header oranje fruit en groenten

Gewijzigde wetgeving olijfolie, honing, sappen, jams en melk 

EU past handelsnormen voor olijfolie aan 

De nieuwe Verordening (EU) 2024/1401 wijzigt de vorige Verordening (EU) 2022/2104 betreffende de handelsnormen voor olijfolie. Deze bijwerking brengt de EU-normen op één lijn met de meest recente normen van de Internationale Olijfolieraad (IOC), met name wat betreft de grenswaarden voor Δ-7-stigmastenol voor alle categorieën olijfolie. Deze wijziging is bedoeld om de kwaliteits- en echtheidsnormen voor olijfolie binnen de EU in overeenstemming te brengen met de internationale normen. Specifiek heeft de tabel B in bijlage I bijgewerkte parameters gekregen met betrekking tot de zuiverheidskenmerken van olijfolie. De verordening is in werking getreden per 10 juni 2024 en is rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten. 

Honing, sappen, jams en verduurzaamde melk  

In de ‘van boer tot bord’-strategie zijn maatregelen aangekondigd om producenten te stimuleren de samenstelling van levensmiddelen met een hoog suikergehalte te wijzigen. Daarnaast wil de Europese Commissie de consument helpen om gezonde en duurzame keuzes te maken. Richtlijn (EU) 2024/1438  welke op 13 juni 2024 in werking is getreden wijzigt de volgende richtlijnen:   

  • Richtlijn 2001/110/EG bevat de regels voor honing. Om de consument een betere keuze te kunnen laten maken, wordt het verplicht om het land of de landen van oorsprong in dalende volgorde op het etiket te vermelden, samen met het percentage van elk land van oorsprong in het geval van mengsels. Daarnaast worden maatregelen opgenomen om fraude met honing op te sporen. 
  • Richtlijn 2001/112/EG bevat de eisen voor vruchtensappen. Een aantal regels wordt gewijzigd. Zo moet een vermelding dat een sap alleen van nature aanwezige suikers bevat, verwijzen naar de wettelijke definitie van vruchtensappen zodat duidelijk is dat het wettelijk niet meer toegestaan is om suikers toe te voegen. Daarnaast mogen sappen met een verlaagd suikergehalte nu ook de naam ‘vruchtensap met verlaagd suikergehalte’ dragen. Ook wordt het gehalte suiker dat mag worden toegevoegd aan vruchtennectar, verlaagd. 
  • Richtlijn 2001/113/EG stelt de regels vast voor vruchtenjam of -confituur, -gelei en -marmelade, alsmede kastanjepasta. In deze richtlijn is onder andere de vermelding van het suikergehalte niet meer verplicht omdat deze met de vermelding van de voedingswaarden overbodig is geworden. Daarnaast wordt de minimale hoeveelheid fruit voor de bereiding van jam, confituur en gelei verhoogd. Ook mag nu sap uit concentraat gebruikt worden als zuurvormer.  
  • Richtlijn 2001/114/EG bevat de regels voor geheel of gedeeltelijk gedehydrateerde verduurzaamde melk. In deze richtlijn wordt onder andere gewijzigd dat een behandeling om het lactosegehalte te verlagen, nu wordt toegestaan. Daarnaast worden verwijzingen naar vervallen wetgeving gecorrigeerd. 

Lidstaten moeten zelf de wetgeving omzetten tot nationale wetgeving. Dit moeten zij in orde hebben voor 14 december 2025. Voor deze wijzigingen wordt een overgangsperiode ingesteld. Producten die vóór 14 juni 2026 in de handel zijn gebracht of geëtiketteerd mogen verder in de handel worden gebracht totdat de voorraden zijn uitgeput.  

Nuttige Info

Runderziekte Besnoitiose

De runderziekte Besnoitiose rukt op naar Noord-Europa. België komt met een wettelijk kader voor de bestrijding van de runderziekte Besnoitiose, die steeds vaker meekomt met de import van dieren.

De ziekte lijdt tot verlies van vlees- en melkproductie, verminderde vruchtbaarheid en wordt verspreid door stekende insecten zoals stalvliegen en dazen en door hergebruik van naalden. Een medicijn of vaccin is er momenteel niet.  

De Besnoitia parasiet behoort tot de familie neospora en toxoplasma. Besnoitiose komt reeds ongeveer 100 jaar voor in landen als Portugal, Frankrijk en Italië en is sinds een jaar of vijftien bezig aan een opmars richting het noorden waar het nu wordt vastgesteld in o.a. Duitsland, Zwitserland, Hongarije, Kroatië en Ierland. De Europese voedselveiligheidsautoriteit EFSA heeft de ziekte in 2010 al benoemt als ‘emerging disease’ (opkomende ziekte) in Europa. 

België 

In België wordt sinds 2019 van elk importrund uit Besnoitiose-risicolanden kosteloos een bloedmonster onderzocht door het Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ). Tot en met 2022 waren er in totaal 60 gevallen bekend, waarbij er jaarlijks een zichtbare stijging te zien is. Na invoering van de wetgeving zou het kosteloze testen komen te vervallen en alle kosten voor rekening van de exploitant komen. 

Wetgeving 

In overleg met de verschillende betrokken partijen werden er in België recent 2 besluiten gepubliceerd om Besnoitiose te voorkomen en te bestrijden: Ministerieel besluit van 12 maart 2024 betreffende de te nemen noodmaatregelen om de introductie van boviene besnoitiose in België te voorkomen. 

Dit besluit omvat maatregelen die van toepassing zijn op:
-             risicorunderen
-             contactrunderen
-             verdachte runderen
-             geïnfecteerde runderen

Het besluit definieert ook de diagnosetests die moeten worden gebruikt bij opsporing van de ziekte en bepaalt de opdracht van de dierenartsen en de verenigingen, in het kader van dit besluit.

Het tweede besluit Koninklijk besluit van 3 maart 2024 tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 december 1987 betreffende de koopvernietigende gebreken bij verkoop of ruiling van huisdieren neemt Besnoitiose op in de lijst van koopvernietigende gebreken voorzien in het Koninklijk Besluit van 24 december 1987 betreffende de koopvernietigende gebreken bij verkoop of ruiling van huisdieren, dat geldt in geval van handel tussen twee Belgische inrichtingen. 

De bestaande maatregelen zijn samengevat in een tabel.  

Nederland

Ook de Nederlandse GD waarschuwt naar aanleiding van de opmars in België en Duitsland. Er is echter nog geen Nederlands wettelijk kader.  

Symptomen 

Het gevaar is dat een besmetting meestal zonder klinische symptomen verloopt en daardoor niet zichtbaar is, tenzij een bloedtest wordt afgenomen. In sommige gevallen zijn er wel verschijnselen in de vorm van hoge koorts, verminderde eetlust, tranende ogen, vochtophoping in de hals plooi en de gewrichten. De melkproductie daalt en de dieren vermageren. In een later stadium is de huidaandoening zichtbaar. De dieren ontwikkelen cysten onder de huid, huidverdikking, plekken die lijken op aantasting door bluetongue of zonnebrand. 

Bij kalveren onder de 6 maanden wordt het zelden tot nooit waargenomen, maar oudere dieren en stieren lopen het grootste risico. Ongeveer 1 procent sterft, maar doorgaans raakt ongeveer 10 procent van de koppel besmet waarna besmette dieren binnen een jaar of 3 zoveel achteruitgang laten zien dat ze geen economische waarde meer hebben. 

Drooggerijpt vlees 

Het rijpen van vlees is een proces waarbij microben en enzymen op het vlees inwerken om het bindweefsel af te breken, waardoor het vlees malser wordt en het een rijkere smaak krijgt. Dit kan op twee manieren; droogrijpen en natrijpen.  

Definitie 

Onder dry-aged of drooggerijpt vlees verstaat men alle vers vlees van skeletspieren dat een natuurlijke rijping ondergaat gedurende een periode van meestal enkele weken bij een lage temperatuur en een lage luchtvochtigheid. 

Proces 

Droogrijpen van vlees is een authentieke manier om vlees mals te maken en te kunnen bewaren. Nog geen 50 jaar geleden was het de klassieke wijze. Na de uitvinding van het vacuüm verpakken kwam hier een einde aan en werd de techniek vervangen door natrijpen (wet aging). Bij natrijpen wordt het vlees na slachten vacuüm verpakt. Door deze methode treedt er minder vochtverlies op en het rijpingsproces wordt versneld. Het gebrek aan zuurstof en het feit dat de temperatuur net onder 0 wordt gebracht geeft het bijkomende voordeel dat bederfelijke bacteriën geen kans krijgen. Natrijpen neemt ongeveer 10 dagen in beslag,  

Bij droogrijpen krijgt de buitenkant van het vlees schimmelvorming welke een harde zwarte korst veroorzaakt. De schimmels zorgen ervoor dat de eiwitten worden afgebroken, dit geeft een typische smaak mee. Deze schimmels zorgen niet voor bederf, wel moet de korst worden verwijderd waardoor er gewicht verloren gaat. Er treedt ook vochtverlies op waardoor het vlees krimpt en dus geconcentreerder wordt. Dit laatste is wederom in gewicht een nadeel, maar zorgt daarentegen wel mede voor de smaakbeleving waar men bij droogrijpen naar zoekt.  

Wetgeving 

De opkomende populariteit van droogrijpen zorgt voor een opname van het onderwerp in de wetgeving Verordening (EU) 853/2004. In bijlage III, hoofdstuk VII staan nieuwe, uitgebreide voorschriften voor de dry ageing van vlees (met name dry-aged rundvlees). Naast een nieuwe wettelijke definitie van dry ageing bevatten deze voorschriften specifieke vereisten voor het dry ageing-proces van rundvlees. Deze zijn als volgt: 

  • Oppervlaktetemperatuur van -0,5 tot 3,0 °C 
  • Relatieve vochtigheid van niet meer dan 85% 
  • Luchtstroom van 0,2 tot 0,5 m/s in een speciaal daarvoor bestemde ruimte of kast 
  • Opslag gedurende maximaal 35 dagen na het einde van de rijpingsperiode na het slachten. 

Levensmiddelenbedrijven mogen echter ook andere combinaties van oppervlaktetemperatuur, relatieve vochtigheid, luchtstroom en duur gebruiken of vlees van andere diersoorten droog laten rijpen, zij moeten dan uiteraard aan de bevoegde autoriteit (FAVV, NVWA) kunnen aantonen dat de veiligheid van het vlees evenzeer gegarandeerd is. 

De volgende aanvullende eisen zijn van toepassing: 

  • Na het einde van de rijpingsperiode na het slachten wordt onmiddellijk met droogrijpen begonnen. Het wordt niet worden vertraagd door het uitsnijden en/of het vervoer naar een inrichting die de droogrijpen uitvoert. 
  • Het vlees wordt in de ruimte of de kast gebracht nadat de temperatuur en relatieve vochtigheid zijn bereikt. 
  • Het vlees wordt aan het been opgehangen of, als een rek wordt gebruikt, wordt gezorgd voor voldoende perforatie om lucht door te laten en het eventueel regelmatig draaien volgens hygiënische procedures. 
  • Bij aanvang van het droogverouderingsproces mag een hogere luchtstroom gebruikt worden om korstvorming te bespoedigen en de wateractiviteit aan het oppervlak te verminderen. 
  • Om de omstandigheden in de ruimte of de kast nauwkeurig te controleren worden er thermometers, relatieve vochtigheidssondes en andere instrumenten gebruikt. 
  • Filters of UV-behandeling vindt plaats op de lucht die de verdamper verlaat, terugkeert naar de verdamper en in contact komt met het vlees. 
  • Het wegsnijden van de korst gebeurt onder hygiënische omstandigheden. 

Deze verordening trad in werking op  mei 2024. De vereisten voor het droogrijpen van vlees zullen echter pas op 9 november 2024 van toepassing zijn. 

Wijzigingen Verordening (EG) 853/2004

Op 19 april 2024 werd Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1141 gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze brengt talrijke wijzigingen aan in de bijlagen II en III van Verordening (EG) nr. 853/2004 

Bijlage II: VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE VERSCHEIDENE PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG

SECTIE I: IDENTIFICATIEMERK: MERKTEKEN VAN EU  

Er worden verduidelijkende toevoegingen gedaan aan de vereisten voor de vorm van het identificatiemerk in bijlage II sectie I deel B. Wanneer het merk in een in de Unie gevestigde inrichting wordt aangebracht, moet het ovaal zijn en de afkorting van de Europese Unie (“EU”) bevatten in een van de officiële talen van de Unie, en wel als volgt: EC, EU, EL, UE, EE, AE, ES, EÚ. Voordien waren er de afkortingen van Europese Gemeenschap: CE, EB, EC, EF, EG, EK, EO, EY, ES, EÜ, EK, EZ of WE à  

Verder wordt verduidelijkt dat de algemene vorm van het identificatiemerk bij een dierziekte wordt vervangen door het voorschrift voor een specifiek identificatiemerk overeenkomstig Verordening (EU) 2016/429. De voorschriften inzake de vorm van het identificatiemerk in dit deel B kunnen worden vervangen door de voorschriften voor een speciaal identificatiemerk overeenkomstig artikel 65, lid 1, punt h), van Verordening (EU) 2016/429 (*1), en de voorschriften die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 67, punt a), artikel 71, lid 3 of lid 4, of artikel 259, lid 1 of lid 2, van die verordening. 

(*1)  Verordening (EU) 2016/429 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1).”.” 

SECTIE III: TRACEERBAARHEID OOK VOOR WILDBEWERKINGSINRICHTINGEN

Aan bijlage II sectie III informatie over de voedselketen is nu toegevoegd dat dit niet enkel geldt voor slachthuizen maar ook voor wildbewerkingsinrichtingen.  

Wijzigingen in bijlage III: SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN  

SECTIE I: VLEES VAN ALS  LANDBOUWHUISDIER GEHOUDEN HOEFDIEREN: 
  • Hoofdstuk II voorschriften voor slachthuizen: hieraan is toegevoegd dat mobiele partiële slachthuizen moeten samenwerken met aanvullende permanente slachtfaciliteiten om een volledig slachthuis te vormen dat voldoet aan de eisen en dat mobiele partiële slachthuizen kunnen werken met meerdere aanvullende slachtfaciliteiten, waardoor zij meerdere slachthuizen vormen. 
  • Hoofdstuk IV Hygiëne bij slachten: hieraan is toegevoegd dat dieren die bij een slachthuis worden aangeboden om te worden geslacht, daar moeten geslacht worden en rechtstreekse verplaatsingen naar een ander slachthuis mogen alleen in uitzonderlijke gevallen worden toegestaan overeenkomstig artikel 43, lid 6, tweede alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/627. 
  • Hoofdstuk VI bis Andere slacht dan noodslachtingen op bedrijf van herkomst, zijn bij de uitzonderingen naast bizons en varkens ook schapen en geiten toegevoegd. Verder is volgende tekst geschrapt: “de dieren kunnen niet naar het slachthuis vervoerd worden vanwege een mogelijk risico voor de personen die met de dieren in contact komen en om te voorkomen dat de dieren tijdens het vervoer letsel oplopen;” 
  • Hoofdstuk VII Opslag en vervoer:
    definitie én voorschriften voor droogrijping zijn toegevoegd:
    “droogrijping” (dry-aging) verstaan de opslag van vers vlees in aerobe omstandigheden waarbij karkassen of deelstukken onverpakt of verpakt in voor waterdamp doorlaatbare zakken in een gekoelde ruimte of koelbewaarkast worden gehangen en enkele weken droogrijpen in gecontroleerde omgevingsomstandigheden van temperatuur, relatieve vochtigheid en luchtstroom.”
    Voorschriften voor o.a. temperatuur, vochtigheid en tijd zijn bepaald. Afwijkingen hierop zijn enkel toegestaan mits goedkeuring van de autoriteiten (FAVV, NVWA). (De vereisten voor het droogrijpen van vlees zullen per 9 november 2024 van toepassing zijn.) 
    Aangepaste voorschriften voor “warm” vervoer 

    • Vervoer van karkassen en deelstukken. Eisen gelden nu voor vervoer vanuit slachthuis én vanuit koelhuis dat vlees rechtstreeks van slachthuizen betrekt. Voordien mocht transport slechts uit één slachthuis karkassen en deelstukken bevatten. Nu is transport toegestaan vanuit maximaal drie slachthuizen of uit één koelhuis dat vlees rechtstreeks van slachthuizen betrekt. 
    • Karkassen die in hetzelfde compartiment worden vervoerd als vlees (aan max. 7°C) moeten minimaal een temperatuur van 15°C hebben. Er is nu verduidelijkt dat dit ook moet als ze samen met slachtafval worden vervoerd.  
    • Maximale vervoersduur van 30 uur was voordien enkel beschreven voor varkens, nu kan dit ook voor runderen, schapen en geiten mits een kerntemperatuur van 15°C wordt bereikt voor laden  
    • Methode voor meten van de oppervlaktetemperatuur te meten moet gevalideerd worden. Deze methode is nu vastgelegd in de wetgeving:  er moet een thermometer worden gebruikt die is gekalibreerd in overeenstemming met de recentste versie van ISO 13485; de sensor moet loodrecht in het dikste gedeelte doordringen tot een diepte van 0,5 tot 1 cm van het buitenste deel van de schouder of de poot voor runderen, schapen en geiten of van de ham, of van de binnenzijde van de ham in het middelste bovenste deel voor varkens; er moeten vijf temperatuurmetingen worden uitgevoerd volgens het schema opgenomen in de wetgeving en  ten minste één van de vijf metingen moet onder de vastgestelde eisen inzake oppervlaktetemperatuur liggen 

 

 

SECTIE II: VLEES VAN PLUIMVEE EN LAGOMORFEN 

Hoofdstuk II voorschriften voor slachthuizen: hieraan is toegevoegd dat mobiele partiële slachthuizen moeten samenwerken met aanvullende permanente slachtfaciliteiten om een volledig slachthuis te vormen dat voldoet aan de eisen en dat mobiele partiële slachthuizen kunnen werken met meerdere aanvullende slachtfaciliteiten, waardoor zij meerdere slachthuizen vormen. 

SECTIE III: VLEES VAN GEKWEEKT WILD 

Er is toegevoegd dat gekweekte loopvogels en hoefdieren op plaats van oorsprong geslacht vervoerd worden naar slachthuis of wildbewerkingsinrichting. Volgend punt is hier geschrapt: naar het slachthuis gebrachte geslachte dieren vergezeld gaan van een verklaring van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf die de dieren heeft gekweekt, waarin de identiteit van de dieren, alsmede de toegediende diergeneesmiddelen of andere behandelingen die het dier heeft ondergaan, de data van toediening of behandeling en de wachttijden zijn vermeld.  

SECTIE V: GEHAKT VLEES, VLEESBEREIDINGEN EN SEPARATORVLEES 

Hoofdstuk III: voorwaarden voor vleesbereidingen die drooggerijpt zijn, zijn toegevoegd en er wordt verwezen naar de voorwaarden in sectie I.

SECTIE VIII: VISSERIJPRODUCTEN 

Hoofdstuk VII: opslag: nieuw toegevoegd: invriezen van visserijproducten voor technische doeleinden: Wanneer verse visserijproducten, ontdooide onverwerkte visserijproducten of verwerkte visserijproducten een temperatuur lager dan die van smeltend ijs moeten hebben om het gebruik mogelijk te maken van machines die visserijproducten snijden of versnijden, mogen zij zo kort mogelijk en in ieder geval niet langer dan 96 uur op een dergelijke technisch vereiste temperatuur worden gehouden. Opslag en vervoer bij die temperatuur zijn niet toegestaan. 

Wanneer ingevroren visserijproducten een temperatuur van meer dan -18 °C moeten hebben om het gebruik mogelijk te maken van machines die visserijproducten snijden of versnijden, mogen zij zo kort mogelijk en in ieder geval niet langer dan 96 uur op een dergelijke technisch vereiste temperatuur worden gehouden. Opslag en vervoer bij die temperatuur zijn niet toegestaan. 

SECTIE IX RAUWE MELK, COLOSTRUM, ZUIVELPRODUCTEN EN PRODUCTEN OP BASIS VAN COLOSTRUM 

Hoofdstuk I: gezondheidsvoorschriften. Uitzonderingen voor rauwe melk goedgekeurd door autoriteiten (FAVV), kunnen nu ook voor colostrum. Het betreft niet enkel van koeien, buffelkoeien maar ook schapen of geiten of vrouwelijke dieren van andere soorten.
Nieuw toegevoegd: Wanneer de alkalische fosfatasetest niet geschikt is om de doeltreffendheid van de toegepaste warmtebehandeling aan te tonen, zoals situaties waarin rauwe melk is geproduceerd van andere soorten dan runderen of in verschillende fracties wordt gescheiden voorafgaand aan een warmtebehandeling, mogen exploitanten van levensmiddelenbedrijven de bevoegde autoriteit de nodige garanties bieden en registers bijhouden als onderdeel van hun procedures op basis van de beginselen van risicoanalyse en kritische controlepunten (HACCP) in overeenstemming met artikel 5 van Verordening (EG) nr. 852/2004 

Hoofdstuk II voorschriften voor pasteurisatie: hieraan is toegevoegd dat de behandelingen zoals in deze sectie vastgelegd rvoor worden gezorgd dat de producten onmiddellijk na deze behandeling in voorkomend geval negatief reageren op een alkalische fosfatasetest. Wanneer de alkalische fosfatasetest niet geschikt is om de doeltreffendheid van de pasteurisatie aan te tonen, zoals situaties waarin producten afkomstig zijn van andere soorten dan runderen of in verschillende fracties worden gescheiden voorafgaand aan pasteurisatie, mogen exploitanten van levensmiddelenbedrijven de bevoegde autoriteit de nodige garanties bieden en registers bijhouden als onderdeel van hun procedures op basis van de beginselen van risicoanalyse en kritische controlepunten (HACCP) in overeenstemming met artikel 5 van Verordening (EG) nr. 852/2004 

SECTIE X: EIEREN EN EIPRODUCTEN

Hoofdstuk I: hieraan is toegevoegd dat het opzettelijk toevoegen van een vreemde geur aan eieren niet gericht mag zijn op het verbergen van een reeds bestaande geur. 

De verordening treedt in werking op 09.05.2024. 

Overgangsmaatregelen:  

Het identificatiemerk op producten van dierlijke oorsprong mag tot en met 31 december 2028 de vorige versie van de afkortingen bevatten, en de producten van dierlijke oorsprong met dergelijke identificatiemerken die vóór die datum zijn aangebracht, mogen op de markt blijven. 

De vereisten voor het droogrijpen van vlees zullen pas op 9 november 2024 van toepassing zijn. 

Probiotica en Prebiotica 

Dit is een premiumartikel. Premiumartikelen maken deel uit van het Normec Foodcare Kenniscentrum abonnement.  Alle kennis en ervaring vanuit elke expertise komt samen in de Kennisbank. Je vindt hier alle relevante informatie over diverse productgroepen en wetgeving. Benieuwd? Lees wat het Normec Foodcare Kenniscentrum jou kan bieden.

Probiotica en prebiotica zijn beide gerelateerd aan de gezondheid van de darmen, maar hebben verschillende functies. Terwijl probiotica gunstige bacteriën aan het darmmilieu toevoegen, bieden prebiotica de voedingsstoffen die nodig zijn om deze bacteriën te ondersteunen en te laten floreren. Samen dragen ze bij aan een gezonde en goed functionerende spijsvertering.

Probiotica

Probiotica zijn levende micro-organismen waarvan wordt aangenomen dat ze de natuurlijke balans in de darmen kunnen herstellen en het immuunsysteem kunnen stimuleren. Ze moeten dan wel in voldoende hoeveelheden worden geconsumeerd en levend zijn. Er zijn veel verschillende soorten probiotische bacteriën. De meeste behoren tot de melkzuurbacteriën zoals de lactobacillen of bifidobacteriën.  

We zien probiotica vaak als supplementen terugkomen of het kan worden toegevoegd aan voedingsmiddelen, zoals yoghurt en gefermenteerde groenten. Er wordt nog steeds veel onderzoek gepleegd naar de werkingsmechanismen en mogelijke voordelen van probiotoca. Ondanks de onderzoeken is er nog weinig bewijs dat producten met levende micro-organismen een gezondheidsvoordeel opleveren voor gezonde mensen.  

De Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA)  heeft wetenschappelijke evaluaties uitgevoerd van een paar honderd dossiers over probiotica. Er is slechts 1 gezondheidsclaim goedgekeurd: Levende bacteriën in yoghurt of gefermenteerde melk verbeteren de vertering van lactose (melksuiker) bij mensen die lactose moeilijk verteren. De yoghurt moet daarvoor tenminste 100 miljoen levende micro-organismen (Lactobacillus delbrueckii subsp. bulgaricus en Streptococcus thermophilus) per gram bevatten.

Prebiotica

Prebiotica zijn voedingsvezels die de groei of activiteit stimuleren van nuttige micro-organismen in de darmen. Het zijn meestal niet-verteerbare vezels die in bepaalde voedingsmiddelen voorkomen. 

Deze vezels worden in de dikke darm gefermenteerd door de darmflora. Tijdens dit fermentatieproces worden vetzuren met een korte keten geproduceerd. Deze hebben voordelen voor de gezondheid zoals het bevorderen van de darmgezondheid, het verbeteren van de groei van goede bacteriën, het bevorderen van de absorptie van mineralen en het stimuleren van het immuunsysteem. 

Bekende bronnen van prebiotica zijn inuline, Fructo-oligosachariden (FOS), Galacto-oligosachariden (GOS) en resistent zetmeel. Ze zijn te vinden in veel fruit en groenten, zoals bananen, uien, knoflook en asperges. Ook bonen, linzen, haver gerst en sommige zuivelproducten kunnen bronnen zijn.  

Synbiotica

Synbiotica zijn producten waar probiotica én prebiotica in zitten. 

Wetgeving

Probiotische stammen die vóór mei 1997 niet in significante mate in de Europese Unie zijn geconsumeerd, kunnen onder Verordening (EU) 2283/2015 EU Novel Food Regulation vallen. Deze verordening vereist dat nieuwe voedingsmiddelen, waaronder bepaalde probiotische stammen, een veiligheidsbeoordeling ondergaan en goedgekeurd worden voordat ze in de EU op de markt mogen worden gebracht. 

Het EFSA voert een veiligheidsbeoordelingen uit om te beoordelen of bepaalde micro-organismen aan voedsel mogen worden toegevoegd. Groepen micro-organismen die door de beoordeling heen komen krijgen het predicaat qualified presumption of safety (QPS). Dit predicaat geldt voor elk micro-organisme dat tot de groep behoort. Deze lijst van toegestane micro-organismen wordt iedere drie jaar geëvalueerd, waarbij EFSA ook tussentijds literatuuronderzoek uitvoert 

De Nederlandse VWA heeft in 2022 een Handboek Voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen en kruidenpreparaten gepubliceerd met tips voor het bedrijfsleven. Voor België is de voedingssupplementenwetgeving vastgelegd in KB van 29 augustus 2021 betreffende de fabricage van en de handel in brengen van voedingssupplementen (andere stoffen). Dit besluit omvat onder meer een notificatieprocedure voor voedingssupplementen in de handel gebracht mogen worden.  

Etikettering 

De Europese commissie blijft bij het standpunt dat het gebruik van de term pro- of prebiotica een gezondheidsclaim is. Een algemene gezondheidsclaim op naam van de term probiotica of prebiotica is vooralsnog niet goedgekeurd bijgevolg kunnen de termen als dusdanig niet op de labels van levensmiddelen gebruikt worden.

Nationaal binnen de lidstaten zijn er wel meer praktische benaderingen. In Tsjechië ziet men ‘probiotica’ bijvoorbeeld als voedingsclaim, die is toegestaan als wordt voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden in de Claims Verordening. Dit houdt onder andere in dat de betreffende goede bacteriën aanwezig zijn in het levensmiddel in een hoeveelheid die volgens algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs het geclaimde heilzame effect bewerkstelligt. In Frankrijk en Noord-Ierland kan de term probiotica daarentegen worden gebruikt als een niet-specifieke gezondheidsclaim. Deze is toegestaan in combinatie met de geautoriseerde gezondheidsclaim ‘levende culturen in yoghurt of gefermenteerde melk verbeteren de lactosevertering van het product bij personen die lactose moeilijk verteren‘. In Italië mag de term enkel gebruikt worden als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan nl. producten moeten veilig zijn voor menselijke consumptie, ze moeten een geschiedenis van gebruik ten behoeve van de darmflora hebben en er moet een aanwezigheid zijn in het levensmiddel in levende vorm en in een adequate hoeveelheid tot einde houdbaarheidsdatum. In Nederland kan de term probiotica – net als in Denemarken en Frankrijk – worden gebruikt als categorie-aanduiding voor voedingssupplementen. Deze Nederlandse praktijk is vastgelegd in het Richtsnoerdocument ClaimsVo van de Keuringsraad. België volgt het Europees standpunt en dus is het gebruik van de termen op labels van levensmiddelen en voedingssupplementen niet toegestaan.

Voor voedings- of gezondheidsclaims op levensmiddelen is specifieke wetgeving opgesteld. Deze claims moeten voldoen aanVerordening (EU) nr. 1924/2006, de zogenaamde Claimsverordening. Het KB van 29 augustus 2021 licht de eisen voor etikettering en reclame toe voor België en de NVWA heeft voor Nederland een handboek voedings- en gezondheidsclaims uitgebracht waarin ook een Richtsnoerdocument betreffende het gebruik van gezondheidsclaims te vinden is.  

Een nieuwe versie van de General Standard voor Additieven

Een nieuwe versie van de General Standard voor Additieven

De General Standard for Food Additives (GSFA) beschrijft de voorwaarden waaronder levensmiddelenadditieven in alle levensmiddelen mogen worden gebruikt. Het is het grootste document in de Codex Alimentarius en wordt telkens bijgewerkt als de Codex Alimentarius-commissie nieuwe maximumgehalten (ML’s) voor het gebruik van relevante levensmiddelenadditieven vaststelt. In februari 2024 kwam het bericht dat er een update heeft plaatsgevonden en dat deze geüpdatet versie is geplaatst op de website van Codex Alimentarius. 

Deze databank bevat alle bepalingen voor levensmiddelenadditieven die door de Codex Alimentarius-commissie zijn vastgesteld.  

De bepalingen zijn doorzoekbaar per levensmiddelenadditief (naam, synoniem, INS-nummer), per functionele klasse en per levensmiddelencategorie, zoals beschreven in bijlage B van de Codex GSFA. 

Lees verder over additieven: 

Nuttige info:  

De drinkwaterrichtlijn en nieuwe wetgeving voor drinkwatercontactmaterialen 

De Drinkwaterrichtlijn (EU) 2020/2184 van de Europese Unie betreft de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie en bevat strikte regels om de volksgezondheid te beschermen en de kwaliteit van drinkwater te waarborgen. 

In 2022 is deze drinkwaterrichtlijn reeds geactualiseerd. Er werd destijds al aangegeven dat verdere aanvulling zou gaan plaats vinden. Per januari 2024 zijn er 2 gedelegeerde verordeningen en 2 uitvoeringsbesluiten aan deze richtlijn toegevoegd. De verordeningen en besluiten zijn direct toepasbaar in alle lidstaten. De aanvullingen leggen specifieke hygiënevereisten vast voor verschillende soorten eindmaterialen. Ook voorzien deze in de opstelling van positieve lijsten van stoffen die in contact komen met drinkwater. Er wordt door de Europese Commissie steeds gewerkt aan geharmoniseerde specificaties, rekening houdend met migratielimieten en referentienummers van stoffen. Groepsvermeldingen zullen geleidelijk plaatsmaken voor individuele beoordelingen. Om de nationale autoriteiten voldoende tijd te geven om zich voor te bereiden op de toepassing van de Europese positieve lijsten, zal de wetgeving vanaf 31 december 2026 van toepassing zijn. De nationale systemen zijn van toepassing tot en met 31 december 2026.  

Materialen en chemicaliën in contact met drinkwater:

Materialen die worden gebruikt voor de onttrekking, behandeling, opslag en distributie van drinkwater moeten veilig zijn. Ze mogen de menselijke gezondheid niet in gevaar brengen, de geur, smaak of kleur van het water niet negatief beïnvloeden, microbiële groei niet bevorderen, en geen schadelijke stoffen in het water afgeven 

Zo zijn voor de contactmaterialen de eisen geharmoniseerd. Het type materiaal heeft bijvoorbeeld  invloed op het risico van lood en Legionella. Vastgelegd zijn o.a.:   

Positieve lijsten:

Uitvoeringsbesluit (EU) 2024/367van de Commissie van 23 januari 2024 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad door opstelling van de Europese positieve lijsten van uitgangsstoffen, samenstellingen en bestanddelen die mogen worden gebruikt voor de vervaardiging van materialen of producten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water.  

Beoordelingsmethodieken en conformiteitscriteria:

Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/370van de Commissie van 23 januari 2024 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad door vaststelling van conformiteitsbeoordelingsprocedures voor producten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en de regels voor de aanwijzing van bij die procedures betrokken conformiteitsbeoordelingsinstanties.  

Procedures en methoden voor testen en goedkeuren: 

Uitvoeringsbesluit (EU) 2024/368van de Commissie van 23 januari 2024 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de procedures en methoden voor het testen en aanvaarden van eindmaterialen die worden gebruikt in producten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water.  

Duidelijke markering i.v.m. geschikt zijn voor contact met drinkwater: 

Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/371van de Commissie van 23 januari 2024 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2020/2184 van het Europees Parlement en de Raad door vaststelling van geharmoniseerde specificaties voor de markering van producten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water.: Deze markering bestaat uit een symbool en de tekst ‘GESCHIKT VOOR DRINKWATER’. Het symbool moet minstens 5 mm hoog zijn en onuitwisbaar worden aangebracht op het product, de verpakking en de documentatie. De tekst moet in hoofdletters en met een minimale lettergrootte van 5 mm zijn en in de officiële talen van de betreffende lidstaat worden weergegeven.  

De eisen gelden ook voor behandelingschemicaliën en filtermaterialen. 

Risico gebaseerde aanpak

Per 2022 is er reeds een uitgebreide risicobeoordeling en risicobeheer vereist voor de hele waterleveringsketen, van de bron tot de kraan.  

De risico gebaseerde benadering bestaat uit 3 onderdelen, de risicobeoordeling en risicobeheer van:  

  • onttrekkingsgebieden voor de onttrekkingspunten van voor menselijke consumptie bestemd water (artikel 8); 
  • het gehele watervoorzieningssysteem van inname tot punt van levering (artikel 9); 
  • potentiële risico’s van de huishoudelijke leidingnetten (artikel 10) en het beperken van deze risico’s door maatregelen met focus op lood en Legionella. Dit gaat onder andere over analyse en monitoring. 

Zeer kleine en kleine waterleveranciers (10 m³ per dag leveren of minder dan 50 personen per dag bedienend resp. 10-100 m³ per dag of 50-500 personen per dag) zijn uitgezonderd van de verplichting tot risicobeoordeling en risicobeheer. Wordt het drinkwater geleverd in het kader van een openbare of commerciële activiteit, dan moeten dergelijke (zeer) kleine collectieve watervoorzieningen wel voldoen aan de kwaliteitseisen, monitoringsverplichtingen, maatregelplichten en informatieplichten. 

Parameterwaarden voor water

De belangrijkste microbiologische parameters voor de controle van drinkwater zijn Enterococcen en Escherichia coli, beiden indicatoren voor de aanwezigheid van ziekteverwekkende bacteriën.   

Per 2022 zijn er nieuwe chemische parameters in beeld waarop de EU lidstaten uiterlijk op 12 januari 2026 moeten gaan monitoren, zijn:  

  • chloraat, chloriet, en gehalogeneerde azijnzuren, om desinfectie en desinfectiebijproducten te controleren
  • mycrocystine-LR en uranium op basis van natuurlijk voorkomen  
  • PFAS op basis van wijdverspreid voorkomen, persistentie en schadelijkheid. Lidstaten mogen kiezen tussen een som-norm voor PFAS, of een norm voor PFAS-totaal. Nederland kiest ervoor bij de implementatie van de richtlijn in de nationale wetgeving voor de PFAS-totaal norm van 0,10 µg/l volgens het ontwerpbesluit tot wijziging van het drinkwaterbesluit. België had het streven tegen 2026 naar 0,5 µg/l  te gaan, maar recentelijke (Maart 2024) adviezen van de Hoge Gezondheidsraad dringen aan op een nog lager niveau. Nationale (BE) wetgeving is vastgelegd in de kwaliteitseisen van het drinkwater
  • Bisphenol A vanwege de hormoon verstorende werking

De belangrijkste wijzigingen van chemische normen welke per 2022 aangekondigd zijn: 

  • De geldende norm van 50 µg chroom/l wordt verlaagd, voor 12 januari 2036 moeten de nodige maatregelen zijn genomen om aan de strengere norm van 25 µg/l te voldoen.   
  • Antimoon, seleen en boor krijgen waarden op basis van WHO-advies. De nieuwe parameterwaarden (resp. 10 µg/l, 20 µg/l en 1,5 mg/l) zijn gebaseerd op nieuwe toxicologische data en houden rekening met levenslange veilige consumptie.   
  • De  norm voor lood (10 µg/l) geldt tot januari 2036. Daarna geldt de norm 5 µg/l. Voor huishoudelijke leidingnetten is 5 µg/l een streefwaarde, omdat de lidstaten niet altijd bevoegd zijn om de vervanging van loden leidingen op te leggen. Voor alle nieuwe materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, ongeacht of ze bestemd zijn voor gebruik in een watervoorzieningssysteem of een huishoudelijk leidingnet, geldt een waarde van 5 µg lood/l aan de kraan. 
  • Voor pesticiden is bepaald dat lidstaten een richtwaarde moeten vaststellen om de aanwezigheid van niet-relevante metabolieten van pesticiden in voor menselijke consumptie bestemd water te beheersen. België en Nederland kiezen voor 0,10 µg/l (per stof) en voor een totaal van 0,50 µg/l. Nederland vult nog aan met limieten voor aldrin, dieldrin, heptachloor en heptachloorepoxide een maximum van 0,030 µg/l. Deze zaken zijn vastgelegd in ontwerpbesluit tot wijziging van het drinkwaterbesluit (NL) en het de kwaliteitseisen van het drinkwater (BE).   
  • In artikel 13 van het NL Drinkwaterbesluit is voorzien in een flexibele, aan nieuwe informatie aan te passen aandachtstoffenlijst. In de lijst, gepubliceerd inUitvoeringsbesluit (EU) 2022/679, staan stoffen die voorkomen in drinkwater en waarover bezorgdheid bestaat ten aanzien van de gezondheid van consumenten. Denk hierbij aan hormoon ontregelende verbindingen, geneesmiddelen en microplastics. 

Voor chemische parameters mogen lidstaten derogaties (ontheffing op basis van nationaal recht) toestaan, maar alleen onder strengere voorwaarden voor derogaties. Er mag geen sprake zijn van een gevaar voor de gezondheid en de termijn waarin de derogatie geldt is beperkt. Voor microbiologische parameters is geen derogatie mogelijk. Voor indicatorparameters en de richtwaarden voor aandachtstoffen is geen ontheffingsmogelijkheid van toepassing; in geval van overschrijding moet onderzoek naar de oorzaak plaatsvinden en moeten herstelmaatregelen genomen worden (tenzij de toezichthouder oordeelt dat er geen risico voor de volksgezondheid is). 

Nuttige info:

EU 
België
Nederland

Aankomende wijzigingen wetgeving voor Voedselcontactmaterialen

Hieronder lichten we enkele aankomende wijzigingen toe aangaande voedselcontactmaterialen wetgeving:

Dit is een premiumartikel. Premiumartikelen maken deel uit van het Normec Foodcare Kenniscentrum abonnement.  Alle kennis en ervaring vanuit elke expertise komt samen in de Kennisbank. Je vindt hier alle relevante informatie over diverse productgroepen en wetgeving. Benieuwd? Lees wat het Normec Foodcare Kenniscentrum jou kan bieden.

Verbod op PFAS  

Op 13 maart 2024 gaf het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) een update van zijn voorstel om per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) onder REACH te beperken. Het voorstel, dat oorspronkelijk werd voorgesteld op 7 februari 2023 als reactie op een verzoek van vijf EU-lidstaten, is gericht op het beperken of verbieden van de meeste toepassingen van PFAS, waaronder in materialen die met levensmiddelen in contact komen. Deze voorstellen worden in de loop van 2024 verder geëvalueerd door de wetenschappelijke comités van ECHA. Evaluatie van PFAS in materialen die met levensmiddelen in contact komen staat gepland in september.   

Ontwerp van wetenschappelijke richtlijn voor mechanische PET-recyclingprocessen na consumptie

Er wordt een aanvulling verwacht op verordening (EU) 2022/1616 betreffende materialen en voorwerpen van gerecycleerde kunststof bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen. De verordening richt zich op decontaminatie en vereist het aantonen van drie veiligheidsniveaus: recyclingtechnologie, recyclingproces en recyclinginstallatie. Het Belgische FAVV heeft een omzendbrief geschreven welke stapsgewijs inzicht geeft in hoe als exploitant te kunnen voldoen aan huidige wetgeving.  

Begin 2024 is er specifiek voor de recyclingtechnologie ‘mechanische PET-recycling’ (tabel 1 van bijlage I van (EU) 2022/1616) een ontwerp gekomen van een richtlijn over criteria voor het evalueren en voorbereiden van post-consumer recyclingprocessen.  Het doel van het ontwerp is om voor het EFSA vast te stellen: 

  • Wat evaluatiecriteria kunnen zijn voor het recyclageproces. 
  • Hoe de wetenschappelijke evaluatie aan te pakken om het decontaminatievermogen van het recyclingproces te beoordelen. 

Eind maart 2024 is de openbare raadpleging voor dit ontwerp gesloten. Indien hier geen wijzigingen zijn uitgekomen, is de volgende stap het lanceren van het ontwerp.   

Ontwerp voor een “kwaliteitsverordening”

Op 13 maart 2024 heeft de Europese Commissie haar ontwerp “kwaliteitsverordening” gepubliceerd. Deze verordening heeft tot doel de kwaliteitscontrole in het kader van Verordening (EU) nr. 10/2011 inzake kunststof FCM te verbeteren door: 

  • Te zorgen voor afstemming op Verordening (EU) 2022/1616 betreffende gerecycleerde kunststoffen en Verordening (EU) 528/2012 betreffende biociden;  
  • Zuiverheidseisen in te voeren voor stoffen die uit afval en natuurlijke materialen zijn verkregen;
  • De aanpassing van migratietests voor meerlaagse materialen en herhalingstests. 

Ook worden regels voor kwaliteitscontrole toegevoegd aan Verordening (EG) nr. 2023/2006 inzake goede fabricagemethoden. De feedbackperiode voor het ontwerp is geëindigd op 15 april 2024. 

Veiligheid nieuwe stof voor gebruik in voedselcontactmaterialen beoordeeld 

Het EFSA-panel voor materialen die met levensmiddelen in contact komen, enzymen en technische hulpstoffen voert regelmatig beoordelingen van stoffen uit. Ze heeft nu de veiligheid beoordeeld van fosforzuur, triphenylester, polymeer met 1,4-cyclohexanedimethanol en polypropyleenglycol, C10-16-alkylesters.   
Deze stof wordt gebruikt als additief in alle soorten polyolefinen (kunststoffen). Toxicologische studies zijn uitgevoerd en gaven geen aanleiding tot bezorgdheid over genotoxiciteit of neurotoxiciteit. Het panel heeft geconcludeerd dat de stof geen veiligheidsrisico’s voor de consument oplevert als deze wordt gebruikt in materialen en voorwerpen van polyolefinen (max. 0,15% m/m) die met alle soorten levensmiddelen in contact komen, met uitzondering van zuigelingenvoeding en moedermelk.

Nuttige info: 

Lees op de kennisbank verder over:

Europa:
België
  • Omzendbrief gerecycleerde kunststof contactmaterialen 

Je las een premiumartikel van het Normec Foodcare Kenniscentrum. Smaakt het naar meer? Bekijk dan de mogelijkheden van het Kenniscentrum abonnement. Hiermee heb je direct toegang tot alle kennis.

België wijzigt het KB-levensmiddelenhygiëne 

Dit is een premiumartikel. Premiumartikelen maken deel uit van het Normec Foodcare Kenniscentrum abonnement.  Alle kennis en ervaring vanuit elke expertise komt samen in de Kennisbank. Je vindt hier alle relevante informatie over diverse productgroepen en wetgeving. Benieuwd? Lees wat het Normec Foodcare Kenniscentrum jou kan bieden.

Op 1 februari 2024 is een wijzigingsbesluit op het Koninklijk Besluit Levensmiddelenhygiëne verschenen in het Belgische Staatsblad. Met dit wijzigingsbesluit wordt een aantal nieuwe voorschriften geïntroduceerd om de consument beter te beschermen. Ook worden er wettelijke bepalingen verduidelijkt en achterhaalde juridische verwijzingen ingetrokken om misverstanden op het terrein te vermijden en de leesbaarheid van de tekst te verbeteren.

Het KB-levensmiddelenhygiëne is een aanvulling op EU-wetgeving levensmiddelen zijnde Verordening (EG) 852/2004. Het is een belangrijke Belgische basiswetgeving. Daarom is het van belang om als exploitant een verificatie toe te passen op het eigen kwaliteitssysteem om te toetsen of het nog voldoet. Wanneer er wijzigingen van toepassing zijn, neem deze dan op in het managementreview.   

De belangrijkste wijzigingen zijn:  

  • Registratie van de behandelingen met biociden voor levensmiddelenbedrijven die dieren fokken, oogsten of bejagen, of primaire producten van dierlijke oorsprong produceren en voor levensmiddelenbedrijven die plantaardige producten produceren of oogsten.
  • Afschaffing van de vóór-oogstcontroles die de wetgeving oplegde voor bepaalde groenten (het toezicht zal, net zoals voor alle producten die in de handel worden gebracht, moeten gebeuren via het autocontrolesysteem van de operatoren).
  • Mogelijkheid tot rechtstreekse levering van gekiemde zaden aan de eindverbruiker of de plaatselijke detailhandel.
  • Afwijkingen/versoepelingen van de verplichte microbiologische analyse bij rechtstreekse levering van kleine hoeveelheden kiemgroenten (maximaal 30 kg zaden per maand) door de producent aan de eindconsument of aan de plaatselijke detailhandel die rechtstreeks aan de eindverbruiker levert.  (De microbiële analyses van kiemgroenten zijn beschreven in Verordening (EC) 209/2019, die Verordening (EG) Nr. 2073/2005 wijzigde)
  • Houdbaarheidsdatum van geportioneerde producten (door activiteiten in detailhandel) mag deze van het oorspronkelijke product nooit overschrijden.
  • Vervanging van de zelfregistrerende thermometer door een thermometer die zichtbaar is in kleine vriesinstallaties in de detailhandel en de (niet-erkende) groothandel.
  • Verduidelijking en uitbreiding van de categorieën van te koelen levensmiddelen waarvoor voorwaarden voor temperatuur zijn vastgesteld. Onder andere levende tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen worden bewaard aan een temperatuur die de voedselveiligheid garandeert evenals hun overleving en die niet hoger mag zijn dan 10°C.
  • Mogelijkheid om aangesneden wielen harde kaas die dienen om te portioneren, gedurende maximaal 7 dagen tijdens de verkoopuren ongekoeld te bewaren bij 21°C.
  • Verplichting om diepvriesproducten aan -18°C te bewaren, met uitzondering bij verkoop van consumptie-ijs bestemd voor onmiddellijke consumptie waarvoor een maximale temperatuur van -9°C is toegelaten.   
  • BtoC: detailhandel. Wanneer levensmiddelen opnieuw opgewarmd of warm bewaard moeten worden, moeten zij zo vlug mogelijk worden opgewarmd en hun temperatuur moet op een minimum van 60 °C worden gehouden à wordt nu aangevuld met: “Wanneer warme levensmiddelen moeten gekoeld worden, moet de temperatuur van 60° C naar 10° C gebracht worden in een periode van maximum twee uur”.
  • Opheffing van het verbod op de verkoop van niet-voorverpakte producten van dierlijke oorsprong in automaten.
  • Opheffing van het verbod op huisdieren in inrichtingen waar zowel levensmiddelen als dieren worden verkocht, indien de contaminatie van de levensmiddelen kan worden vermeden.

Hoe zit dit in Nederland?

De Nederlandse aanvulling op EU-wetgeving levensmiddelen Verordening (EG) 852/2004 staat beschreven in de Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen en de Warenwetbesluit Bereidingen en behandeling van levensmiddelen. Beide warenwetten zijn de afgelopen jaren inhoudelijk niet significant gewijzigd. Er wordt hier wel verwezen naar de hygiënecodes welke per sector door de eigen branchevereniging worden opgesteld en erkend door de NVWA.   

Nuttige info:  

Europa: 
België: 
Nederland: 

Je las een premiumartikel van het Normec Foodcare Kenniscentrum. Smaakt het naar meer? Bekijk dan de mogelijkheden van het Kenniscentrum abonnement. Hiermee heb je direct toegang tot alle kennis.

Wetgeving benaming van vlees-, vis- en zuivelvervangers

Al jaren verandert er veel in de markt van vlees-, vis- en zuivelvervangers. Het aanbod in de supermarkten stijgt en zal de komende jaren alleen maar blijven stijgen. Producenten en verkopers van vervangers staan nog wel eens voor een uitdaging als het gaat om het geven van een juiste benaming aan plantaardige alternatieven. De benaming moet duidelijk voor de consument, niet misleidend en commercieel pakkend zijn, en bovenal voldoen aan Europese en landelijke wetgeving. Waar moet je op letten?

Wat zegt de wetgeving over vleesvervangers?

Voor de productgroep vleesvervangers is momenteel geen concrete wetgeving op Europees niveau. In april 2019 heeft de Landbouwcommissie van het Europees Parlement in Brussel gestemd voor een verbod op vleesnamen voor vegetarische producten, zoals groenteburger en vegaworstje. De Landbouwcommissie vindt dat plantaardige producten niet naar sommige dierlijke producten mogen verwijzen, omdat dit verwarrend zou zijn voor de consument. Maar het voorstel werd afgekeurd tijdens een stemming in het Europees Parlement. In 2021 besloot het Europees Parlement dat elke lidstaat zelf de regels met de benamingen van vlees- en melkvervangers mag bepalen.

In Verordening (EU) nr. 1169/2011 staat dat de Europese Commissie uitvoeringshandelingen zal vaststellen voor een aantal onderwerpen, onder andere over informatie met betrekking tot de geschiktheid van een levensmiddel voor vegetariërs of veganisten. Er is geen deadline voor deze uitvoeringshandelingen en het is niet bekend wanneer deze zullen worden gepubliceerd.

Wat zegt de wetgeving over zuivelvervangers?

Voor producten met zuivelbenamingen bestaat al wel Europese wetgeving. Hiervoor geldt dat deze producten melk moeten bevatten. Zo mag een plantaardig alternatief voor zuivel met soja, geen sojamelk heten. Hierop is een aantal uitzonderingen in wetgeving vastgelegd, zoals kokosmelk en pindakaas. In oktober 2020 stemde het Europees Parlement in met nieuwe strengere eisen ten aanzien van het gebruik van zuivelbenamingen. Teksten als “plantaardige vervanger van melk”, “yoghurtsmaak” en “romig” zouden na invoering van de wijzigingen alleen voor zuivelproducten of producten met zuivel gebruikt mogen worden. Maar na veel bezwaren vanuit onder andere de industrie is het voorstel ingetrokken.

Hoe zit het in Nederland?

In Nederland heeft het ministerie van VWS een beleidsstandpunt ingenomen over de benaming van vegetarische producten. Dit standpunt, zoals te lezen in het handboek Etikettering van levensmiddelen, luidt voor vegetarische varianten van vlees- en visproducten:

er mag gebruik worden gemaakt van gebruikelijke benamingen als ”schnitzel”, “burger” en “worst” in de benaming van het product, mits het duidelijk is dat het om een vegetarische variant gaat. Dit betekent dat de benamingen “vegaschnitzel”, “vegaburger”, “vegetarische rookworst” zijn toegestaan;

Er mag gebruik worden gemaakt van diersoortnamen, zolang helder is dat het een vegetarische variant betreft. Dit betekent bijvoorbeeld dat benamingen als “vegetarische kipstukjes”, “vegetarische tonijn”, “vegetarische krabsalade” zijn toegestaan, maar niet uitsluitend de bewoording “kipstukjes”, “tonijn” en “krabsalade”.

Gereserveerde benamingen mogen alleen gebruikt worden bij producten die aan de wettelijke eisen voldoen die aan de gereserveerde benaming worden gesteld. In het Warenwetbesluit Vlees, gehakt en vleesproducten zijn gereserveerde aanduidingen vastgesteld voor diverse producten. Voor vlees, vleesproducten en vleesbereidingen zijn vastgestelde gereserveerde benamingen (aanduidingen) niet toegestaan in het gebruik voor vleesloze producten, ook niet in combinatie met ‘vegetarisch’. Ook het gebruik van foutief gespelde diersoortnamen of foutief gespelde gereserveerde benamingen is niet toegestaan. Zo zijn de aanduidingen vegetarisch gehakt en vegetarisch gehackt beide niet conform wetgeving. Voor de consument wellicht verwarrend; “vegetarische kip” kan wel in de schappen liggen, maar “vegetarisch gehakt” niet. De mogelijkheid om bij vegetarische vleesvarianten het gebruik van de term “vegetarisch” te verplichten wordt nader onderzocht.

Hoe zit het in België?

In België is er sinds 2020 een werkgroep actief die zich bezighoudt met vegetarische benamingen. In het eerste voorstel van deze werkgroep zou er een verbod worden ingesteld voor verwijzing naar dierlijke producten bij plantaardige alternatieven. Dit voorstel werd niet aangenomen, omdat dit de toegankelijkheid en promotie van vegetarische voeding in de weg zou kunnen staan. Bovendien werd het gevaar voor misleiding volgens de plantaardige sector overdreven. Door de onenigheid werd begin 2024 bekend dat er voorlopig geen nieuwe richtlijnen komen over de benamingen van vegetarische producten. België wacht verdere Europese regelgeving af.

Hoe zit het in Duitsland?

Inmiddels is Duitsland de grootste markt voor plantaardige alternatieven en Duitse consumenten eten de op een na hoogste volumes aan plantaardige alternatieven. Hoewel het verbod op ‘misleidende’ termen als ‘vegetarische schnitzel’ al in 2016 door de Duitse minister op de agenda werd gezet is er vooralsnog geen landelijke wetgeving rondom benamingen van vervangers.

In 2016 werd door de Duitse deelstaatministers al wel een wettelijke definitie aangenomen voor veganistische en vegetarische levensmiddelen. ‘Veganistische levensmiddelen zijn levensmiddelen die geen producten van dierlijke oorsprong zijn en waarin in alle stadia van de productie en verwerking geen ingrediënten van dierlijke oorsprong (met inbegrip van additieven, draagstoffen, aroma’s en enzymen), technische hulpstoffen of andere stoffen, in al dan niet verwerkte vorm zijn toegevoegd of gebruikt. Vegetarische levensmiddelen zijn levensmiddelen die voldoen aan dezelfde eisen die gesteld worden aan veganistische levensmiddelen maar hierbij mag tijdens de productie wel gebruik gemaakt worden van melk, colostrum (biest), eieren, honing, bijenwas, propolis en wolvet (inclusief lanoline).’

Binnen Europa zien we dat definities gesteld door keurmerken, producenten en retailers vaak in lijn zijn met deze Duitse definities.

Hoe zit het in Frankrijk?

In Frankrijk was het gebruik van vleesnamen voor vegetarische producten in 2020 al per wet verboden. Die wet werd in 2022 echter tijdelijk opgeschort. Toch bleef er discussie en protest bestaan en besloot de Franse regering dat het verbod alsnog zou gelden. Op 26 februari 2024 publiceerde de regering versneld een decreet uit. In een nieuwe wet specificeert Frankrijk een lijst met namen die voorbehouden zijn voor dierlijke producten en daarom verboden zijn voor plantaardige eiwitproducten. Dit betekent dat termen als ‘ham’, ‘filet’ en ‘entrecote’ exclusief gereserveerd zijn voor producten van dierlijke oorsprong.

Er zijn twee uitzonderingen op de regel. Producten die een kleine hoeveelheid plantaardige inhoud bevatten, zoals cordon bleu of merquezworstjes, mogen wel vleesbenamingen gebruiken. Een merquezworstje mag bijvoorbeeld maximaal 2 procent plantaardig eiwit bevatten. De tweede uitzondering is dat producenten uit andere EU-landen wel vleesvervangers met vleesnamen in Frankrijk mogen blijven verkopen.

Producenten krijgen een jaar de tijd om namen aan te passen en de huidige voorraad te verkopen. Personen die de wet overtreden kunnen een boete krijgen van maximaal 1500 euro. Voor bedrijven kan deze boete oplopen tot 7500 euro.