Het EFSA heeft een wetenschappelijk advies gepubliceerd over de meest hardnekkige, persistente bacteriële gevaren in voedsel- en diervoederproductie- en -verwerkingsomgevingen.
In het advies worden verschillende maatregelen om aanhoudende besmettingen te voorkomen en te verhelpen besproken.
Tijdens het onderzoek zijn de meest relevante subtypes geïdentificeerd.
Dit gevaar staat met stip op nummer 1. Het leidt tot schuilplaatsen die moeilijk te reinigen en desinfecteren zijn. Voorbeelden zijn; snijmachines voor L. monocytogenes, pluk- en evisceratieapparatuur voor Salmonella en drogers en droogtorens voor Cronobacter sakazakii.
EFSA concludeert dat een goed opgezet bemonsterings- en testprogramma voor de omgeving, volgens een risico gebaseerde aanpak, de meest effectieve strategie is om mogelijke besmettingsbronnen te identificeren en mogelijk persistente gevaren op te sporen.
Het instellen van hygiënische barrières en maatregelen binnen het FSMS is essentieel om bacteriële persistentie te voorkomen en/of te beheersen door te voorkomen dat het gevaar het verwerkingsbedrijf binnenkomt en/of zich verspreidt binnen de faciliteit.
De volgende voorwaarden zijn van bijzonder belang:
Zodra persistentie in een levensmiddelen- en diervoederbedrijf wordt vermoed, wordt vaak een ‘zoek-en-vernietig’-aanpak aanbevolen, die bestaat uit:
Succesvolle acties naar aanleiding van de persistentie van L. monocytogenes waren:
In het advies van EFSA worden enkele opties beschreven voor interventies om het persistente gevaar te elimineren met een directe bactericide werking en van verschillende aard. Dat wil zeggen
Let hier wel mee op want in sommige gevallen zijn deze nog niet commercieel beschikbaar en/of is hun werkzaamheid nog niet volledig gevalideerd onder industriële omstandigheden of zelfs niet wettelijke goedgekeurd.
Er is door het EFSA vastgesteld dat er aanvullend onderzoek nodig is om de gevaren beter te kunnen identificeren en om de impact van bepaalde interventies op het verminderen of voorkomen van persistentie te monitoren.
De meeste van de aanbevelingen tot onderzoek hebben betrekking op activiteiten in industriële omgevingen. Zo worden gevraagd naar intensieve bemonsterings- en testprogramma’s door levensmiddelenbedrijven. Alsook het optimaliseren van de bemonstering strategieën bij uitbraken.
Mogelijkheden creëren om verzamelde data adequaat te kunnen rapporteren en ondubbelzinnig te kunnen interpreteren zodat er linken kunnen worden gelegd en verbetervoorstellen kunnen worden gedaan voor het voorkomen, beheersen en aanpakken van de persistentie bacteriële gevaren,
Moet ik een onveilig levensmiddel wel of niet melden? De NVWA vereenvoudigt het antwoord op deze vraag door een aanpassing van het meldsysteem. Vanaf heden moeten door ondernemers alle (mogelijk) onveilige levensmiddelen gemeld worden bij de NVWA.
De meldwijzer komt in zijn geheel te vervallen en wordt vervangen door de volgende omschrijving van onveilige levensmiddelen:
“Een levensmiddel is een stof of product, verwerkt of onverwerkt, waarvan verwacht mag worden dat deze door mensen zal worden geconsumeerd. Een levensmiddel is onveilig als het bijvoorbeeld:
De meldplicht geldt ook voor niet-conforme partijen die fysiek zijn geïmporteerd op bestelling van een Nederlands bedrijf en zich op Europees grondgebied bevinden, al dan niet in een douane-entrepot om verder verhandeld te worden naar EU- of niet-EU-landen.”
In Nederland moeten ondernemers (mogelijk) onveilige levensmiddelen altijd binnen 4 uur melden bij de NVWA. Ook bij twijfel is men verplicht om te melden. Dit geldt voor levensmiddelen die zijn ingevoerd, verwerkt, geproduceerd, geleverd, vervoerd, verkocht of zijn opgeslagen. Wordt er geen melding gedaan, dan bent je in overtreding.
Na de melding zal de NVWA toezicht houden. Het is afhankelijk van aard en ernst of dit direct, steekproefsgewijs of bij een eerstvolgende inspectie van een bedrijf zal.
Voor specifieke contaminaties als (mogelijke) overschrijding van de maximale residu limiet (MRL) voor bestrijdingsmiddelen of toegestane diergeneesmiddelen bestaat er nog wel een beslisboom bij de NVWA. De “beslisboom MRL overschrijding residuen van bestrijdingsmiddelen in levensmiddelen” en de “beslisboom MRL overschrijding residuen van toegestane diergeneesmiddelen in levensmiddelen, diervoeders en dierlijke bijproducten” bepalen of een melding gedaan moet worden bij de NVWA over een mogelijke overschrijding van een MRL.
Meer lezen over dit onderwerp? Volg dan onderstaande interessante links:
De consument speelt een cruciale rol bij het behalen van de groene ambities van de EU . Dit vertaald zich voor duurzaamheidclaims en eerlijke handelspraktijken in het voorstel tot nieuwe richtlijnen. Deze zijn bedoeld om meer informatie bij de consument te krijgen zodat ze duurzame keuzes kunnen maken bij het kopen van voornamelijk voeding, kleding, huishoudapparatuur en reizen.
Voor deze richtlijnen is er een voorlopige goedkeuring die de consumenten moet beschermen tegen misleidende marketingpraktijken met betrekking tot duurzaamheid. Hiermee moet greenwashing en het wegwerpen van nog herstelbare producten tegengegaan worden.
Het idee is dat dankzij deze regels zich een concurrentievoordeel voordoet voor bedrijven die zich écht inspannen om hun impact op het milieu te verminderen en dat zij grensoverschrijdend actief kunnen zijn waardoor zij hun kosten kunnen verlagen. Dit met de bedoeling dat het vertrouwen van de consument zal toenemen en er weer bewuste keuzes gemaakt kunnen worden. Gezien het percentage Europeanen welke aangeeft dit te willen doen, is de verwachting dat dit op zijn beurt de industrie zal stimuleren om stappen te willen maken die het milieu ten goede komen.
Concreet zal de richtlijn voor een wijziging zorgen bij de richtlijnen 2011/83/EU consumentenrechten en 2005/29/EG oneerlijke handelspraktijken.
Het gebruik van ongefundeerde algemene milieuclaims wordt verboden. Er bestond reeds een EU-lijst met verboden handelspraktijken, deze wordt nu uitgebreid met een aantal marketinguitingen. Denk aan zaken als:
Wanneer een claim gebruikt wordt moet deze van toepassing zijn op het gehele product, niet bijvoorbeeld enkel op de verpakking. De huidige wildgroei van duurzaamheid claims wordt ingedamd. Alleen duurzaamheidskeurmerken mogen worden gebruikt die goedgekeurd of uitgegeven zijn door de overheid. Wanneer een vergelijking wordt toegepast wordt de informatie over de vergelijkingsmethode, de vergelijkende producten, de leveranciers van die producten en hoe de informatie actueel gehouden wordt essentieel. Er is tevens een verbod op het maken van reclame over voordelen voor de consument die binnen de relevante markt als een gangbare praktijk worden beschouwd. Als er een onderscheidend kenmerk wordt gepresenteerd dient dit aan specifieke vereisten te voldoen.
Ondernemingen met minder dan tien werknemers en een omzet van minder dan twee miljoen euro kunnen de claims of ecolabels inclusief de regels toepassen indien gewenst, maar in principe zijn zij vrijgesteld van de verplichtingen van dit voorstel. Voor Kmo’s wordt gekeken naar mogelijkheden om te helpen aan de vereisten te voldoen door de toegang tot financiële steun en organisatorische en technische bijstand te vergemakkelijken. Ondersteuning zal ook geboden gaan worden door de ontwikkeling van rekeninstrumenten voor kmo’s.
Bedrijven die buiten de EU gevestigd zijn moeten de eisen van de voorgestelde richtlijn naleven. Partners wereldwijd worden zo aangemoedigd aan de groene transitie bij te dragen. Nieuwe milieulabels zijn niet toegestaan tenzij kan worden aangetoond dat ze een meerwaarde voor de EU-markt hebben in verband met milieuvriendelijkheid of milieueffecten. Ook deze labels moeten door de Commissie worden goedgekeurd.
Invloed op het huidige EU-milieukeur en het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)
De EU-milieukeur valt al onder de wetgeving van de EU en valt daardoor niet onder de regels van het voorstel van de groene claims. Dit nieuwe voorstel kan volgens de Europese Commissie wel een impuls geven aan de EU-milieukeur aangezien nieuwe labels niet zomaar zijn toegestaan. Het huidige EU-milieukeur richt zich op uiterst milieuvriendelijke producten terwijl het EMAS bedrijven milieuvriendelijker wil maken. Ook EMAS wordt gereguleerd door wetgeving van de EU en valt daarom niet onder de regels van het voorstel van de milieuclaims.
De regels moeten nu ook definitief worden goedgekeurd door de Raad. Daarna wordt de richtlijn bekendgemaakt in het Publicatieblad en krijgen de lidstaten 24 maanden de tijd om deze in nationaal recht om te zetten.
Algen zijn een onderdeel van gezonde voeding en dragen bij tot minder CO2-uitstoot en minder waterverontreiniging. Reden genoeg voor de Europese Commissie om algen te promoten. Het vormt een logische aansluiting op lopende Europese initiatieven als Green Deal, de eiwittransitie, en de duurzame blauwe economie. Men noemt het initiatief: ‘Naar een sterke en duurzame algensector in de EU’.
Algen worden al eeuwenlang overal ter wereld geproduceerd en geconsumeerd. Ze worden vooral gewaardeerd in de Aziatische keuken vanwege hun hoge voedingswaarde en aparte zoute of umami smaak. De laatste jaren worden ze ook gezien in westerse veganistische gerechten. Ondanks al het bovenstaande gaat de acceptatie van algenproductie en -consumptie in Europa langzaam. Daarom zet de Europese Commissie een tandje bij.
Het platvorm EU4Algae is gelanceerd, waar de verschillende partijen, informatie en lopende projecten bij elkaar komen. Het is vooropgesteld als een driejarig project dat de schaalvergroting van klimaatvriendelijke algenindustrie in Europa zal versnellen.
Specifieke doelen zijn het ondernemingsklimaat verbeteren, het maatschappelijk bewustzijn en de acceptatie van algen en algenproducten door consumenten vergroten en de gaten op het gebied van kennis, onderzoek en technologie wegwerken. Om dit te verwezenlijken heeft men 23 acties geformuleerd. Deze gaan van toolkits voor startende algenkwekers tot gericht onderzoek naar toepassingsmogelijkheden en van financiering van projecten tot educatieve programma’s op scholen.
Er wordt op gewezen dat het een sector is die zich moet ontwikkelen op een manier die geen schadelijke gevolgen heeft voor het evenwicht van mariene ecosystemen en dat vermeden moet worden dat fouten die in het verleden op het land zijn gemaakt worden herhaald. Europese lidstaten worden gestimuleerd om vergunningen sneller te verlenen zonder daarbij het evenwicht uit het oog te verliezen. Op dit moment zijn er nog hoge productiekosten door productie op beperkte schaal en nog een beperkte kennis van milieueffecten.
Meer weten over dit onderwerp? Lees dan verder via de onderstaande links.
De Belgische FOD Volksgezondheid heeft een toezichtsysteem gelanceerd dat de ongewenste bijwerkingen van vier categorieën voedingsmiddelen in kaart moet gaan brengen. Het melden van bijwerkingen was reeds mogelijk, echter met een vrijblijvend karakter. De verplichting komt vanuit het Koninklijk besluit van 03/12/2023 Nutrivigilantie.
Alle bedrijven (operatoren) die betrokken zijn bij de keten, dus fabrikanten, distributeurs, detailhandelaars, zijn wettelijk verplicht om alle bijwerkingen of gevallen van verkeerd gebruik die hen gemeld worden te melden via het portaal van Nutrivigilantie. Het gaat om gevallen waar je als operator van op de hoogte bent, of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat je op de hoogte bent. Het melden moet binnen de tijdspanne van 10 dagen plaatsvinden.
Voor melden is het niet nodig om als operator zelf al een beoordeling van het geval uit te voeren. Het melden is ook niet afhankelijk van een bepaalde ernst. Wel moet de verantwoordelijke voor het product voor elk van zijn producten een register van de bijwerkingen bijhouden en dit ter beschikking stellen van de bevoegde autoriteiten. Ook gezondheidswerkers en burgers kunnen melding doen op dezelfde wijze. Zij zijn echter niet verplicht.
Na ontvangst van een melding zal een verantwoordelijke van het product altijd direct ingelicht worden. Er wordt door het FOD Volksgezondheid onderzocht of de gemelde bijwerking inderdaad toegerekend kan worden aan het product. Verdere maatregelen zijn afhankelijk van de aard van de melding. Het kan gaan van een aanvullend veiligheidsonderzoek wat gevraagd wordt van de fabrikant of een wijziging van het etiket tot een wijziging in wetgeving.
Er zijn voor- en tegenstanders van deze wet. Bijvoorbeeld vanuit de B-Sup, de belangenorganisatie van de supplementenbranche, zijn kritische geluiden te horen. Zij hebben er al voor gezorgd dat de eerdere voorstellen geconcretiseerd zijn geworden en geven aan zich blijvend voor te zetten voor o.a. duidelijkheid voor de branche en het bevorderen van objectiviteit van het beoordelen per case. Het is dus mogelijk dat er in de (nabije) toekomst aanpassing aan deze wetgeving zal komen.
In Nederland bestaat het meldplatvorm ‘bijwerkingencentrum Lareb’. Dit is het meld- en kenniscentrum voor bijwerkingen van onder meer geneesmiddelen, vaccins en voedingssupplementen. Daarnaast is er bij het NVWA ook mogelijkheid tot melden van onveilige voedingssupplementen. Het betreft hier steeds een vrijblijvend karakter. Op de websites van het NVWA en voedingscentrum wordt aanvullende informatie voorzien.
Voor Duitsland kunnen alle meldingen rond voedselveiligheid gedaan worden bij lebensmittelwarning.de. Uitgebreide informatie is te vinden op het Duitse voedselveiligheidsplatvorm BVL.de.
In Frankrijk geld dezelfde indeling als in België. Men spreekt van Nutrivigilance. Het meldingsplatvorm is via anses.fr te bereiken en biedt uitgebreide informatie.
Aroma’s zijn stoffen die worden gebruikt om de geur en/of smaak van levensmiddelen te verbeteren of te wijzigen. Ze worden als ingrediënt toegepast en nooit als zodanig geconsumeerd. Voor het gebruik van aroma’s, voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen en uitgangsmaterialen worden voorwaarden gesteld. Zo mogen ze geen gevaar voor de volksgezondheid opleveren en de consument niet misleiden. Vanuit dit oogpunt zijn gemeenschappelijke EU-regels en -normen opgesteld zoals Verordening (EU) 1334/2008 inzake aroma’s en bepaalde voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen en Verordening (EU) 2065/2003 inzake rookaroma’s .
Verordening (EU) 1334/2008 bevat de regels over aroma’s en ingrediënten met aromatische eigenschappen. Hierin staan de volgende zaken beschreven:
Het in de handel brengen van aroma’s, levensmiddelen die aroma’s bevatten en/of voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen waarvan het gebruik niet voldoet aan de verordening is verboden. Het autorisatieproces is vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1331/2008 gemeenschappelijke autorisatieprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s.
Over het algemeen vormen aromastoffen geen probleem voor de gezondheid. Voor D-kamfer, kinine en glycyrrhizine zijn er echter wel regels vanwege hun effecten op de gezondheid.
Voor rookaroma’s zijn de specifieke vereisten opgenomen in Verordening (EU) 2065/2003 inzake rookaroma’s en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 1321/2013 .
Op het etiket worden aroma’s in de ingrediëntenlijst gedeclareerd als ‘aroma’ of met een meer specifieke benaming of beschrijving van het aroma. Deze verplichting komt voort uit Verordening (EU) 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten.
Aanvullend op Verordening (EU) 1169/2011 bevat Verordening (EU) 1334/2008 ook meer specifieke etiketteringsvoorschriften voor aroma’s en levensmiddelen met aroma’s zoals etiketteringsvoorschriften voor aroma’s die niet of juist wel bestemd zijn voor verkoop aan de eindverbruiker en specifieke voorschriften voor het gebruik van de term “natuurlijk” ter aanduiding van een aroma.
Lidstaten hebben de mogelijkheid om voor te schrijven dat bepaalde informatie in één of meer officiële talen wordt vermeld. Het gaat hier alleen om de etikettering van niet voor de eindverbruiker bestemde producten (B2B). Voor Nederland moet dit in ieder geval in het Engels of het Nederlands worden vermeld. Het is toegestaan de informatie daarnaast ook in andere talen te vermelden.
De aanduiding van rookaroma’s in de lijst van ingrediënten is verplicht indien het rookaroma aan het levensmiddel een rooksmaak verleent. Deze verplichting is opgenomen in Verordening (EU) 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten .
Voor België is het Koninklijk Besluit van 24 januari 1990 betreffende aroma’s voor gebruik in voedingsmiddelen opgesteld en verleent het FOD informatie via de website. Het Warenwetbesluit additieven, aroma’s en enzymen in levensmiddelen zorgt voor Nederland voornamelijk voor een overzicht van de geldende wetteksten. Het NVWA verzorgt aanvullende informatie voor Nederland. Zo wordt het etikettering van aroma’s verder toegelicht.
Op 17 oktober 2023 is Verordening (EU) 2023/2055 van kracht geworden. Deze verordening is ter beperking van microplastics welke opzettelijk toegevoegd worden aan mengsels. Deze verordening wijzigt bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 met betrekking tot beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) wat betreft synthetische polymeer microdeeltjes.
De nieuwe regels verbieden de verkoop van microplastics en van producten waaraan opzettelijk microplastics zijn toegevoegd en die deze microplastics afgeven bij gebruik. Bekende voorbeelden zijn cosmetica, wasmiddelen en opvulmateriaal voor kunstmatige sportoppervlakken.
Volgens de definities in de verordening zijn synthetische polymeer microdeeltjes vaste polymeren die aan beide volgende voorwaarden voldoen:
We moeten de toepassing voor de voedingsmiddelenindustrie dus vooral in de hoek van verpakkingen en decoraties zoeken.
De volgende producten zijn vrijgesteld van het verkoopverbod:
Deze producten mogen verkocht blijven worden. Hun fabrikanten moeten elk jaar de geschatte microplastics uitstoot van die producten rapporteren aan ECHA. Ze moeten ook instructies geven voor het gebruik en de verwijdering van het product om microplastics uitstoot te voorkomen.
Producten waaraan de microplastics niet opzettelijk zijn toegevoegd, maar die onbedoeld aanwezig zijn, zoals slib en compost vallen niet onder de beperking.
Glitter is niet helemaal verboden. Het hangt af waar het van gemaakt is, waarvoor het gebruikt wordt en hoe het gevormd is.
Het is dus niet van toepassing op eetbare glitters.
Deze verordeningen zijn rechtstreeks toepasbaar voor de Europese lidstaten. Bijkomend heeft men in Nederland dit vastgelegd in de Warenwetregeling algemene chemische productveiligheid in verband met een wijziging van de Europese REACH-verordening.
Dit is een premiumartikel. Premiumartikelen maken deel uit van het Normec Foodcare Kenniscentrum abonnement. Alle kennis en ervaring vanuit elke expertise komt samen in de Kennisbank. Je vindt hier alle relevante informatie over diverse productgroepen en wetgeving. Benieuwd? Lees wat het Normec Foodcare Kenniscentrum jou kan bieden.
Bij Verordening (EU) 2023/915 (Bijlage I) zijn maximumgehalten aan bepaalde plantentoxinen, mycotoxinen en moederkorensclerotiën in levensmiddelen vastgesteld. In Verordeningen (EU) 2015/705 en nr. 401/2006 werden bemonsteringswijzen en analysemethoden vastgesteld voor mycotoxinen en plantentoxinen die voor de officiële controle op het gehalte in levensmiddelen moesten worden gebruikt. Deze worden nu vervangen door Publicatieblad EU L, 2023/2782 van 15 december 2023 voor mycotoxinen-gehalte en door Publicatieblad EU L, 2023/2783 van 15 december 2023 voor plantentoxinen-gehalte.
Mycotoxinen zijn toxinen (gifstoffen) die, onder bepaalde omstandigheden, geproduceerd worden door schimmels. Zowel mensen als dieren kunnen vergiftigd worden door mycotoxinen. Onder mycotoxinen vallen aflatoxine, ochratoxine A, patuline, DON (deoxynivalenol), moederkoren (ergotalkaloiden), zearalenon (ZEA), phomopsine, T-2 en HT-2, citrinine en fumonisinen. Omdat mycotoxinen veelal stabiele stoffen zijn, en dus grotendeels niet worden afgebroken door productieprocessen, kunnen deze vervolgens via de voedselketen in de voeding van mensen terechtkomen.
In veel grondstoffen kunnen mycotoxinen voorkomen, bijvoorbeeld in granen en graanproducten (meel en bloem), noten, zaden, pitten, gedroogde (zuid)vruchten, peulvruchten en appels.
Plantengifstoffen (fytotoxinen) zijn natuurlijke gifstoffen. Ze komen van nature voor in bepaalde planten. Plantengifstoffen kunnen voorkomen in verschillende onderdelen van de plant, zoals de bladeren, stengels, vruchten, wortels en knollen. De voornaamste zijn Erucazuur, Tropaanalkaloïden, cyanogene glycosiden, Pyrrolizidine alkaloiden (PA’s) en Opiumalkaloïden. Mensen kunnen plantengifstoffen binnenkrijgen via een aantal verdachte producten zoals:
In de Risk Safety Data Sheets van Normec Foodcare Kenniscentrum is specifiek terug te vinden welke toxine voor welke productgroep een gevaar vormt. Raadpleeg ze via deze links.
Bij Verordening (EU) 2023/915 (Bijlage I) zijn maximumgehalten aan bepaalde plantentoxinen, mycotoxinen en moederkorensclerotiën in levensmiddelen vastgesteld. In Verordeningen (EU) 2015/705 en nr. 401/2006 werden bemonsteringswijzen en analysemethoden vastgesteld voor mycotoxinen en plantentoxinen die voor de officiële controle op het gehalte in levensmiddelen moesten worden gebruikt. Deze worden nu vervangen door Publicatieblad EU L, 2023/2782 van 15 december 2023 voor mycotoxinen-gehalte en door Publicatieblad EU L, 2023/2783 van 15 december 2023 voor plantentoxinen-gehalte.
In Bijlage I van (EU) 2023/2782 en (EU) 2023/2783 worden de producten ingedeeld in categorieën met specifieke monsternamemethodes. Bij producten waarvoor geen specifieke bemonsteringsprocedure is vastgesteld, worden criteria vastgesteld om te bepalen welke bemonsteringsprocedure in dergelijke gevallen moet worden toegepast. Deze staan beschreven in artikel 2 van beide verordeningen.
Kort gezegd houdt dit in dat in het geval van een levensmiddel dat niet kan worden ingedeeld in een levensmiddelencategorie de bemonsteringsprocedure wordt bepaald op basis van de deeltjesgrootte van dat levensmiddel of de gelijkenis van dat levensmiddel met een product dat kan worden ingedeeld in een van de levensmiddelencategorieën in bijlage I.
In het geval dat een levensmiddel niet kan worden ingedeeld in een levensmiddelencategorie en het toxine gelijkmatig in dat levensmiddel is verdeeld, wordt het levensmiddel bemonsterd volgens de bemonsteringsprocedure die is vastgelegd in deel B van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 333/2007.
De verordeningen zijn van toepassing met ingang van 1 april 2024. Analysemethoden voor plantentoxinen die vóór de inwerkingtreding van de verordening zijn gevalideerd, mogen tot en met 1 juli 2028 in gebruik blijven. Bemonsteringswijzen voor mycotoxine-gehalte die vóór de inwerkingtreding van de verordening zijn gevalideerd, mogen tot 1 januari 2029 in gebruik blijven.
Je las een premiumartikel van het Normec Foodcare Kenniscentrum. Smaakt het naar meer? Bekijk dan de mogelijkheden van het Kenniscentrum abonnement. Hiermee heb je direct toegang tot alle kennis.
Op 6 december 2023 heeft IFS de nieuwe versie van IFS Logistics gelanceerd, IFS Logistics versie 3. IFS Logistics is een GFSI (Global Food Safety Initiative) erkende standaard.
Deze IFS standaard is speciaal bedoeld voor bedrijven die geen eigen productie hebben maar zich bezighouden met opslag, distributie en transport, evenals laad- en losactiviteiten in omgevingen van zowel food- als non-foodproducten. Het is toepasbaar voor alle type transport: via de weg, rails, schip en vliegtuig. En op alle soorten producten: bevroren/gekoelde producten of omgevingsstabiele producten (verschillende materietoestanden: vloeibaar, vast of gas). Deze norm is ook van toepassing op ontdooi/bevriezingen door dienstverleners en op logistieke bedrijven die dienstverleners gebruiken voor hun transport- en/ of opslagactiviteiten.
IFS Logistics versie 3 heeft minder eisen. Verder zijn het protocol en de structuur geoptimaliseerd. Andere aanpassingen betreffen het scoresysteem, uitbreidingen en verduidelijkingen in de scopes en de introductie van de sterstatus om een onaangekondigde audit aan te geven. Het is nu ook afgestemd op de IFS Food Standard versie 8 en de meest recente GFSI benchmarking requirements.
De belangrijkste wijzigingen zijn:
Het betreft onder andere gespecifieerde eisen aangaande food safety culture beleid, notificatie vereisten, aangepaste termijn voor uitvoeren van managementreview en interne audits, bewaartermijn voor documenten, validatie van CCP’s en HACCP plan, bijkomende vereisten aangaande hygiëneregels en opleiding van werknemers, beheer van klanteneisen, beheer van geoutsourcete activiteiten, uitbreiding van de eisen aangaande fraude en food defense, uitgebreide eisen voor beheer van machines en materiaal en nieuwe eisen aangaande kwaliteitscontroles.
Auditen is mogelijk vanaf 1 juni 2024 en verplicht vanaf 1 december 2024.
IFS heeft zelf een vergelijking gepubliceerd ten opzichte van de vorige versie van de norm. Deze kan je op de website van IFS downloaden.
Wil je snel een overzicht van alle wijzigingen die binnen jouw bedrijf moeten worden doorgevoerd? Dat kan met de nulmeting IFS Logistics versie 3.
Voorkomen van voedselverspilling. Je kan er tegenwoordig niet meer omheen. Dit is een actueel thema binnen de Europese Unie. FSSC 22000 heeft als eerste GFSI erkende norm in de normeisen een specifiek punt opgenomen over voedselverspilling.
Per april 2024 moeten de volgende zaken bij elk FSSC 22000 gecertificeerd bedrijf geïmplementeerd zijn:
FSSC definieert voedselverlies en voedselverspilling als volgt:
Voedselverlies gebeurt voor het voedsel de consument bereikt als gevolg van problemen in de toeleveringsketen (productie, verwerking, opslag en distributie).
Voedselverspilling verwijst naar voedsel dat geschikt is voor consumptie, maar bewust wordt weggegooid in de detailhandel of bij consumptie.
FSSC schrijft in het Guidance document over hoe dit kan worden toegepast in de praktijk. Wij nemen je in dit artikel mee in de hoofdlijnen. Wanneer het moeilijk bepalen is hoe een stap geïnterpreteerd moet worden kan Appendix A van de guideline geraadpleegd worden. Hier staan veel praktische toepassingen en voorbeelden in.
FSSC baseert zich onder andere op de ‘food waste pyramid’ van de VN’s Food and Agriculture Organization (FAO). Hierin wordt aangegeven welke oplossing voor voedselverlies en -verspilling de voorkeur heeft.
Voor bedrijven die zich niet bezighouden met productie van ‘food’ of ‘feed’ zijn er in de guideline specifieke adviezen beschreven.
De volgende 3 stappen moeten doorlopen worden om een strategie aangaande voedselverspilling te implementeren:
Voordat een doelstelling ter vermindering van de verspilling bepaald kan worden, moet eerst de huidige stand van zaken in kaart gebracht worden. Hiervoor moet je inventariseren, onder andere welk materiaal, tijdens welk proces, welke hoeveelheden en welke bestemming?
Belangrijk hierbij is dat de methode om te meten wordt vastgelegd en gevalideerd opdat de resultaten betrouwbaar zijn. Als je resultaten wil vergelijken moet je ook bepalen over welke termijn/welke periode men de inventarisatie zal uitvoeren.
Het is verplicht om overheid gestuurde doelen mee te nemen. Het is optioneel om daarbovenop een eigen doelstelling te zetten, alleen of gezamenlijk met andere bedrijven. Doelstellingen dienen SMART te zijn en een actieplan moet worden geïmplementeerd om de doelstellingen te kunnen bereiken.
Op basis van de inventarisatie en beoordeling van deze inventarisatie dienen methodes bepaald te worden om de verspilling en afval continu/periodiek op te volgen. Niet enkel het verlies moet gemonitord worden, maar ook de verbeteringen in de afvoerstromen van de verspilling. Bijvoorbeeld de verhouding van reststromen die verwijderd worden tot reststromen die gerecycled of herwerkt worden. Houd in dit monitoringplan ook rekening met onzekerheden, fluctuaties en seizoensgebonden verschillen.
Op basis van deze monitoring dienen de doelstellingen regelmatig geëvalueerd te worden.
Wanneer wordt vastgesteld dat de doelstellingen niet worden bereikt moet een oorzaakanalyse worden uitgevoerd. Ook moet bekeken worden hoe het actieplan kan worden bijgestuurd opdat de doelstellingen alsnog kunnen worden gehaald. Ook wanneer de doelstellingen worden gehaald dient het verspillingsbeleid steeds geëvalueerd te worden en dienen nieuwe doelstellingen en acties te worden bepaald in kader van continue verbetering.
De guideline van FSSC legt verder de nadruk op voorkomen van voedselverspilling en afval. Als bedrijf moet je minimaal de volgende zaken in je beleid opnemen:
Wil je verder lezen over voedselverspilling en duurzaamheid in relatie tot houdbaarheid? Download dan onze Whitepaper Minimaliseren van voedselverspilling.
Een extra hulpmiddel is het bewust omgaan met bepalen van TGT of THT datum. Hierover heeft het EFSA een richtsnoer opgesteld: Richtsnoer EFSA Hulpmiddel ter voorkoming van voedselverspilling.
Vind hier informatie over maatschappelijk verantwoord ondernemen en de ‘European Green Deal’ en activiteiten in verband met voedselverspilling van de Nederlandse (‘Theory of change’) en de Belgische overheid (Actieplan voedselverlies en biomassareststromen circulair 2021-2025).