Gereguleerde producten, zoals additieven, enzymen, aroma’s, nutriënten, verpakkingsmaterialen, pesticiden, GGO’s en voedselgerelateerde processen, vereisen een wetenschappelijke veiligheidsbeoordeling door EFSA voordat ze op de EU-markt worden toegelaten. Bedrijven moeten bewijs leveren dat hun producten veilig zijn en/of dat claims wetenschappelijk onderbouwd zijn. Om bedrijven te ondersteunen zijn er specifieke gidsen uitgebracht door de EFSA.
Voor de volgende aanvragen zijn procedures in kaart gebracht:
Novel foods zijn nieuwe voedingsmiddelen of ingrediënten die vóór 15 mei 1997 niet significant in de EU werden geconsumeerd. De EFSA Novel Food Guidelines bieden een kader voor het indienen en beoordelen van aanvragen voor Novel Foods en traditionele voedingsmiddelen uit derde landen in de Europese Unie. Bedrijven moeten zorgen voor een volledig wetenschappelijk onderbouwd dossier om de veiligheid en geschiktheid van hun product te bewijzen.
Onder Novel Foods kunnen we o.a. rekenen; nieuwe ingrediënten zoals insecten, algen of synthetische stoffen, voedingsmiddelen geproduceerd met innovatieve technologieën (bijv. nanotechnologie) en traditionele levensmiddelen uit derde landen zonder historische consumptie in de EU (zie punt 2 van dit artikel).
Een aanvraag voor novel foods moet informatie bevatten over de samenstelling (chemische en biologische eigenschappen), het productieproces (methoden en technologieën) en de specificaties (fysisch-chemische en microbiologische eigenschappen). Verder moet het dossier inzicht geven in de geschatte inname, toxicologische gegevens (inclusief allergieën en toxiciteit) en de voedingswaarde (impact op de volksgezondheid). Indien van toepassing is ook een gelijkwaardigheidsanalyse met bestaande voedingsmiddelen vereist.
De beoordeling van novel foods begint met de mogelijkheid voor bedrijven om pre-indiening advies in te winnen bij EFSA om te verifiëren of hun product als novel food wordt beschouwd. Vervolgens dient een aanvraag met een volledig dossier bij de Europese Commissie te worden ingediend. EFSA beoordeelt daarna de veiligheid, voedingswaarde en risico’s van het product. Op basis van dit advies besluiten EU-risicomanagers over toelating tot de markt.
Als onderdeel van de Novel Foods richtlijn is er een richtlijn gepubliceerd voor traditionele levensmiddelen uit derde landen. Deze is bedoeld voor producten afkomstig uit niet-EU-landen met een bewezen geschiedenis van veilig gebruik. Ze bieden een vereenvoudigd toelatingsproces op basis van duidelijke historische consumptiedata. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de productgeschiedenis, consumptiepatronen en mogelijke risico’s of bijwerkingen. Deze richtlijn is geschikt voor bedrijven die traditionele levensmiddelen op de EU-markt willen introduceren, mits er bewijs is van veilig gebruik in het land van herkomst.
Voor elke EFSA-aanvraag is het cruciaal de juiste richtlijn te volgen en gedetailleerde, nauwkeurige documentatie te leveren om aan de beoordelings- en toelatingseisen te voldoen.
De EFSA Nutriënten Guidelines bieden richtlijnen voor het indienen en beoordelen van aanvragen die betrekking hebben op nutriënten in levensmiddelen. Deze richtlijnen zijn bedoeld om de veiligheid en effectiviteit van nutriënten te waarborgen, vooral wanneer ze worden toegevoegd aan voedingsmiddelen of worden aangeboden in de vorm van supplementen. Hier is een overzicht van de belangrijkste aspecten:
De richtlijnen zijn van toepassing op:
Een aanvraag voor nutriënten moet gedetailleerde informatie bevatten, zoals de samenstelling van het nutriënt, inclusief de chemische vorm en stabiliteit. Daarnaast moet er inzicht worden gegeven in de voedingswaarde en biobeschikbaarheid, oftewel het vermogen van het lichaam om het nutriënt op te nemen en effectief te gebruiken. Het is ook essentieel om veiligheid te onderbouwen, met bewijs dat de consumptie van het nutriënt veilig is bij de voorgestelde doseringen, inclusief de maximale veilige inname (UL). Verder moet doseringsinformatie worden verstrekt, met gegevens over de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden (ADH). Tot slot moet er wetenschappelijke onderbouwing zijn, zoals studies die de werkzaamheid en voordelen van het nutriënt aantonen.
Het beoordelingsproces van EFSA richt zich op het verifiëren van de veiligheid en effectiviteit van de claim of het nutriënt op basis van wetenschappelijk bewijs. Hierbij wordt speciale aandacht besteed aan kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals kinderen, ouderen of zwangere vrouwen. De analyse omvat ook een beoordeling van het risico op overmatige inname en mogelijke bijwerkingen.
Belangrijke aandachtspunten zijn dat claims duidelijk, waarheidsgetrouw en niet misleidend moeten zijn. Alleen claims die wetenschappelijk door EFSA zijn goedgekeurd, mogen op producten worden vermeld.
Met de introductie van het Concept Handboek Levensmiddelenmicrobiologie heeft de NVWA de opvolger van Infoblad 85 gepubliceerd. De definitieve versie wordt naar verwachting halverwege 2025 gepubliceerd. Het handboek blijft, net als infoblad 85, een richtlijn en geen wetgeving.
In dit artikel wordt per hoofdstuk een korte samenvatting gegeven. Hierbij worden wijzigingen ten opzichte van het infoblad toegelicht.
Het document is relevant voor eenieder die op enig moment juridisch eigenaar is van het product. Van productie bedrijven tot importeurs, handelaren en distributeurs.
De relevante Europese en nationale wetgeving en aanvullende informatie zoals de Technical Guidance. Hierin zijn geen wijzigingen.
De verantwoordelijkheden van de levensmiddelenbedrijven wordt hierin beschreven. Alsook hoe de NVWA handhaaft en er wordt verwezen naar het interventiebeleid van de NVWA.
Daar wordt beschreven dat eliminatie van een microbiologisch gevaar bij de producent goed beheersbaar is middels de HACCP systematiek. Dat geldt niet voor eliminatie van een microbiologisch gevaar bij bereiding door de consument, die uitgaat van het normaal te verwachten gebruik en zich minder zal laten leiden door een bereidingsvoorschrift op een etiket’. Bijvoorbeeld bij tartaar.
Een levensmiddelenbedrijf dient te beoordelen of een levensmiddel valt onder de definities genoemd in Verordening (EG) 2073/2005 of het WBBL. De NVWA toetst deze beoordeling en zal zich hierbij vooral richten op de effectiviteit van het gegeven bereidingsadvies waarbij het redelijkerwijs te verwachten gebruik en het bekend oneigenlijk gebruik meegewogen worden.
Dit was reeds vermeld in het Infoblad 85, echter is er nu specifiek een verwijzing gemaakt naar het Warenwetbesluit levensmiddelen en deze is gewijzigd met ingang van 1 januari 2025. Dus niet alleen de eisen uit de Verordening (EG) 2073/2005 zijn hier relevant, ook de eisen uit het WBBL, zoals bijvoorbeeld STEC. Dit is dan op basis van het feit of het product nog een hittebehandeling ondergaat of niet.
Er dient een houdbaarheidsstudie gedaan te worden voor elk relevant micro organisme gebaseerd op een risico analyse. De verplichting tot het uitvoeren van houdbaarheidsstudies geldt ook voor:
Het mogelijke verloop van de studies wordt toegelicht.
In de rest van het document wordt verder gedetailleerder ingegaan op de challenge testen, rapportages, etc. Een product valt in categorie 1.2 (Kant-en-klare levensmiddelen die als voedingsbodem voor L. monocytogenes kunnen dienen, met uitzondering van zuigelingenvoeding en voeding voor medisch gebruik) als er niet onderbouwd kan worden dat de norm van < 100 kve/g aan het einde van de THT niet overschreden kan worden. Er mag dan voor elke batch getest worden op afwezigheid in 25g, maar dit wordt slechts gedoogd als tijdelijke situatie.
Met betrekking tot verificatie (het monsternameplan) wordt de gewenste frequentie toegelicht en worden de volgende zaken benoemd als relevant om deze te bepalen:
Het monstername plan zal zijn op basis van wetgeving, aangevuld door alle relevante micro organismen die in kaart gebracht zijn (hoofdstuk 5). Aanvullend zal een programma hiervoor nodig zijn waarbij de frequentie op o.a. bovenstaande paramaters gebaseerd moet zijn.
Het NVWA STEC beleid is vervangen door de wijziging van het WBBL. Met ingang van 1 januari 2025 is dit dus leidend en zijn de ‘oude’ documenten van de NVWA m.b.t. STEC niet meer leidend.
Er wordt dieper ingegaan op het omgevingsonderzoek, ook hier gaat het om relevante micro-organismen en moet men verder kijken dan alleen Listeria. Het dient risico gebaseerd te zijn, waarbij gekeken moet worden naar niet alleen relevant micro-organismen maar ook naar frequentie, locatie, etc. Dit is niet heel veel anders dan elke GFSI norm op dit moment eist.
Er zijn 2 zaken het waard om specifiek te benoemen:
Ook zijn de acties bij afwijkingen belangrijk en dienen vooraf vastgelegd te worden in een procedure. Er worden een aantal acties benoemd, waarvan de laatste als volgt luidt: ‘Een risico beoordeling om te bepalen of levensmiddelen uit de handel moeten worden gehaald.’ In het plan moet duidelijk vastgelegd worden wat te doen bij een afwijking.
Er wordt dieper ingegaan op trendanalyses, deze stonden ook al in het oude infoblad. Wel dient er ingegrepen te worden indien uit de trendanalyse blijkt dat een limiet overschreden gaat worden.
Deze hoofdstukken bevatten criteria en instructies voor laboratoria.
In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op verschillende zaken die de NVWA uitvoert. Zo wordt het bewaren van isolaten benoemd, en wordt er kort ingegaan op Whole Genome Sequencing en uitbraak onderzoek. Er wordt echter ook kort beschreven hoe er met een tegen- expertise om gegaan wordt, daarbij komt het er op neer dat elke aangetoonde overschrijding van het criterium leidend is. Of dit monster nu door het NVW of door het bedrijf zelf genomen is.
In het handboek zijn zaken vastgelegd die in het grootste gedeelte van de gevallen al reeds bekend zijn. Het handboek geeft ten opzichte van de richtlijn een wat logischer structuur / indeling en verwijzing naar relevante wetgeving.
Wat wel opvalt is dat door het hele document heen duidelijk is dat alle relevante microbiologische gevaren geborgd moeten zijn. Concreet zal dit inhouden dat er een complete risico analyse uitgevoerd moet worden o.b.v. microbiologie waarbij alle facetten meegenomen moeten worden en onderbouwd moeten worden (dus omgevingsmonitoring, monsternameplan, frequentie monsternameplan, etc.) Ook dat is op zich niet nieuw, maar het feit dat het nu explicieter wordt beschreven zal betekenen dat hier door de NVWA bij de diverse audits / beoordelingen naar gekeken zal worden en beoordeeld zal worden.
Wet- en regelgeving is ook op Europees vlak voortdurend onderhevig aan verandering. In dit artikel vind je een aantal veranderingen welke we in 2025 verwachten.
Deze wijziging heeft betrekking op de lijst van landen die geen lid zijn van de EU die bepaalde levensmiddelen in de EU mogen invoeren, die gebaseerd is op een goedgekeurd residubewakingsprogramma en naleving van hygiënevoorschriften. Deze gewijzigde lijst:
De wijziging was reeds verwacht in het vierde kwartaal van 2024.
Dit initiatief vereist dat de EU-landen volledige genoom sequencing analyses uitvoeren en – bij onderzoek naar door voedsel overgedragen uitbraken van infectieziekten die van gewervelde dieren op de mens kunnen worden overgedragen (zoönoses) – verslag uitbrengen over de resultaten van de analyse, in overeenstemming met Richtlijn 2003/99/EG inzake de bewaking van zoönoses.
Het zal onderzoek naar door voedsel overgedragen uitbraken vergemakkelijken en helpen bij het vinden van de oorzaak ervan. Daardoor kunnen het aantal gevallen bij mensen en het terugroepen/uit de handel nemen van levensmiddelen worden beperkt, wat de consumenten en exploitanten van levensmiddelenbedrijven in de EU ten goede komt.
Deze wijziging wordt verwacht in het eerste kwartaal van 2025.
Deze verordening heeft tot doel de kwaliteitscontrole uit hoofde van Verordening (EU) 10/2011 betreffende materialen van kunststof die met levensmiddelen in contact komen te verbeteren door:
De verordening voegt ook regels voor kwaliteitscontrole toe aan Verordening (EG) 2023/2006 betreffende goede fabricagemethoden. Deze wijziging was verwacht in kwartaal vier van 2024. Lees er meer over in het artikel ‘Aankomende wijzigingen wetgeving voor Voedselcontactmaterialen’.
Na uitstel van de werkzaamheden tot wijziging van Verordening (EU) 2022/1616 betreffende gerecycleerde kunststoffen was de verwachting dat de EU-Commissie in de zomer van 2024 een besluit zou nemen om de werkzaamheden aan deze verordening te hervatten. De aanpassingen zullen zich richten op het corrigeren van redactionele fouten en het verbeteren van certificeringssystemen voor kwaliteitsborging. Belangrijke elementen in de regelgeving zijn de eisen voor recyclingprocessen, de registratie van nieuwe technologieën en de voorwaarden voor het gebruik van gerecycleerde kunststoffen in voedselcontactmaterialen.
De huidige regelgeving vereist dat gerecycleerde kunststoffen worden geproduceerd met goedgekeurde technologieën of nieuwe technologieën die wachten op goedkeuring. Recyclers moeten voldoen aan administratieve verplichtingen zoals registratie in een EU-register en naleving van specifieke documentatie- en labelingseisen. De autorisatie van nieuwe recyclingprocessen wordt gecoördineerd met de Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) en de Europese Commissie, die uiteindelijk beslist over de goedkeuring van nieuwe technologieën of specifieke processen.
Daarnaast zal het bestaande EU-register voor recyclers worden uitgebreid met meer gegevens, zoals geautoriseerde processen, recyclingregelingen en nieuwe technologieën. Dit register ondersteunt transparantie en naleving van de verordening door betrokken bedrijven en toezichthouders.
Hervatting was reeds verwacht in kwartaal twee of drie van 2024.
Met dit initiatief worden de hygiënevoorschriften voor visserijproducten gewijzigd (bijlage III bij Verordening (EG) 853/2004). Het voorstel houdt in dat hele, aan boord van schepen in pekel ingevroren vissen, die momenteel bestemd moeten zijn voor de conservenindustrie of voor verwerking in inrichtingen in het kader van Verordening (EG) 852/2004, nu voor rechtstreekse menselijke consumptie kunnen worden bestemd volgens strikte invriesprocedures aan boord van daartoe erkende schepen.
Deze wijziging was verwacht in kwartaal vier van 2024.
Deze uitvoeringshandeling wijzigt de lijst van producten van dierlijke oorsprong waarop officiële controles aan grenscontroleposten moeten worden uitgevoerd en de bijbehorende codes van de gecombineerde nomenclatuur.
Deze wijziging wordt verwacht in het tweede kwartaal van 2025.
Dit initiatief beoogt de huidige methoden voor de bemonstering en analyse van plantaardige en dierlijke producten te actualiseren. Doel van deze methoden is na te gaan of de producten de maximumgehalten aan residuen van bestrijdingsmiddelen niet overschrijden. De bestaande voorschriften van Richtlijn 2002/63/EG zullen in een uitvoeringsverordening – krachtens artikel 34, lid 6, van Verordening (EU) 2017/625 – worden opgenomen en Richtlijn 2002/63/EG zal worden ingetrokken.
De update wordt verwacht in het eerste kwartaal van 2025.
Deze handeling heeft betrekking op producten uit niet-EU-landen die als biologisch zijn gecertificeerd en die als producten met een hoog risico worden beschouwd vanwege hun betrokkenheid bij ernstige, kritieke of herhaalde niet-naleving die een risico inhoudt voor de integriteit van de productie ervan. Ze bevat een lijst van deze (biologische en omschakelings-)producten met een hoog risico en nadere gegevens over het land van oorsprong en het vereiste aantal overeenstemmingscontroles, materiële controles en bemonsteringspercentages voor zendingen.
Dit wordt verwacht in het vierde kwartaal van 2025.
Dit initiatief wijzigt de lijst van producten en stoffen die in de biologische productie mogen worden gebruikt. Deze lijst moet regelmatig worden herzien.
Verwacht in het eerste kwartaal van 2025.
De verordening zal gedetailleerde regels bevatten voor de biologische productie van insecten (met uitzondering van bijen) die in diervoeders of levensmiddelen worden gebruikt. Er zal worden bepaald waar de insecten vandaan moeten komen, hoe ze moeten worden gevoederd en hoe ze moeten worden gehouden en gedood.
Verwacht in het vierde kwartaal van 2025.
Per 1 januari zal de ‘Verlaging van maximumgehalten van de som van 3-MCPD en vetzuuresters van 3-MCPD in zuigelingen-, peuter– en medische voeding’ van kracht worden. Lees er alles over in het artikel: ‘Recente wijzigingen voor Contaminanten Verordening (EU) 2023/915’
Het doel van dit initiatief is de controle op de naleving van de EU-voorschriften inzake dierenwelzijn tijdens officiële vleeskeuringen in slachthuizen te vergemakkelijken. Het verduidelijkt bijvoorbeeld hoe inspecteurs de staart van varkens en de poten van vleeskuikens moeten controleren om het welzijn van die landbouwhuisdieren na te gaan. Het actualiseert ook de regels inzake gezondheidsmerken, die na een overgangsperiode in werking zullen treden en de regels inzake het slachten op het bedrijf van dieren zoals runderen, varkens en struisvogels.
Deze wijziging was reeds verwacht in het vierde kwartaal van 2024.
Raadpleeg de kennisupdate voor meer specifieke branche en product gebonden Europese en nationale wetswijzigingen.
Nieuwe wetgeving op het vlak van BPA (Bisfenol A) wordt verwacht. Deze zal betrekking hebben op materialen die met levensmiddelen in contact komen. Dit heeft de Europese Commissie aangekondigd nadat uit een rapport van de EFSA van april 2023 is gebleken dat Europeanen een veel te hoge dosis aan deze chemische stof binnen krijgen. Tot op heden is er geen officieel voorstel ingediend, maar er zijn wel enkele verduidelijkingen gegeven.
Sinds 2015 zijn er op basis van destijds gevoerd onderzoek al diverse wetgevingsmaatregelen getroffen. Echter laat het meest recente onderzoek zien dat bisfenol A een veel groter risico voor onze gezondheid vormt dan eerder werd gedacht. Al bij zeer lage blootstelling blijkt BPA-beschadigingen aan te brengen aan het immuunsysteem. Het verstoort de werking van het hormoonsysteem, vermindert vruchtbaarheid en zorgt voor allergische huidreacties.
BPA wordt met name gebruikt in plastic voedsel- en drankverpakkingen. Ook ingeblikt voedsel zorgt voor een grote mate van blootstelling voor alle leeftijdsgroepen.
Momenteel is er voor voeding vastgesteld hoeveel BPA maximaal vanuit de verpakking mag migreren naar voeding. In Verordening (EU) nr. 10/2011 is een migratielimiet vastgesteld van 0,05 mg BPA per kg levensmiddel en in Verordening (EU) 2018/213 staat dat dit ook geldt voor vernissen of coatings die op materialen of voorwerpen worden aangebracht. Er kan bij EU-lidstaten ook nationale wetgeving zijn, zo geldt er in Frankrijk een verbod op BPA in voedselcontactmaterialen.
Concreet geeft de wetgeving een verbod op het opzettelijk gebruik van BPA in voedselcontactmaterialen aan. Denk aan kunststoffen, vernissen en coatings, inkten, kleefstoffen en rubber in verpakkingsmaterialen en huishoudelijke artikelen zoals keuken- en tafelgerei en in voedselverwerkende apparatuur.
Het verbod betreft dus enkel opzettelijk gebruikt, onbedoelde aanwezigheid van BPA valt niet onder het verbod.
Als bewijslast wordt een verklaring van overeenstemming gevraagd die wordt afgegeven door bedrijven uit de toeleveringsketen.
Goedkeuring hiervan is gekomen per juni 2024 met een vaste overgangsperiode van 18 maanden na de inwerkingtreding van het verbod.
Vitaminen en mineralen mogen door fabrikanten aan levensmiddelen worden toegevoegd en het vaststellen van aanvaardbare bovengrenzen voor vitamines en mineralen is bedoeld om overdosering te voorkomen. Vaak is mogelijke overdosering enkel een gevaar voor voedingssupplementen en verrijkte voedingsmiddelen (zoals ontbijtgranen en margarines). Met reguliere voeding worden de bovengrenzen voor vitamines en mineralen zelden overschreden.
Ondanks de Richtlijn 2002/46/EG kunnen de verschillende lidstaten eigen maximale niveaus bepalen, daardoor is het bijzonder complex voor bedrijven die hun producten in verschillende landen verkopen en is er nood aan harmonisatie.
Sinds enkele jaren geeft de Europese Commissie aan dat er geharmoniseerde Europese maximale gehalten voor vitaminen en mineralen zullen worden vastgesteld in voedingssupplementen tegen 2024. Tot de tijd dat het zover is, geldt de nationale wetgeving. Voor Nederland is dit Warenwetbesluit voedingssupplementen en voor België het KB in de handel brengen van nutriënten en van voedingsmiddelen waaraan nutriënten werden toegevoegd.
De EFSA is bezig met het onderzoeken en presenteert de aanvaardbare bovengrenzen van belangrijke micronutriënten één voor één. Hierbij een overzicht van wat reeds gepubliceerd is en van welke micronutriënten we nog aanvaardbare bovengrenzen mogen verwachten. Het volledige up to date overzicht is hier te raadplegen.
Dit is een premiumartikel. Premiumartikelen maken deel uit van het Normec Foodcare Kenniscentrum abonnement. Alle kennis en ervaring vanuit elke expertise komt samen in de Kennisbank. Je vindt hier alle relevante informatie over diverse productgroepen en wetgeving. Benieuwd? Lees wat het Normec Foodcare Kenniscentrum jou kan bieden.
Wet- en regelgeving is ook op Europees vlak voortdurend onderhevig aan verandering. In dit artikel vind je een aantal veranderingen welke in 2024 hebben plaats gevonden.
Voor verordening (EG) nr. 853/2004 heeft een uitgebreide wijziging plaats gevonden van bijlagen II en III. In dit artikel kom je er alles over te weten: ‘Wijzigingen Verordening (EG) 853/2004’
Vitaminen en mineralen in levensmiddelen en voedingssupplementen zijn belangrijk voor de gezondheid. Sommige zijn echter schadelijk als ze in grote hoeveelheden worden ingenomen. In dit artikel kom je er alles over te weten: ‘Eenduidige aanvaardbare bovengrens vitaminen en mineralen (EU)’
Het EU-voedselveiligheidsbeleid stelt eisen aan materialen die met levensmiddelen in contact komen (zoals voedselverpakkingen, keuken- en tafelgerei, en apparatuur voor de verwerking van levensmiddelen). Deze eisen zijn geactualiseerd. Producenten van verpakkingsmateriaal die de betrokken stoffen gebruiken moeten hiermee in orde zijn tegen 01 februari 2025. Lees er hier verder over: “Aandachtspunten bij wijzigingen in de kunststofverordening”
Dit initiatief verbiedt het gebruik van BPA in materialen die met levensmiddelen in contact komen, waaronder kunststof en gecoate verpakkingen. Aanleiding is de publicatie van het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, waarin wordt gewezen op een punt van zorg voor de menselijke gezondheid. Lees er hier verder over: “Nieuwe wetgeving voor BPA in voedselcontactmaterialen”
De Europese Commissie komt met een voorstel om lidstaten te verplichten om de voedselverspilling te verminderen. Het weggooien van voedingsmiddelen moet in de verwerking en productie met 10% afnemen voor 2030. Ook bij consumenten en Retail moet de voedselverspilling afnemen met 30% (per hoofd van de bevolking), in vergelijking met 2020. De Commissie wil dat er wettelijke, bindende doelstellingen komen om voedselverspilling in te perken. Hiermee hoopt ze dat voedselverspilling in alle lidstaten daadwerkelijk afneemt. Het voorstel van de Europese unie is op 5 juli 2023 aangenomen. Het is aan de lidstaten om hier zelf een invulling aan te geven. Nederland en België waren hier reeds vooruitstrevend mee aan de slag.
Zo heeft Nederland de ‘Theory of change’ met een versnellingsagenda gepubliceerd en geeft daarin aan dat in 2025 de opschalingsfase volop in gang dient te zijn. Deze fase houdt in:
Vlaanderen heeft het Actieplan voedselverlies en biomassareststromen circulair 2021-2025 lopende. Hierin wordt gewerkt aan concrete acties in drie kringlopen, waarvan de eerste kringloop volledig inspeelt op voedselverlies en voedselreststromen. Het stelt een beleid voor de periode 2021-2025 voor, voor het inperken van voedselverlies en het circulair inzetten van biomassa en biomassareststromen. Het actieplan focust op drie kringlopen:
Er staan drie krachtlijnen centraal welke de basis vormen van het beheer van elke kringloop.
Krachtlijn 1: Meer preventie, minder verlies; oa. Samenwerking binnen productieketens stimuleren, Vanuit de keten voedselverlies terugdringen bij de consument, Sociaal circulair ondernemen opschalen, Start-ups rond voedselverlies ondersteunen, Thuiskringlopen stimuleren.
Krachtlijn 2: Beter sorteren en inzamelen; Selectieve inzameling van keuken- en levensmiddelenafval bij bedrijven verbeteren.
Krachtlijn 3: Meer hoogwaardige valorisatie; De circulariteit en duurzaamheid van de recyclagemarkt verhogen en de toegevoegde waarde van de afzetmarkt verhogen.
De doelstellingen van dit Actieplan voor eind 2023, 2025 en 2030 zijn gebaseerd op:
Het streven is om de hele keten 30 % van de voedselverliezen te laten voorkomen, herverwerken als voedsel of hoogwaardiger valoriseren ten opzichte van 2015. Dit kan o.a. door: schenking van voedseloverschotten via de voedselbank, sociale organisaties, … of preventie en valorisatie acties in de ganse voedselketen (van producent tot en met consument). Reststromen uit groen-, natuur-, bos- en landschapsbeheer en houtreststomen worden optimaal gemobiliseerd en hoogwaardig gevaloriseerd.
Door dit initiatief worden bedrijven verplicht om beweringen over de ecologische voetafdruk van hun producten/diensten te onderbouwen aan de hand van standaardmethoden. Hierdoor moeten dergelijke beweringen in de hele EU betrouwbaar, vergelijkbaar en controleerbaar worden en wordt “greenwashing” (onterecht een milieuvriendelijk imago uitdragen) bestreden. Zo kunnen commerciële afnemers en investeerders duurzamere keuzes maken en zal het consumentenvertrouwen in groene keurmerken en de informatie hierover toenemen. Het advies is uitgebracht door de Europese commissie, een geplande goedkeuringsdatum is er tot op heden nog niet. Lees er hier verder over: ‘Duurzaamheidclaims en eerlijke handelspraktijken: De Europese nieuwe richtlijn’ .
De nieuwe Verordening (EU) 2024/1401 wijzigt de vorige Verordening (EU) 2022/2104 betreffende de handelsnormen voor olijfolie. Richtlijn (EU) 2024/1438 welke op 13 juni 2024 in werking is getreden wijzigt de volgende richtlijnen voor honing, vruchtensappen, jams en verduurzaamde melk. Lees er alles over in artikel: ‘Gewijzigde wetgeving olijfolie, honing, sappen, jams en melk’
Recent is de nieuwe Verordening (EU) 2024/1143 betreffende geografische aanduidingen voor wijn, gedistilleerde dranken en landbouwproducten, evenals gegarandeerde traditionele specialiteiten en facultatieve kwaliteitsaanduidingen voor landbouwproducten gepubliceerd. Deze verordening legt de regels vast voor beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen voor deze producten. Lees er alles over in het artikel: ‘Nieuwe wetgeving voor Europese geografische aanduidingen ’
De Drinkwaterrichtlijn (EU) 2020/2184 van de Europese Unie betreft de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie en bevat strikte regels om de volksgezondheid te beschermen en de kwaliteit van drinkwater te waarborgen. Lees er alles over in het artikel: ‘De drinkwaterrichtlijn en nieuwe wetgeving voor drinkwatercontactmaterialen’
In 2024 is Verordening (EG) nr. 2073/2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen op verschillende punten bijgewerkt. De belangrijkste wijzigingen zijn:
Listeria: De Europese Unie gaat de Listeria criteria in lijn brengen met de Internationale Codex Alimentarius. De wijziging heeft enkel betrekking op food categorie 1.2 Kant-en-klare levensmiddelen die als voedingsbodem voor Listeria monocytogenes kunnen dienen. Lees er verder over in het artikel: Wijziging VO(EU) 2073/2005: Listeria definitief gepubliceerd.
Analysemethoden voor naleving: De regels van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2463 specificeren standaard en alternatieve methoden om te testen of aan de microbiologische criteria wordt voldaan. Officiële laboratoria moeten referentiemethoden uit de verordening gebruiken om uniformiteit en betrouwbaarheid in alle lidstaten te garanderen en een consistente handhaving te bevorderen.
Overgangsperiode: Deze updates, gepubliceerd in 2024, zullen volledig van toepassing zijn tegen juli 2026, waardoor exploitanten van levensmiddelenbedrijven de tijd hebben om hun processen aan te passen.
In mei en juli 2024 zijn er meerdere wijzigingen doorgevoerd. Per 1 januari zal de ‘Verlaging van maximumgehalten van de som van 3-MCPD en vetzuuresters van 3-MCPD in zuigelingen-, peuter– en medische voeding’ van kracht worden. Lees er alles over in het artikel: ‘Recente wijzigingen voor Contaminanten Verordening (EU) 2023/915’
De Europese wetgeving rond alle afgeleiden van de plant Cannabis sativa L., zijnde cannabis, hennep en wiet in voedingsmiddelen biedt een kader waar lidstaten op voortbouwen, maar onderling hebben ze enkele belangrijke verschillen in interpretatie en uitvoering van deze regels. Hieronder een samenvatting van de Europese basisregels en de verschillen tussen de Belgische, Nederlandse, Franse en Duitse aanpak.
De EU biedt een algemeen juridisch kader dat lidstaten moeten naleven. De belangrijkste regelgeving omvat:
Hennep die minder dan 0,2% THC bevat, mag worden geteeld (volgens EU-verordeningen zoals die voor landbouwproducten). Voedingsmiddelen mogen slechts verwaarloosbare hoeveelheden THC bevatten (vaak <0,05 mg/kg, maar dit is niet EU-breed gestandaardiseerd).
CBD is door de Europese Commissie aangemerkt als Novel food. Voedingsmiddelen en supplementen met CBD mogen alleen worden verkocht als er een goedgekeurde Novel food-aanvraag is. Producenten moeten toxicologische studies indienen om de veiligheid aan te tonen.
Voedingsmiddelen met hennepbestanddelen vallen onder de Verordening (EG) 178/2002, die bepaalt dat producten veilig moeten zijn en geen gevaar mogen opleveren.
Claims over gezondheidsvoordelen van hennep of CBD zijn verboden tenzij deze expliciet zijn goedgekeurd door de EFSA (Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid).
Hoewel landen de Europese basisregels volgen, zijn er verschillen in de nationale aanpak van hennep, THC en CBD:
Nederland: THC in voedingsmiddelen is toegestaan tot een limiet van 0,05 mg/kg, in lijn met EU-richtlijnen. Hennepproducten zoals zaden en hennepzaadolie zijn legaal, mits het THC-gehalte verwaarloosbaar is.
België: België heeft ook een maximale limiet van 0,05 mg/kg THC in voedingsmiddelen, maar de Belgische autoriteiten zijn doorgaans strenger in de controle en handhaving. Gebruik van hennepbloemen of -bladeren (met eventueel lage THC-gehaltes) in voedingsmiddelen is doorgaans niet toegestaan.
Frankrijk: Frankrijk hanteert praktisch een nultolerantiebeleid voor THC in levensmiddelen. Dit betekent dat het gehalte aan THC in een product uiterst laag moet zijn, vaak zelfs onder detectieniveau.
Duitsland: De limieten voor THC worden vastgesteld op basis van specifieke voedingscategorieën. Voor “ready-to-eat” producten ligt de grens vaak op <0,005% THC. Duitsland heeft strenge toxicologische richtlijnen en drempels voor THC-opname via levensmiddelen.
Nederland: CBD mag niet in voedingsmiddelen worden verwerkt zonder een goedgekeurde Novel food-aanvraag. Toch worden CBD-producten in de praktijk vaak verkocht in de vorm van voedingssupplementen of olie, mits ze geen THC bevatten. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gedoogt soms het gebruik van CBD-producten zolang ze veilig zijn en correct worden geëtiketteerd, hoewel dit niet expliciet is toegestaan.
België: In België is het gebruik van CBD in voedingsmiddelen en supplementen strikt verboden, tenzij een Novel food-goedkeuring is verleend (wat tot nu toe niet is gebeurd). De Belgische autoriteiten (FAVV) controleren hier strenger op dan in Nederland. CBD-producten worden soms verkocht in België, maar dit gebeurt vaak in een grijze zone. Producten die als voedingssupplement worden verkocht, moeten voldoen aan de specifieke Belgische supplementenwetgeving en mogen geen CBD bevatten.
Frankrijk: CBD mag in levensmiddelen worden gebruikt, maar alleen als deze afkomstig is van goedgekeurde hennepvariëteiten (zaden en stengels). Dit sluit bloemen en bladeren vaak uit, tenzij zeer specifiek verwerkt.
Duitsland: CBD in levensmiddelen blijft in Duitsland grotendeels verboden, tenzij expliciet goedgekeurd als Novel food. Sommige CBD-producten worden beschouwd als geneesmiddelen en vallen onder farmaceutische wetgeving.
Nederland: Het gebruik van hennepzaad, hennepzaadolie, en hennepmeel is toegestaan zolang ze geen detecteerbare THC bevatten. Dit wordt algemeen geaccepteerd en de producten zijn gemakkelijk verkrijgbaar.
België: Vergelijkbaar met Nederland is het gebruik van hennepzaad en -olie toegestaan, maar de Belgische overheid is strikter in de naleving en controle op THC-gehaltes.
Frankrijk: Frankrijk staat het gebruik van hennepzaad en hennepzaadolie toe in levensmiddelen, maar handhaaft strikte limieten op THC-gehaltes in voedingsproducten. THC in levensmiddelen moet praktisch niet-detecteerbaar zijn.
Duitsland: In Duitsland is het gebruik van hennepzaad en hennepzaadolie in levensmiddelen toegestaan, mits de hennep afkomstig is van goedgekeurde variëteiten en aan THC-limieten voldoet. De limieten voor THC zijn streng en afhankelijk van het type voedingsmiddel. Voor olie geldt vaak een maximum van 0,005% THC (zeer laag).
Nederland: De NVWA houdt toezicht op THC-gehaltes en voedselveiligheid, maar voert in de praktijk minder strenge controles uit op producten die CBD bevatten, zolang er geen gezondheidsrisico is. Er is sprake van enige gedoogcultuur met betrekking tot CBD-producten, wat overeenkomt met de bredere Nederlandse aanpak van softdrugs.
België: De FOD Volksgezondheid en het FAVV zijn strenger en treden sneller op tegen producten die niet voldoen aan de regels, met name bij CBD-producten. Er is een ‘vragen en antwoorden’ dossier gepubliceerd om het beleid toe te lichten. De handhaving in België richt zich op het voorkomen van illegale verkoop en distributie van voedingsmiddelen met CBD of andere cannabisbestanddelen.
Frankrijk: De Franse overheid voert streng toezicht uit, met duidelijke beperkingen op het gebruik van CBD en THC in levensmiddelen. Producenten moeten grondig bewijzen dat hun producten aan de regels voldoen. Cannabis (inclusief THC) is opgenomen in artikel R.5132-86 van de Code de la santé publique, waarin het wordt aangemerkt als een verdovende stof.
Duitsland: Duitsland heeft een strikt en uniform controlesysteem. Autoriteiten voeren uitgebreide controles uit op THC- en CBD-producten, vooral als deze in levensmiddelen worden verwerkt. Regelmatige inbeslagnames van illegale producten zijn niet ongewoon. Er is een vraag en antwoordpagina op de website van het BVL.
Gekleurde chocolade, vaak bestaande uit massieve, ongekleurde chocolade met decoratie van gekleurde chocolade, is een populaire traktatie. Vooral rond feestdagen zoals Sinterklaas en Kerst zie je de mooiste figuurtjes. Deze kleurrijke lekkernijen geven een speelse draai aan traditionele chocoladeproducten en trekken de aandacht van consumenten. Het is des te opmerkelijker dat het kleuren van chocolade wettelijk gezien niet is toegestaan. Hoe kan het dan dat de winkels er toch mee vol liggen? In dit artikel onderzoeken we de achtergrond van deze regelgeving en de praktijk rondom gekleurde chocolade.
Volgens de Europese en nationale Nederlandse en Belgische regelgeving moet chocolade voldoen aan strikte normen. In de Europese Richtlijn 2000/36/EG inzake cacao- en chocoladeproducten voor menselijke consumptie worden onder andere de verkoopbenaming, omschrijving en kenmerken van verschillende cacao- en chocoladeproducten beschreven.
Naast deze Europese richtlijn is er in Nederland het Warenwetbesluit Cacao en Chocolade, waaraan voldaan moet worden. Dit besluit beschrijft de eisen waaraan cacao- en chocolaproducten moeten voldoen en welke toevoegingen zijn toegestaan. De basis ingrediënten van chocolade zijn cacaoboter, cacaomassa, suiker en melk, afhankelijk van het soort (puur, melk, wit). De regels zijn bedoeld om de kwaliteit en consistentie van chocoladeproducten te waarborgen, zodat consumenten weten wat ze kopen.
In België zijn de eisen voor cacao- en chocoladeproducten vastgelegd in het Koninklijk Besluit van 19 maart 2004 inzake cacao- en chocoladeproducten voor menselijke consumptie. Op enkele verschillen na, komt dit in grote lijnen overeen met het Nederlandse Warenwetbesluit. Nationale wetgeving kan dus wel per lidstaat verschillen.
Naast de specifieke regelgeving voor cacao- en chocoladeproducten moet ook voldaan worden aan algemene levensmiddelenregelgeving, zoals verordening 1333/2008 inzake levensmiddelenadditieven. Deze verordening legt de voorwaarden en beperkingen vast voor het gebruik van additieven in voedsel. Onder het kopje snoepgoed valt categorie 05.1 Cacao- en chocoladeproducten als omschreven in Richtlijn 2000/36/EG. In deze verordening is duidelijk vindbaar dat het toevoegen van kleurstoffen aan de categorie cacao- en chocoladeproducten niet is toegestaan.
Ondanks de wetgeving is gekleurde chocolade een veelvoorkomend fenomeen. Producenten lijken er vooralsnog, ondanks de risico’s, voor te kiezen om deze gekleurde chocolade op de markt te brengen. In benamingen en ingrediëntenlijsten zul je de gekleurde chocolade niet direct terugvinden: ingrediënten worden uitgeschreven en de gekleurde chocolade wordt vermeld als gekleurde decoratie, zodat het accent niet op chocolade ligt. Ook wordt er op die manier geprobeerd onderscheid te maken tussen de ongekleurde chocolade en de gekleurde chocoladedecoratie. Het lijkt uiteindelijk geen verschil te maken, decoratie of niet, het blijft gekleurde chocolade.
Op dit moment lijkt er nog geen oplossing of alternatief te zijn voor het dichten van het gat tussen wens en wetgeving. Er zijn alternatieven voor het gebruik van gekleurde chocoladedecoratie, zo mag suikerwerk gekleurd worden; de rode Sint-mijter kan gemaakt worden van roodgekleurde musketzaadjes. Maar dit zal een andere smaakbeleving zijn en ook het mondgevoel verandert. Een extra laagje van alleen kleurstof aanbrengen op de chocolade, dus zonder menging, lijkt ook niet toegestaan. Een additief op zichzelf, kleurstof in dit geval, is geen eigen levensmiddelencategorie en kan zodoende ook niet worden beschouwd als decoratie of coating.
De consument reageert over het algemeen positief op gekleurde chocolade. Het biedt een visueel aantrekkelijke optie. Feestdagen zijn het perfecte moment voor deze kleurrijke traktaties en veel mensen beschouwen het als een luxeproduct passend bij de feestelijke sfeer. Hierdoor is de vraag naar dergelijke producten de afgelopen jaren gestegen, wat de beschikbaarheid in winkels en online heeft vergroot.
Gekleurde chocolade blijft een intrigerend onderwerp, waarbij de wettelijke voorschriften in conflict staan met de wensen van consumenten en de creativiteit van producenten. Terwijl de wetgeving gericht is op het waarborgen van kwaliteit en veiligheid, blijkt er een grote vraag naar deze kleurrijke producten te bestaan. De toekomst van gekleurde chocolade lijkt afhankelijk van veranderingen in de wetgeving of nieuwe productinnovaties. Tot die tijd lachen de gekleurde sinten, kerstmannen en paashazen ons tegemoet en moeten we er als consument zijnde wellicht maar gewoon van genieten.
Het beperkingsproces voor PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen) binnen Europa is gericht op het minimaliseren van de uitstoot en ophoping van deze stoffen in het milieu. PFAS staan bekend om hun lange overlevingsduur in het milieu, bioaccumulatie en mobiliteit. Voor de voedingsmiddelenindustrie is het een grote zorg dat PFAS veelvuldig wordt toepast in voedselcontactmaterialen wanneer water- of vetafstoting gewenst is. Monitoring van het gevaar door PFAS in de voedselketen vindt reeds enkele jaren plaats. Recentelijk is er ook een Europese maatregel aangenomen om het gebruik van de PFAS-subgroep PFHxA in onder andere papier en karton voor voedselcontact (zoals pizzadozen) te beperken.
De autoriteiten van Denemarken, Duitsland, Nederland, Noorwegen en Zweden hebben in januari 2023 een beperkingsdossier ingediend bij ECHA (Europees Agentschap voor chemische stoffen). Het doel is het vervangen van PFAS waar mogelijk en het minimaliseren van emissies door strikte voorwaarden, met behoud van de mogelijkheid om bepaalde toepassingen tijdelijk toe te staan als er geen alternatieven beschikbaar zijn.
De voorgestelde maatregelen worden geëvalueerd op risicovermindering, evenredigheid en uitvoerbaarheid, waarbij de wetenschappelijke comités van ECHA (RAC en SEAC) een belangrijke rol spelen in de beoordeling en advisering.
RAC en SEAC hanteren een sectorale aanpak bij de beoordeling van het beperkingsdossier vanwege de brede reikwijdte van PFAS-toepassingen. Tot op heden zijn voorlopige conclusies getrokken over vijf sectoren: consumentenproducten en mengsels, cosmetica, skiwas, metaalplating en metaalproducten, aardolie en mijnbouw.
Deze conclusies worden opgenomen in het uiteindelijke geconsolideerde advies, dat naar de Europese Commissie wordt gestuurd. Binnenkort wordt er specifiek over voedselcontactmaterialen gesproken. Dit nieuws wordt dan via de kennisbank geüpdatet.
Een zes maanden durende openbare raadpleging in 2023 leverde meer dan 5600 reacties op. Hieruit kwamen nieuwe inzichten naar voren over onder andere gevaren en risico’s van PFAS, specifieke toepassingen in de EU, beschikbaarheid en geschiktheid van alternatieven en sociaaleconomische impact van de beperkingsvoorstellen.
Voorbeelden van nieuw geïdentificeerde specifieke toepassingen van PFAS waar mogelijk alternatieven voor gezocht dienen te worden zijn afdichtingsmaterialen zoals toepassingen in pijpleidingen, kleppen en pakkingen, technisch textiel zoals hoogwaardige membranen en technisch textiel voor buitengebruik, medische toepassingen zoals geneesmiddelenverpakkingen, hulpstoffen en druktoepassingen zoals onderdelen en verbruiksgoederen voor drukapparatuur.
Het voorstel wat naar de Europese Commissie is gestuurd omvat twee beperkingsopties voor alle sectoren:
De raadpleging benadrukte de noodzaak van aanvullende opties voor sectoren waar een volledig verbod onevenredige gevolgen kan hebben. Voorbeelden zijn medische hulpmiddelen en industriële toepassingen zoals PFAS-gebruik in batterijen, brandstofcellen en halfgeleiders. Deze opties worden vergeleken met de initiële voorstellen en getoetst op praktische uitvoerbaarheid en milieu-impact.
De beoordeling zal in 2025 verder worden uitgewerkt, gevolgd door een openbare raadpleging over het SEAC-ontwerpadvies. ECHA geeft aan ernaar te streven om de Europese Commissie zo snel mogelijk van een hoogwaardig advies te voorzien, waarna lidstaten een besluit nemen over de beperking.
Op 20 november 2024 werd Verordening (EU) 2024/2895 gepubliceerd. Deze wijzigt Verordening (EG) nr. 2073/2005 wat betreft Listeria monocytogenes. Wijzigingen zijn van kracht vanaf 01 juli 2026.
De Europese Unie heeft hierdoor de Listeria criteria in lijn gebracht met de Internationale Codex Alimentarius. De wijziging heeft enkel betrekking op food categorie 1.2 Kant-en-klare levensmiddelen die als voedingsbodem voor Listeria monocytogenes kunnen dienen. De normen voor de andere categorieën, namelijk kant- en klare zuigelingenvoeding en kant- en klare voeding voor medisch gebruik én kant- en klare levensmiddelen die niet als voedingsbodem kunnen dienen, blijven ongewijzigd.
Tot op heden mocht Listeria binnen deze categorie niet aangetroffen worden in 25g voordat het levensmiddel de directe controle van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf die het geproduceerd heeft, heeft verlaten. Na de overgangsperiode zal Listeria niet mogen worden aangetroffen in 25g gedurende de gehele houdbaarheidstermijn tenzij een studie ( in België en Nederland worden voor deze studie o.a. challengetesten gebruikt) goedgekeurd wordt door de autoriteiten (FAVV/NVWA) die aantoont dat de norm <100 CFU/gr op einde van de houdbaarheid niet zal worden overschreden.
Een overgangsperiode geeft exploitanten ruimte om nieuwe testen uit te zetten en eventuele maatregelen te nemen tot de wetgeving in werking treedt. Dit zal gaan gebeuren per 1 juli 2026. Onze adviseurs, in samenwerking met ons Listeria team, kunnen je hierbij ondersteunen.