijlagen van Verordening (EU) nr. 2017/1798. Dit omvat minimumhoeveelheden betreffende energie, eiwitten, choline, vetten, koolhydraten, vitaminen en mineralen en vereisten voor de aminozuursamenstelling. Andere stoffen mogen alleen aan het product worden toegevoegd, wanneer blijkt dat deze geschikt zijn volgens algemeen aanvaarde wetenschappelijke gegevens.
Het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims is verboden, behalve de voedingsclaims ‘zeer caloriearm dieet’ of ‘caloriearm dieet’ en ‘toegevoegde vezels’. Het gebruik is alleen toegestaan wanneer de claim voldoet aan de eisen genoemd in artikel 5 en 6 van Verordening (EU) nr. 2017/1798.
Naast de verplichte vermeldingen benoemd in Verordening (EU) nr. 1169/2011, moet ook het volgende worden benoemd op het etiket:
Tot slot legt Verordening (EU) nr. 2017/1798 de verplichting op dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven de informatie op het etiket van de producten moeten melden aan de bevoegde autoriteit van elke lidstaat waar de producten worden verkocht. Er moet een kopie van het product etiket worden aangeleverd, met daarbij alle andere informatie die kan worden gevraagd om aan de Verordening te voldoen. Een lidstaat kan ervoor kiezen af te zien van deze verplichting als zij een alternatief en efficiënt systeem aan kan bieden om de naleving te controleren.