header oranje fruit en groenten

Clostridium botulinum: risico’s, regelgeving en beheersing 

Clostridium botulinum is een anaërobe (zonder zuurstof levende) bacterie die een zeer giftige gifstof (neurotoxine) kan produceren. Deze gifstof verlamt de zenuwen waardoor de spieren hun functie verliezen. De ziekte is bekend onder de naam botulisme. Het is een zeer ernstige voedselvergiftiging met een hoog sterfterisico. De bacterie maakt deze gifstof tijdens de groei. De gifstoffen kunnen goed tegen hitte en worden pas vernietigd bij verhitting van  80°C gedurende 10 minuten of langer. Lees hier verder over de risico’s van resistente sporen van o.a. Clostridium.  

Ziekte en symptomen

De symptomen treden ongeveer 12-37 (tot maximaal 180) uur na consumptie van het besmette voedsel op.  

  • De eerste verschijnselen zijn traagheid in bewegen, zwakheid en duizeligheid.  
  • Deze worden gevolgd door dubbelzien, moeilijk slikken en praten.  
  • Hierna wordt de ademhaling bemoeilijkt en ook de stoelgang (constipatie).  

Het zijn allemaal symptomen die het gevolg zijn van het verlamd raken van spieren.  

Baby’s, tot 1 jaar oud, kunnen botulisme ook oplopen door het binnenkrijgen van de bacterie via honing. Dit wordt infantiel botulisme genoemd. Bij infantiel botulisme komen niet de gifstoffen maar de sporen van de bacterie in de darmen terecht. Omdat de darmflora van baby’s nog niet volledig is ontwikkeld, kunnen de sporen ontkiemen, waardoor in de darmen gifstoffen gevormd kunnen worden.  

Betrokken levensmiddelen

De soorten levensmiddelen die met botulisme worden geassocieerd zijn sterk afhankelijk van de gebruikte manier van conserveren en de eetgewoonten. Al het voedsel dat groei van Clostridium botulinum toelaat (op basis van pH, Aw, temperatuur, enzovoort) en dat voor consumptie onvoldoende wordt verhit, kan botulisme veroorzaken.  

Productie van botulinum toxine is aangetoond in onder andere ingeblikt maïs, paprika, bonen, soepen, asperges, champignons, olijven, spinazie, pluimveevlees en -levers, corned beef, ham, sauzen, gedroogde kruiden, kreeft en in gerookte en gezouten vis. Het zelf wecken van levensmiddelen, dat nog in veel landen gebeurt, is een van de belangrijkste oorzaken van botulisme.  

Beheersmaatregelen

Een levensmiddelenproducent kan op verschillende manieren voorkomen dat Clostridium botulinum in een product terechtkomt of zich daarin ontwikkelt. Allereerst is het van groot belang om te werken met schone, veilige grondstoffen en een hoge mate van hygiëne in het gehele productieproces. Clostridium botulinum komt van nature voor in de bodem en kan via vervuilde grondstoffen of kruisbesmetting in het product terechtkomen. Een goede grondstoffenkeuze, schoonmaakprocedures en personeelshygiëne zijn daarom cruciaal.  

Daarnaast speelt de beheersing van producteigenschappen zoals wateractiviteit (aw) en pH een grote rol. Door de wateractiviteit te verlagen, bijvoorbeeld via drogen of het toevoegen van zout of suiker, kan de groei van de bacterie worden verhinderd. Clostridium botulinum groeit namelijk niet bij een aw-waarde onder de 0,94. Ook de zuurgraad is een belangrijk controlepunt: bij een pH onder de 4,6 kan de bacterie zich niet ontwikkelen. Dit is met name relevant voor producten zoals ingemaakte groenten of zure sauzen. 

Temperatuurbeheersing is een ander belangrijk aspect. Voor producten die koel bewaard worden, is het essentieel dat de bewaartemperatuur onder de 3°C blijft, vooral bij producten die vacuüm verpakt zijn. Bij producten die bij kamertemperatuur worden bewaard, zoals conserven met een lage zuurgraad, is een hittebehandeling noodzakelijk om de sporen van C. botulinum te doden. Dit gebeurt meestal door sterilisatie bij hoge temperatuur, bijvoorbeeld 121°C gedurende ten minste drie minuten, een proces dat bekend staat als de “botulinum cook”. 

Omdat Clostridium botulinum een anaërobe bacterie is die juist goed gedijt in zuurstofarme omgevingen, is het belangrijk om bewust om te gaan met verpakkingsmethoden. Wanneer zuurstof wordt verwijderd (bijvoorbeeld bij vacuüm verpakken of inblikken), moeten er altijd aanvullende barrières aanwezig zijn, zoals lage pH, lage aw of conserveermiddelen. In bepaalde producten, zoals vleeswaren, kunnen conserveermiddelen zoals nitriet worden gebruikt om de groei van de bacterie tegen te gaan. 

Een goed opgezet HACCP-plan is onmisbaar. Hierin worden alle mogelijke gevaren, waaronder Clostridium botulinum, systematisch geanalyseerd en beheerst. Kritische controlepunten zoals pasteurisatie, pH, wateractiviteit en temperatuur worden gemonitord om voedselveiligheid te waarborgen. Ook duidelijke etikettering over bijvoorbeeld de bewaartemperatuur is belangrijk om te zorgen dat het product ook bij de consument veilig blijft. 

Lees in de Normec Risk Safety Sheet verder over Clostridium Botulinum en gebruik de handvatten voor de toepasbaarheid in de risico analyse. 

Voor het inzetten van het additief nitriet ter preventie van botulisme kan er hier verder gelezen worden.  

Wetgeving

Er is geen specifieke wetgeving voor Clostridium botulinum. Er moet altijd voorkomen worden dat zich in levensmiddelen botulinum gifstoffen kunnen vormen.  

Alternatieve eiwitten: trends en ontwikkelingen 

Eiwittransitie is wereldwijd een belangrijk onderwerp in het kader van duurzaamheid. Het bedrijfsleven zit niet stil: in de supermarkt groeit het aanbod en de diversiteit op het gebied van vleesvervangers. Deze vervangers een ‘vleesbeleving’ meegeven is in de praktijk een lastige opgave. Daarnaast zijn er diverse nieuwe ontwikkelingen, bijvoorbeeld nieuwe bronnen, processen en hybride producten. Nieuwe eiwitten kunnen van invloed zijn op het allergenenmanagement en gevolgen hebben voor de etikettering. 

Vleesvervangers zonder vleesbeleving  

De levensmiddelenindustrie brengt verschillende typen producten op de markt, die bijdragen aan de vermindering van de consumptie van vlees. De ‘ouderwetse’ vleesvervangers die door vegetariërs al werden gegeten zijn bijvoorbeeld tahoe, tempé, noten en peulvruchten. Het assortiment peulvruchten is de laatste jaren uitgebreider geworden, denk aan bijvoorbeeld ingeblikte edamame bonen (soja). Lees hier verder over vegetarisch en veganistisch voedsel 

Granen en graanproducten leveren een belangrijke bijdrage aan de eiwitinname (22%) in Nederland, na vlees (29%) en zuivelproducten (23%). Opvallend is dat in de Nationale Eiwitstrategie echter de focus ligt op gewassen als soja, veldbonen en lupine. Bierbostel is een voorbeeld van een afvalstroom vanuit granen die steeds meer zijn weg vindt in de levensmiddelenindustrie, voor zowel het eiwit- als vezelgehalte. 

Zeewieren en algen kunnen ook gebruikt worden als vleesvervanger en hier wordt al volop mee geëxperimenteerd. De algen spirulina en chlorella bevatten net als vlees eiwitten, ijzer en vitamine B1. Zij worden soms ook als ingrediënten gebruikt in vleesvervangers. 

Vleesvervangers met vleesbeleving  

Vleesvervangers die al enige jaren op de markt zijn en in de supermarkten in steeds meer varianten te vinden zijn, zijn producten op plantaardige basis die echt op vlees lijken. Uit onderzoek door de Consumentenbond naar plantaardige rookworsten bleek dat het kopiëren van de ‘vleesbeleving’ moeilijk is, met name qua smaak en textuur. Voor consumenten bleek daarnaast nauwelijks gezondheidswinst te behalen met deze worsten, alleen het lagere aandeel verzadigd vet was relevant. Het vet- en zoutgehalte was vergelijkbaar met de traditionele, echte rookworst. 

Trends  

Een ontwikkeling is hybride producten. Dit zijn producten waarbij een deel van het vlees vervangen is door een plantaardig product. Een voorbeeld daarvan is een plantaardige grondstoffen-gel voor de productie van hybride slagersproducten, gezamenlijk ontwikkeld door WUR, SVO-vakopleiding food en Koninklijke Nederlandse Slagers (KNS). De ontwikkelde gel bevat onder andere erwteneiwit, olie, water en een bindmiddel.  Opvallend is dat steeds meer grote bedrijven, die ooit alleen gericht waren op dierlijke producten (vlees- of melkverwerkers), zich op de markt begeven met plantaardige alternatieven. 

Novel foods  

Novel foods kunnen ook bijdragen aan de eiwittransitie. Het kan dan gaan om plantaardige producten zoals aardappeleiwit of raapzaadeiwit. Andere typen novel foods zijn bijvoorbeeld eiwitten geproduceerd door schimmels, eiwitten geïsoleerd/geëxtraheerd uit granen, peulvruchten, algen of wieren. Onder novel foods die al zijn goedgekeurd in de Europese Unie vallen ook dierlijke eiwitten van insecten. Goedgekeurde novel foods zijn bijvoorbeeld de treksprinkhaan (ingevroren, gedroogd of poedervorm van Locusta migratoria) en de gedroogde larve van de meeltor (Tenebrio molitor). 

Aan kweekvlees wordt al enige tijd gewerkt. Kweekvlees wordt gekweekt uit stamcellen van dieren. Deze cellen worden aangezet tot specialiseren en groeien uit tot spierweefsel. Net als bij veel ontwikkelingen gebeurt dit nu op laboratoriumschaal. Het is de bedoeling dat het een industrieel proces gaat worden. Kweekvlees levert verhitte discussies op tussen voor- en tegenstanders. Daarbij speelt onder andere dat kweekvlees de (intensieve) veehouderij en een deel van de vleesverwerkende industrie overbodig zou kunnen maken. 

Alle novel foods moeten uitgebreid onderzocht zijn voordat zij een toelating krijgen; chemische, microbiologische en fysische gevaren moeten beheerst zijn.  Een aandachtspunt dat geregeld benoemd wordt in wetenschappelijke literatuur, is het mogelijk optreden van nieuwe allergieën door de introductie van nieuwe eiwitbronnen in humane voeding. Ook kruisreactiviteit kan allergische reacties veroorzaken bij mensen met een allergie. Op het etiket van producten die de treksprinkhaan bevatten, moet daarom vermeld worden dat mensen met een allergie voor schaaldieren, weekdieren of huismijten een allergische reactie kan optreden (zie de Unielijst van nieuwe voedingsmiddelen, Verordening (EU) 2017/2470). 

Voedingswaarde 

Vlees is een belangrijke leverancier van eiwit, ijzer en vitamine B1 en B12. Veel vleesvervangers bevatten niet al deze voedingsstoffen tegelijkertijd. Gebalanceerde en gevarieerde voeding is en blijft belangrijk om alle benodigde voedingsstoffen binnen te krijgen. Van vleesvervangers wordt bovendien verwacht dat zij niet te veel bijdragen aan de consumptie van zout, suiker, vet en verzadigde vetzuren. 

De consument consumeert tegenwoordig graag bewust. Vandaar dat er gelet wordt op bijvoorbeeld minder bewerkte eiwitten en ‘schonere’ labels. Consumenten worden graag geïnformeerd over alternatieve eiwitten. Uitleggen hoe alternatieve eiwitten voedzaam en minimaal bewerkt kunnen zijn, kan een troef zijn in dit proces.  

PFAS advies wetenschappelijk comité in België

PFAS in het bloed van runderen en in hun vlees, lever en nieren 

In België heeft het Wetenschappelijk Comité van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) onderzocht of er een richtwaarde kan worden bepaald voor PFAS (PFOS, PFOA, PFNA en PFHxS) in het bloed van runderen, om te kunnen inschatten of hun vlees, lever en nieren voldoen aan de Europese normen voor voedselveiligheid (Verordening EU 2023/915).  

PFAS in runderen en de gevolgen  

PFAS (poly- en perfluoroalkylstoffen) zijn chemische stoffen die zeer traag afbreken in het milieu én in levende organismen, waaronder runderen. De meeste mensen krijgen PFAS binnen via voedsel. Deze stoffen kunnen terechtkomen in diervoeder, weilanden, bodem, water en ook in planten zoals groenten, fruit, paddenstoelen en kruiden. Ook kan drinkwater een bron van besmetting zijn. 

Wie in de buurt van een vervuild gebied woont, loopt een hoger risico. Op de website van het Vlaams Gewest staat een kaart waarop je kunt zien of je in zo’n gebied woont. Voor de Nederlandse gebieden kan deze kaart geraadpleegd worden.   

Melkveehouders mogen hun melk blijven leveren, omdat er geen PFAS in melk wordt aangetroffen. Ook kalveren van een paar weken oud mogen het bedrijf verlaten, aangezien ze vrijwel uitsluitend melk hebben gekregen. Voor oudere runderen gelden strengere regels: zij mogen niet worden vervoerd. Dieren die bestemd zijn voor de slacht, moeten stuk voor stuk worden getest op PFAS. Alleen als de hoeveelheid in het vlees onder de vastgestelde limiet blijft, mag het vlees worden verkocht. Vlees dat te veel PFAS bevat, moet worden vernietigd. 

Meer informatie over PFAS is te vinden in onderstaande artikelen:

PFAS-waarde in het bloedplasma 

De PFAS-waarde in bloedplasma kan helpen voorspellen of vlees en orgaanvlees aan de wetgeving voldoet. Daarnaast werd vastgesteld dat PFOS zich in veel hogere concentraties ophoopt in de lever en nieren dan in het spierweefsel. Het Comité van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen heeft een eenvoudige formule ontwikkeld om een wachttijd te berekenen voor het opnieuw testen van dieren met te hoge PFAS-waarden, nadat de besmettingsbron werd verwijderd. Deze berekening blijft indicatief, gezien de onzekerheden rond PFAS-afbraak in het dierlijk lichaam. 

Richtwaarde

Op basis van wetenschappelijke literatuur, controlegegevens van het Belgische FAVV en Deense regelgeving, stelde het Comité een indicatieve grens van 2,5 µg/L PFOS in bloedplasma voor. Deze waarde zou kunnen helpen voorspellen of vlees en orgaanvlees aan de wetgeving voldoet. 

Hoewel er beperkte gegevens zijn voor andere PFAS (zoals PFOA, PFNA en PFHxS), stelt het Comité van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen voor om voorlopig ook voor deze stoffen dezelfde richtwaarde te gebruiken. 

Schattingstool

De schattingstool berekent de inschatting van het aantal dagen dat een rund moet wachten nadat de besmettingsbron (zoals verontreinigd voer of water) is verwijderd, zodat het PFAS-gehalte in het bloed terug daalt onder de richtwaarde. Daarna kan een nieuwe bloedtest uitgevoerd worden om zeker te zijn dat de waarde onder de norm is gedaald.  

Gebruik van de schattingstool  
  • Veehouders: zijn verantwoordelijk voor het aanleveren van veilig voedsel. Als PFAS wordt aangetroffen in het bloed van hun runderen, kunnen ze met deze tool inschatten wanneer slacht opnieuw veilig zou kunnen zijn. 
  • Dierenartsen: begeleiden veehouders bij de gezondheid van hun dieren én bij voedselveiligheid. Ze kunnen helpen bij het interpreteren van bloedwaarden en het juist gebruiken van de tool. 
  • Controle-instanties (zoals Belgische FAVV): zijn belast met het toezicht op voedselveiligheid. De tool ondersteunt hun beoordeling van conformiteit van vlees, lever en nieren met de Europese normen. 

Nuttige info 

IFS Wholesale/Cash & Carry versie 3 

De definitieve versie van IFS Wholesale 3 is op 27 november 2024 gepubliceerd. Audits volgens IFS Wholesale versie 3 kunnen plaatsvinden vanaf 1 mei 2025. Lees in dit artikel toelichting over hoe je de norm moet interpreteren en ontdek de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van versie 2.3. Deze standaard is niet GFSI erkend.  

IFS Wholesale/Cash & Carry 

De IFS Wholesale/Cash & Carry norm is een internationale standaard die zich richt op de voedselveiligheid en productkwaliteit binnen groothandels- en cash & Carry-bedrijven. De norm helpt organisaties om processen te beheersen, risico’s te minimaliseren en te voldoen aan wettelijke eisen. Certificering volgens deze norm toont aan dat een bedrijf betrouwbaar, veilig en transparant werkt binnen de toeleveringsketen. 

Tijdlijn  

IFS Groothandel en Cash & Carry versie 3 audits zijn mogelijk vanaf 1 mei 2025 en worden verplicht voor alle gecertificeerde bedrijven vanaf 1 november 2025. Versie 3 komt met een nieuwe logo kleur.  

Scoringssysteem

Nieuw in deze versie is dat het puntensysteem in lijn is met de overige IFS-normen. De B-score wordt weer geclassificeerd als afwijking. Door een correctie of corrigerende actie te definiëren, draagt dit bij aan continue verbetering van het kwaliteitssysteem. 

IFS-ster status

Onaangekondigde audits versterken de geloofwaardigheid van het auditproces en tonen aan dat een bedrijf dagelijks voldoet aan de IFS-eisen. De IFS Star-status, met een speciaal sterlogo, is geïntroduceerd om aan te geven dat de audit onaangekondigd was. Deze status zal zichtbaar zijn in de IFS-database en op het certificaat. Bedrijven kunnen zich vrijwillig onaangekondigd laten auditen.  

Notificatieplicht

In de norm is bepaald in welke omstandigheden de certificerende instantie op de hoogte moet worden gebracht. Minimaal de volgende zaken dienen te worden gemeld: 

  • Recalls, intrekking veroorzaakt door het bedrijf om redenen van productveiligheid en/of productfraude. 
  • Veranderingen in organisatie en management.  
  • Belangrijke wijzigingen in de producten en/of de  productbehandelings-/verwerkingsmethoden.  
  • Wijzigingen in het contactadres van de Wholesale/Cash & Carry-locaties, nieuw adres van de locatie). 

Deze notificatie moet binnen de 3 werkdagen plaatsvinden.

De onderdelen van IFS Wholesale/Cash & Carry

De IFS Wholesale/Cash &Carry norm (versie3) volgt in grote lijnen de modulaire opzet van IFS Food en bestaat uit twee hoofdmodules (Classic en PLUS) binnen de categorieën Wholesale en Cash &Carry. De norm is opgebouwd uit de volgende hoofdonderdelen: 

  • Bestuur en betrokkenheid   
  • Voedselveiligheids- en kwaliteitsmanagementsysteem  
  • Resourcemanagement 
  • Operationele processen  
  • Metingen, analyse en verbeteringen 

Bestuur en betrokkenheid

Beleid

Het management zal een bedrijfsbeleid ontwikkelen, implementeren en onderhouden. Het beleid moet aan alle werknemers worden gecommuniceerd. Het beleid moet ten minste het volgende omvatten:  

  • productveiligheid, kwaliteit, wettigheid en authenticiteit
  • klantgerichtheid
  • productveiligheidscultuur
  • duurzaamheid 
Bedrijfsprofiel

Het management is verantwoordelijk voor het borgen van productveiligheid en kwaliteit binnen de organisatie. Dit omvat directe rapportage vanuit de kwaliteitsafdeling, een actueel organogram, bewustwording van verantwoordelijkheden bij medewerkers, en systemen om de effectiviteit te monitoren. Daarnaast moet relevant personeel op de hoogte worden gehouden van relevante wetgeving en risico’s (zoals productfraude), en moeten voldoende middelen beschikbaar zijn om aan alle eisen te voldoen. 

Managementreview

Het management moet het systeem voor productveiligheid en het kwaliteitsmanagementsysteem minimaal jaarlijks evalueren (binnen 15 maanden). Deze beoordeling omvat o.a. doelstellingen, auditresultaten, klantfeedback, voedselfraude en food defence en naleving van wetgeving. De resultaten moeten leiden tot verbeteracties en opvolging van eerdere reviews. Daarnaast moet ook de infrastructuur en werkomgeving jaarlijks worden beoordeeld, waarbij de uitkomsten worden meegenomen in investeringsplannen. Alles moet volledig gedocumenteerd zijn. 

Voedselveiligheids- en kwaliteitsmanagementsysteem 

Documentenbeheersing

Er moet een procedure zijn voor het beheer, de implementatie en het onderhoud van documenten en eventuele wijzigingen daarop. Alleen de meest actuele versies mogen worden gebruikt en aanpassingen aan kritieke documenten moeten met reden worden vastgelegd. Het documentbeheersysteem moet manipulatie voorkomen en mag alleen door geautoriseerd personeel worden beheerd. Documenten moeten duidelijk, volledig en altijd toegankelijk zijn voor de juiste medewerkers. Ook registraties moeten leesbaar, correct en authentiek zijn, waarbij manipulatie technisch onmogelijk moet zijn.  

De bewaartermijnen moeten voldoen aan wet- en regelgeving of klantvereisten. Als deze ontbreken, geldt een minimale bewaartermijn van één jaar voor non-food producten en één jaar na afloop van de houdbaarheid voor foodproducten. Voor producten zonder houdbaarheidsdatum moet de bewaartermijn onderbouwd zijn en vastgelegd worden. Alle informatie moet veilig worden opgeslagen en goed toegankelijk zijn. 

Voedselveiligheidsmanagement

Het voedselveiligheidsmanagementsysteem moet bestaan uit een volledig geïmplementeerd, systematisch en gedocumenteerd risicomanagementsysteem dat van toepassing is op de locatie. Voor voedsel moet dit gebaseerd zijn op de HACCP-principes van de Codex Alimentarius. De gevarenanalyse moet alle relevante producten, processen en mogelijke risico’s zoals allergenen omvatten. Het systeem moet onderbouwd zijn met wetenschappelijke bronnen of deskundig advies en voldoen aan de wetgeving van zowel het productie- als bestemmingsland. Bij veranderingen in producten, processen of apparatuur moet het systeem worden herzien om de productveiligheid te waarborgen. 

HACCP-analyse en risicobeoordeling

De risicoanalyse moet worden uitgevoerd door deskundige personen met specifieke kennis. De teamleider moet goed vertrouwd zijn met risicobeheer en/of HACCP-principes en in staat zijn om risico’s voor productveiligheid te herkennen, beheersen en managen. Ook moeten betrokkenen in het beheer van het systeem hiervoor passend getraind zijn en kennis hebben van de producten en processen. Er moet een teamleider worden aangesteld met duidelijke steun van het management. 

Flowdiagram

Er dient een flowdiagram te worden gedocumenteerd en onderhouden voor elk product of productgroep, en voor alle variaties van de processen, inclusief (indien van toepassing) productbehandeling, herbewerking en herverwerking. Het stroomdiagram dient elke stap en elke beheersmaatregel te identificeren. Het moet gedateerd zijn en in het geval van wijzigingen moet het worden bijgewerkt. 

Beheersmaatregelen

Er moet een uitgebreide gevarenanalyse worden uitgevoerd om alle redelijkerwijs te verwachten fysieke, chemische (inclusief allergenen) en biologische gevaren te identificeren en te beoordelen. Hierbij worden ook gevaren meegenomen die samenhangen met verpakkingsmaterialen, contactmaterialen en de werkomgeving. De waarschijnlijkheid van voorkomen en de ernst van mogelijke gezondheidseffecten moeten worden beoordeeld, evenals de benodigde beheersmaatregelen. 

Op basis van deze analyse worden kritische controlepunten (CCP’s) vastgesteld met behulp van een besluitvormingshulpmiddel, zoals een beslisboom. Voor elke CCP moeten gevalideerde kritische limieten worden vastgesteld en een monitoringsysteem worden opgezet. Deze monitoring moet gedocumenteerd, uitgevoerd en onderhouden worden, inclusief vastlegging van resultaten, om verlies van controle te detecteren. Ook andere belangrijke beheersmaatregelen, buiten CCP’s om, moeten worden beheerst en gemonitord via meetbare of observeerbare criteria. Personeel dat toezicht houdt op CCP’s en andere controlemaatregelen moet hiervoor specifiek getraind zijn, en monitoringgegevens moeten tijdig worden gecontroleerd door een verantwoordelijke binnen het bedrijf. 

Validatie

Het systeem voor gevaren- en risicobeheer moet worden gevalideerd om te waarborgen dat het HACCP-plan effectief is in het beheersen van geïdentificeerde gevaren. Deze validatie moet opnieuw worden uitgevoerd bij wijzigingen. Zowel de validatie- als her-validatieprocedures moeten schriftelijk zijn vastgelegd, correct worden geïmplementeerd en onderhouden. 

Verificatie

Het noodzakelijk om verificatieprocedures op te stellen die bevestigen dat het voedselveiligheidssysteem naar behoren functioneert. Deze activiteiten moeten minimaal eens per twaalf maanden of bij significante wijzigingen worden uitgevoerd. De resultaten van de verificatie moeten worden vastgelegd.  

Resourcemanagement 

Human resources

Alle medewerkers die werkzaamheden verrichten die de productveiligheid, kwaliteit, wettigheid en authenticiteit beïnvloeden, dienen te beschikken over de vereiste competentie, passend bij hun rol, als gevolg van opleiding, werkervaring en/of training. 

Persoonlijke hygiëne

De organisatie moet op risico gebaseerde eisen voor persoonlijke hygiëne documenteren, implementeren en onderhouden. Deze eisen gelden voor medewerkers, technisch personeel en bezoekers en moeten ten minste aspecten omvatten zoals haar (inclusief baarden), beschermende kleding, handhygiëne, eet- en rookgedrag, omgang met verwondingen, persoonlijke verzorging (zoals nagels en sieraden) en het melden van infectieziekten via een medische screeningprocedure. 

Alle betrokkenen dienen deze hygiënevoorschriften te begrijpen en correct toe te passen. De naleving moet op basis van risico’s worden gemonitord, maar minimaal eenmaal per twaalf maanden. 

Beschermende kleding moet in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn voor personeel en bezoekers, en deze kleding moet grondig en regelmatig gewassen worden – in eigen beheer, door goedgekeurde externe partijen of door medewerkers zelf – op basis van risicoanalyse. 

Training

De organisatie moet trainings- en instructieprogramma’s opstellen die aansluiten bij de productspecificaties en de behoeften van medewerkers. Deze zijn verplicht voor al het personeel, inclusief tijdelijke en externe krachten, en moeten vóór aanvang van het werk worden gevolgd. De programma’s bevatten o.a. inhoud, frequentie, taken, taal, trainers en effectiviteitsbeoordeling. Er moeten registraties zijn van elke training, en de inhoud moet regelmatig worden geëvalueerd en geactualiseerd met aandacht voor o.a. productveiligheid, fraude, kwaliteit, wetgeving en feedback. 

Operationele processen 

Klantafspraken en contractuele overeenkomsten

De afgesproken eisen tussen contractpartners dienen voor het sluiten van een leveringscontract te worden beoordeeld. Klantfeedback moet worden gebruikt voor continue verbetering. Alle eisen met betrekking tot productveiligheid en -kwaliteit uit klantafspraken moeten worden gecommuniceerd naar en uitgevoerd door alle relevante afdelingen. 

Specificaties

Voor alle producten waarvoor het bedrijf verantwoordelijk is, moeten specificaties beschikbaar zijn. Er moet een procedure zijn voor het opstellen, wijzigen, goedkeuren en beheren van deze specificaties. Medewerkers moeten toegang hebben tot de relevante specificaties wanneer nodig. 

Productontwikkeling

Productontwikkeling en -wijzigingen moeten worden gedocumenteerd, geïmplementeerd en onderhouden, inclusief een gevarenanalyse. Bij wijzigingen in receptuur, herverwerking of verpakkingsmateriaal moeten de proceskenmerken worden herzien om te waarborgen dat aan de producteisen wordt voldaan. 

Inkoop

Er dient een gedocumenteerde en geïmplementeerde procedure aanwezig te zijn voor het inkopen van grondstoffen, halffabricaten en verpakkingsmaterialen, inclusief de goedkeuring van leveranciers. Deze procedure moet risico’s van grondstoffen of leveranciers, prestatie-eisen en uitzonderingssituaties bevatten, en op basis van risico’s ook aanvullende criteria zoals audits, testresultaten en klachten. 

Wanneer delen van de verwerking, verpakking of etikettering worden uitbesteed, moeten deze processen zijn vastgelegd in het kwaliteits- en voedselveiligheidssysteem en gecontroleerd worden om veiligheid, kwaliteit, legaliteit en authenticiteit te garanderen. Indien vereist, moet de klant hiervan op de hoogte zijn en akkoord gaan. 

De inkoopprocedure en leveranciersbeoordeling moeten minstens jaarlijks of bij grote wijzigingen worden geëvalueerd, met vastgelegde resultaten en vervolgacties. Aangekochte materialen moeten op risico’s worden beoordeeld en als basis dienen voor test- en monitoringsplannen.  

Verpakken en labelen

Bij claims op etiketten of uitsluiting van bepaalde productiemethoden moeten maatregelen worden genomen om naleving aan te tonen, met aandacht voor voedselveiligheid en authenticiteit. Bij etiketteringsdiensten moet worden gegarandeerd dat verpakkingscodes en labels overeenkomen met het product en voldoen aan klantafspraken; dit moet regelmatig gecontroleerd en gedocumenteerd worden. Indien van toepassing, moet ook online productinformatie beschikbaar zijn. 

Gebouwen en bouwvereisten

Gebouwen waarin voedsel wordt behandeld, verwerkt of opgeslagen, moeten zo ontworpen, gebouwd en onderhouden zijn dat de voedselveiligheid gewaarborgd blijft. De laad- en loszones moeten passend zijn voor hun functie en zodanig gemaakt zijn dat risico’s zoals de toegang van ongedierte, blootstelling aan slechte weersomstandigheden, afvalophoping, condensatie en schimmelgroei worden voorkomen. Daarnaast moeten deze zones gemakkelijk schoon te maken en indien nodig te desinfecteren zijn. 

Water en lucht 

Gebouwen en processen die van invloed zijn op de voedselveiligheid en -kwaliteit moeten onder gecontroleerde omgevingsomstandigheden plaatsvinden. Parameters zoals temperatuur en luchtvochtigheid dienen vooraf vastgesteld en correct toegepast te worden. Procesparameters die essentieel zijn voor productveiligheid en -kwaliteit, zoals temperatuur, tijd, druk en chemische eigenschappen, moeten regelmatig of continu worden gemonitord en geregistreerd.  

Wanneer luchtbehandeling of koeling vereist is, moet de gebruikte apparatuur goed onderhouden en regelmatig gereinigd worden. De luchtcirculatie mag geen negatieve invloed hebben op de veiligheid of kwaliteit van het product. Bij storingen of afwijkingen in temperatuur moet er een alarmeringssysteem en een effectief noodplan beschikbaar zijn om de productveiligheid te waarborgen. In ruimtes waar veel stof vrijkomt moet stofafzuiging aanwezig zijn. 

De watervoorziening moet bestaan uit drinkwater van geschikte kwaliteit op het gebruikspunt, in voldoende hoeveelheid aanwezig zijn en van toepassing zijn op onder meer handhygiëne, reiniging, desinfectie, en op stoom of ijs dat direct contact heeft met levensmiddelen of verpakkingen. De kwaliteit van dit water (ook gerecycled water) moet regelmatig worden gecontroleerd op basis van een risicoanalyse. Niet-drinkbaar water dat in het proces wordt gebruikt, mag geen besmettingsrisico vormen en moet via aparte, duidelijk gemarkeerde leidingen worden getransporteerd.

Reiniging en desinfectie

Er moeten op risico-gebaseerde reinigings- en desinfectieplannen worden opgesteld en uitgevoerd, met duidelijke richtlijnen over doelstellingen, verantwoordelijkheden, gebruikte middelen, frequenties, locaties en documentatie. De uitvoering moet effectief zijn en worden vastgelegd, met controle door een aangewezen verantwoordelijke. Reiniging van transporteenheden moet rekening houden met product specifieke risico’s en voedseltransportcontainers moeten correct gelabeld en exclusief voor voedsel gebruikt worden. Alleen bekwaam en getraind personeel mag de reiniging uitvoeren.  

Bij inzet van externe schoonmaakdiensten moeten alle eisen contractueel zijn vastgelegd. 

Afvalbeheer

Afvalbeheer moet worden vastgelegd, uitgevoerd en onderhouden om kruisbesmetting te voorkomen. Voedsel- en ander afval moet snel worden verwijderd uit ruimten en mag zich niet ophopen. Afvalcontainers moeten duidelijk gemarkeerd, geschikt ontworpen, goed onderhouden, en eenvoudig te reinigen of desinfecteren zijn. Afval moet gescheiden worden ingezameld volgens de bestemming en mag alleen worden afgevoerd door erkende partijen, waarbij de afvoer gedocumenteerd moet worden. 

Ongedierte bestrijding- en controle

Het terrein en de uitrusting moeten zo ontworpen, gebouwd en onderhouden worden dat ongedierte geen kans krijgt. Er moeten op risico gebaseerde bestrijdingsmaatregelen worden vastgelegd, uitgevoerd en onderhouden, met inachtneming van de omgeving, bouwkundige risico’s, middelengebruik en inspectiefrequenties. Bij inzet van externe ongediertebestrijding moeten alle eisen contractueel zijn vastgelegd, met een intern aangestelde verantwoordelijke voor toezicht. Inspecties, acties en eventuele plagen moeten worden gedocumenteerd en opgevolgd. De doeltreffendheid van de maatregelen moet worden gemonitord en vastgelegd, inclusief trendanalyses. 

Transport

Voordat transportvoertuigen worden geladen, moet hun staat gecontroleerd worden op geur, vocht, schimmel, ongedierte en andere risico’s, en indien nodig moeten maatregelen worden genomen en gedocumenteerd. Tijdens het laden en vervoer moet de juiste temperatuur worden gehandhaafd, vooral bij temperatuurgevoelige producten. Transportcontainers moeten schoon, droog en geschikt zijn en vooraf gekoeld indien vereist. Procedures moeten kruisbesmetting voorkomen. Reiniging en desinfectie van transportmiddelen moet afgestemd zijn op productrisico’s en worden vastgelegd. Bij gebruik van externe transportdiensten moeten alle relevante eisen contractueel worden vastgelegd. Chauffeurs van deze diensten moeten de hygiëneregels naleven. Ook bij incidenteel gebruik of pakketdiensten moeten passende voorzorgsmaatregelen worden getroffen om productintegriteit en veiligheid te waarborgen. 

Onderhoud

Er moet een onderhoudsplan zijn dat alle kritische apparatuur en ruimtes voor transport en opslag omvat, met als doel de productveiligheid en -kwaliteit te waarborgen. Dit plan geldt zowel voor intern onderhoud als voor externe dienstverleners en moet verantwoordelijkheden, prioriteiten en deadlines bevatten. Tijdens en na onderhoudswerkzaamheden moet de veiligheid, kwaliteit, wettelijkheid en authenticiteit van het product gegarandeerd blijven. Alle gebruikte materialen moeten geschikt zijn en geen risico op besmetting vormen. Storingen moeten worden vastgelegd, geëvalueerd en snel worden aangepakt om het onderhoudssysteem te verbeteren. Tijdelijke reparaties mogen de productveiligheid niet in gevaar brengen en moeten kortdurend zijn. Bij inzet van externe onderhoudsdiensten moeten alle relevante eisen van het bedrijf duidelijk worden vastgelegd om contaminatie te voorkomen. 

Tracering

Er moet een traceerbaarheidssysteem zijn dat volledig is vastgelegd, uitgevoerd en onderhouden, zodat alle producten en, indien van toepassing, voedselcontactverpakkingen van leverancier tot klant gevolgd kunnen worden. Dit systeem moet jaarlijks of bij belangrijke veranderingen getest worden met een massabalans, waarbij de test zowel de herkomst als de bestemming van producten aantoont. Dit moet mogelijk zijn binnen een tijdsbestek van 4 uur of minder wanneer een beperkter tijdsbestek door klanten is opgelegd. 

Productfraude en defense

Voor productdefense moeten de verantwoordelijkheden duidelijk zijn vastgesteld en toegewezen aan personen met de juiste expertise. Er moet een gedocumenteerd en onderhouden plan zijn dat potentiële interne en externe bedreigingen identificeert en passende beschermingsmaatregelen beschrijft, zoals toegangsbeleid, beveiliging, transportbeheer en IT-risico’s. De criteria voor kwetsbaarheidsbeoordeling moeten vastliggen. Daarnaast moet er een passend waarschuwingssysteem zijn, dat regelmatig op effectiviteit wordt geëvalueerd. 

Metingen, analyse en verbeteringen

Interne audit 

Aangeven is dat er een effectief intern auditprogramma moet zijn dat gedocumenteerd, uitgevoerd en onderhouden wordt en minimaal alle eisen van de IFS-standaard omvat. De auditplanning moet binnen 12 maanden plaatsvinden en uiterlijk binnen 15 maanden worden uitgevoerd. Auditresultaten, inclusief afwijkingen, moeten worden vastgelegd en gecommuniceerd aan het management en de verantwoordelijke medewerkers. 

Externe audit

De auditor zal minstens 50% van de audit tijd ter plaatse doorbrengen. Een vermindering is echter mogelijk in bepaalde situaties, zoals gedefinieerd in de norm. Controleer dit bij de certificeringsinstantie. De certificerende instantie moet binnen twee weken na de audit een actieplan sturen. Een voorlopig rapport is niet langer verplicht. 

Site inspecties

Er dienen naast de interne audits ook site-inspecties te worden uitgevoerd. Deze inspecties richten zich op onder andere de staat van het gebouw, de buitenomgeving, productbeheersing, hygiëne, risico’s op vreemde materialen en persoonlijke hygiëne. 

Procesvalidatie en controle

Het bedrijf moet op basis van risicoanalyse vaststellen welke processen validatie vereisen. De criteria voor validatie en procesbeheersing moeten duidelijk zijn gedefinieerd. Omgevingsfactoren zoals temperatuur en luchtvochtigheid die invloed hebben op productveiligheid en -kwaliteit, moeten worden vastgelegd en toegepast. Essentiële procesparameters moeten worden gemonitord, geregistreerd en beveiligd tegen ongeautoriseerde wijzigingen. Afwijkingen en storingen moeten snel worden gemeld, vastgelegd en opgevolgd volgens vastgelegde procedures. 

Kalibratie, aanpassing en controle van meet- en bewakingsapparaten

Meet- en monitoringsapparatuur die nodig is voor productveiligheid en -kwaliteit moet worden geïdentificeerd, geregistreerd en indien wettelijk vereist, goedgekeurd. Deze apparaten moeten op vastgestelde momenten worden gecontroleerd, gekalibreerd en afgesteld volgens erkende normen. 

Productanalyse en omgevingsmonitoring

Op basis van risicoanalyse worden microbiologische, fysieke en chemische analyses uitgevoerd voor eigen merken of zelfgeproduceerde producten. Er moet een op risicogebaseerd milieumonitoringsprogramma zijn dat gedocumenteerd, uitgevoerd en onderhouden wordt. Analyse- en monitoringsplannen voor interne en externe testen moeten alle relevante productiestadia dekken en voldoen aan eisen voor veiligheid, kwaliteit en wetgeving.  

Beheer van productrecall’s, productterugroepingen en incidenten

Er moet een doeltreffende procedure zijn voor het beheer van terugroepingen, terugtrekkingen, incidenten en noodsituaties die de productveiligheid en -kwaliteit beïnvloeden. De procedure moet jaarlijks worden getest via een volledige simulatie, waarvan de resultaten worden geëvalueerd voor continue verbetering.  

Er moet een procedure zijn voor het beheer van niet-conforme producten en verpakkingen. Deze omvat o.a. verantwoordelijkheden, quarantaine, risicoanalyse, labeling en beslissingen over vervolgacties. Medewerkers moeten de procedure begrijpen en toepassen. 

Beheer van afwijkingen, non-conformiteiten, correcties en corrigerende maatregelen

Er moet een procedure zijn voor het beheer van correcties en corrigerende maatregelen. Deze omvat het registreren, analyseren en communiceren van afwijkingen en niet-conformiteiten met als doel deze te sluiten en herhaling te voorkomen. Voor afwijkingen die veiligheid, legaliteit of authenticiteit betreffen, moet een grondige oorzaak analyse worden uitgevoerd. Corrigerende maatregelen moeten snel worden vastgesteld, gedocumenteerd en uitgevoerd, met duidelijke verantwoordelijkheden en termijnen. De effectiviteit van deze maatregelen moet worden gecontroleerd en vastgelegd. 

Nuttige info 

IFS Wholesale/Cash & Carry versie 3

In dit artikel las je de belangrijkste wijzigingen van de IFS Wholesale/cash & Carry norm versie 3. Raadpleeg voor de exacte eisen de complete IFS Wholesale/cash & Carry norm versie 3. 

Snel van start met de nulmeting IFS Wholesale/Cash & Carry versie 3

Laat een nulmeting IFS Wholesale/cash & Carry versie 3 uitvoeren door onze specialisten. Zo weet je direct welke aanpassingen je moet doorvoeren. 

Aanvullende informatie

Levenscyclusanalyse (LCA) in de levensmiddelenindustrie: Wat is het en hoe kan je ermee aan de slag?

In een wereld waar duurzaamheid steeds belangrijker wordt, is het voor levensmiddelenbedrijven essentieel om inzicht te krijgen in de milieu-impact van hun producten. Levenscyclusanalyse (LCA) biedt een wetenschappelijk onderbouwde methode om deze impact te meten en te verminderen. De Europese Commissie ondersteunt dit proces via het European Platform on Life Cycle Assessment (EPLCA), dat bedrijven helpt bij het implementeren van LCA-methoden.

Wat is LCA en waarom is het belangrijk voor de levensmiddelenindustrie?

LCA is een systematische methode om de milieu-impact van een product of dienst te evalueren gedurende de gehele levenscyclus, van grondstofwinning tot het einde van de levensduur. Voor de levensmiddelenindustrie betekent dit het in kaart brengen van de milieu-impact van producten zoals brood, kaas of vleesvervangers, vanaf de landbouw tot en met de consumptie en het afvalbeheer.

Door LCA toe te passen, kun je:

  • Inzicht krijgen in de belangrijkste milieu-impactgebieden van hun producten (zoals energie-intensieve productie of verpakkingen met hoge impact).
  • Verbeterpunten identificeren in productieprocessen.
  • Voldoen aan wet- en regelgeving en duurzaamheidskeurmerken. Denk aan CO₂-labels of eco-keurmerken op verpakkingen.
  • Concurrentievoordeel: duurzaamheid is een steeds belangrijker aankoopcriterium voor consumenten.
  • Transparantie bieden aan consumenten over de milieu-impact van jouw producten.

Wat is het European Platform on Life Cycle Assessment (EPLCA)?

Het EPLCA is een initiatief van de Europese Commissie, beheerd door het Joint Research Centre (JRC), dat bedrijven, beleidsmakers en onderzoekers ondersteunt bij het toepassen van LCA. Het platform biedt toegang tot gestandaardiseerde methoden, data en tools die helpen bij het uitvoeren van LCA-studies. Een belangrijk onderdeel van het EPLCA is het Life Cycle Data Network (LCDN), een databank met levenscyclusdata die bedrijven kunnen gebruiken voor hun analyses.

Welke methoden biedt het EPLCA aan?

Het EPLCA ondersteunt verschillende methoden die bedrijven kunnen helpen bij het uitvoeren van de LCA-studie:

  1. Product Environmental Footprint (PEF): Een gestandaardiseerde methode om de milieu-impact van producten te meten. Deze methode is ontwikkeld om consistentie en transparantie te waarborgen bij de communicatie van milieu-informatie naar consumenten.
  2. Organisation Environmental Footprint (OEF): Een methode die bedrijven helpt bij het beoordelen van de milieu-impact van hun gehele organisatie, inclusief alle activiteiten en processen. Dit biedt een holistisch overzicht van de milieu-impact op organisatieniveau.
  3. Life Cycle Data Network (LCDN): Een databank die bedrijven toegang biedt tot levenscyclusdata die nodig zijn voor LCA-studies. Deze data zijn essentieel voor het uitvoeren van betrouwbare en consistente analyses.
  4. ILCD Handbook: Een richtlijn die bedrijven helpt bij het consistent en kwalitatief uitvoeren van de LCA-studie. Het biedt methodologische ondersteuning voor de levenscyclusinventarisatie en de levenscyclusimpact-beoordeling.

Voorbeelden uit de praktijk

Grote merken zoals Nestlé, Unilever en Danone passen LCA al jarenlang toe om hun milieuprestaties te optimaliseren. In Nederland gebruiken o.a. Friesland Campina en Albert Heijn LCA om ketens te verduurzamen. In België maakt de Colruyt Group gebruik van de Eco-score. Deze score helpt consumenten bij het maken van milieuvriendelijke keuzes en ondersteunt het bedrijf bij het verduurzamen van hun eigen merkproducten. Ook kleinere producenten en startups maken gebruik van gebruiksvriendelijke tools zoals Ecochain of SimaPro.

Voorbeelden van LCA-resultaten voor specifieke producten

Kaasproductie heeft een aanzienlijke milieu-impact, Door melkproductie is deze sector verantwoordelijk voor een groot deel van de CO₂-uitstoot via methaan en veevoer. Ook kent deze sector een hoog energieverbruik bij verwerking, zoals pasteurisatie en rijping en wordt er vaak verpakt in plastic of folie. Hoewel lager dan vlees, is de klimaatimpact van kaas hoger dan die van plantaardige alternatieven.

Volkorenbrood scoort beter dan witbrood op duurzaamheid. Het gebruik van de hele graankorrel vermindert namelijk de verspilling en zorgt voor een lagere uitstoot door minder land- en watergebruik. Het is dus een gezonder én duurzamere keuze.

De impact van vleesvervangers verschilt per ingrediënt. Zo heeft soja-gebaseerd (zoals ‘kruim gehakt’) een hogere uitstoot door verwerking en scoort tofu-gebaseerd slechter op watergebruik. Groente-gebaseerd (zoals boerenkoolburger) scoort vaak het best. Over het algemeen zijn vleesvervangers wel klimaatvriendelijker dan dierlijke producten.

Hoe kan jouw bedrijf aan de slag met LCA?

  • Bepaal het doel van de LCA: Wil je de milieu-impact van een specifiek product beoordelen of de gehele organisatie?
  • Kies de juiste methode: Afhankelijk van het doel, kies je de meest geschikte methode (PEF, OEF, etc.).
  • Verzamel de benodigde data: Gebruik betrouwbare bronnen en databanken zoals het LCDN voor levenscyclusdata.
  • Voer de LCA-studie uit: Analyseer de verzamelde data en bepaal de milieu-impact van het product of de organisatie.
  • Interpreteer de resultaten: Identificeer de belangrijkste milieu-impactgebieden en mogelijke verbeterpunten.
  • Communiceer de bevindingen: Deel de resultaten met stakeholders en gebruik ze om duurzamere keuzes te maken.

Een LCA voor levensmiddelenbedrijven brengt onder andere de volgende fasen in kaart:

  1. Grondstofproductie: Bijvoorbeeld het gebruik van water, meststoffen, pesticiden en land voor landbouw of veeteelt.
  2. Productie & verwerking: Denk aan energieverbruik in fabrieken, watergebruik, en afvalstromen.
  3. Verpakking: Welke materialen worden gebruikt? Zijn ze recyclebaar of herbruikbaar?
  4. Transport & distributie: CO₂-uitstoot als gevolg van vrachtvervoer, opslag en distributie.
  5. Gebruik door de consument: Bijvoorbeeld het energiegebruik bij koken of koelen.
  6. Afvalfase: Wat gebeurt er na gebruik? Wordt het product gecomposteerd, verbrand of gerecycled?

De resultaten van een LCA worden meestal uitgedrukt in een aantal milieu-indicatoren, zoals:

  • CO₂-equivalenten (klimaatimpact)
  • Waterverbruik
  • Landgebruik
  • Ecotoxiciteit

Het toepassen van LCA kan complex zijn, maar het biedt waardevolle inzichten die bedrijven helpen bij het verduurzamen van de producten, processen of diensten.

Fraude in de levensmiddelenindustrie: Stand van zaken 2023–2025

De levensmiddelenindustrie in Europa staat steeds meer onder druk door economische uitdagingen, geopolitieke spanningen en een toename van handelsbarrières. Dit verhoogt de prikkel voor fraude. Zo werd er in 2024 wereldwijd 22.000 ton voedsel en 850.000 liter dranken met een waarde van €91 miljoen in beslag genomen tijdens de EU-operatie OPSON, die gericht was op frauduleuze en vervalste voedingsmiddelen.

Uit recente cijfers van het Agri-Food Fraud Network (FFN) blijkt dat het aantal meldingen van vermoedelijke fraude met 26% is gestegen tussen 2022 en 2024. Deze stijging wordt deels toegeschreven aan verbeterde opsporingsmethoden en een verhoogd bewustzijn binnen de industrie. Verschillende bronnen bieden meldingssystemen voor fraudegevallen, zoals RASFF-waarschuwingen, EFSA reports, de FDA en het betalende IFS Fraude platvorm.

Opvallendste soorten van fraude 

Misleidende of valse etikettering

Tussen 2023 en 2024 blijken misleidende of valste etiketten de meest gemelde vorm van fraude. Etiketten worden aangepast om producten zoals vlees, vis of olijfolie duurder of ‘authentieker’ te laten lijken. Er is een stijging ten opzichte van 2020–2022, vooral bij importen uit landen als Spanje, Polen, China en Vietnam. Producten met beschermde herkomst zijn extra gevoelig.

Verdunning van producten

Verdunning, zoals honing aangelengd met siroop of wijn met goedkope alcohol, blijft een structureel probleem. Hoewel het aantal meldingen stabiel is sinds 2023, blijven producten uit China, Oekraïne en Turkije berucht. De fraudetechniek zelf is nauwelijks veranderd sinds eerdere jaren.

Gewichtsfraude

Vanaf 2023 is een duidelijke toename zichtbaar in gewichtsfraude, vooral bij diepvriesvis uit Vietnam, China en India. Water of glazuur wordt toegevoegd om het gewicht op te drijven. Deze praktijk is actueler dan in 2020–2022 en staat hoog op de EU-agenda voor controle.

Vervalsing van documenten

Fraude met certificaten – zoals biologische labels of paardenpaspoorten – neemt licht toe sinds 2023. Vooral uit Roemenië, Bulgarije en India komen meldingen. De fraude is complexer geworden, met betere vervalsingstechnieken dan voorheen.

Valse gezondheidsclaims

Claims op supplementen zoals “immuunversterkend” of “vetverbrandend” blijven veel voorkomen. Sinds 2023 verschuift dit nog meer naar online verkoop, met veel meldingen van producten uit China, India en de VS. De situatie is stabiel, maar controle wordt lastiger.

Verboden stoffen

Het gebruik van verboden stoffen zoals Sudanrood of farmaceutische middelen in supplementen laat een lichte daling zien sinds 2023. Toch blijven producten uit India en Bangladesh risicovol. De daling is toe te schrijven aan betere importcontroles.

Illegale dierenhandel

De fraude met paardenpaspoorten en illegale huisdierenhandel blijft op hetzelfde niveau als 2020–2022. Oost-Europese landen zijn het vaakst betrokken. Hoewel niet toegenomen, blijft het een aandachtspunt vanwege volksgezondheid en dierenwelzijn.

Opvallende trends sinds 2023

Er is een duidelijke verschuiving naar complexere en beter verstopte fraude, mede door economische druk en nieuwe handelsbarrières zoals Amerikaanse importheffingen. Die versterken de prikkel tot fraude bij exporteurs. Ten opzichte van eerdere jaren is er meer controle, maar ook meer digitale en grensoverschrijdende fraude.

Opvallende fraudepraktijken per productgroep 

De meest gemelde fraudegevallen vielen binnen de volgende hoofdcategorieën:

Vleesfraude (exclusief gevogelte): Het vervangen van ingrediënten, diersoorten of herkomst en het verkeerd labelen van producten zijn de belangrijkste vormen van misleiding. Hierbij gaat het zowel om economische motieven als om pogingen om producten toegang te geven tot markten waarvoor ze eigenlijk niet in aanmerking komen. Ook zijn er fraudegevallen van levende dieren (exclusief huisdieren). Hier vallen met name paarden op. Fraude gebeurt via smokkel of via vervalsing van documenten zoals paspoorten en veterinaire certificaten.

Visfraude: De vissector kent vergelijkbare problemen. Het vaakst gemeld zijn gevallen van vervanging door goedkopere vissoorten of het toevoegen van water om het gewicht kunstmatig te verhogen. De Europese Commissie bereidt inmiddels een gecoördineerde actie voor tegen gewichtsfraude, waarbij ook praktijken als glazuren, paneerlagen of additieven worden onderzocht.

Misleidende etikettering van olijfolie: Ook hier blijkt economische fraude lucratief. Lage kwaliteit olijfolie wordt als “extra vierge” verkocht tegen een hogere prijs, zonder dat het aan de officiële kwaliteitscriteria voldoet.

Honingvervalsing: Een steeds terugkerend fraudepatroon is het verdunnen van honing met goedkopere suikersiropen, waardoor het product zijn natuurlijke waarde en kwaliteit verliest. Dit gebeurt vaak op een manier die voor consumenten moeilijk te detecteren is. Naast verdunde honing zijn ook mengvormen met geïmporteerde siroop een probleem, waarbij het product als lokaal of biologisch wordt verkocht terwijl dat niet het geval is.

Overige productgroepen uit de top 10

  • Kruiden en specerijen m.b.t. versnijding met plantaardig materiaal (bijv. olijfblad in oregano), gebruik van kleurstoffen zoals Sudanrood. Veelgenoemde origines zijn India, Bangladesh, Turkije en Egypte.
  • Voedingssupplementen m.b.t. ongeoorloofde gezondheidsclaims, toevoeging van farmaceutische stoffen. Veelgenoemde origines zijn China, VS, India; ook herverpakt binnen de EU.
  • Wijn en alcoholische dranken m.b.t aanlenging met suiker- of alcoholtoevoeging, herkomstvervalsing. Veelgenoemde origines zijn Zuid-Europa, Zuid-Amerika en Oost-Europa.
  • Melk en zuivelproducten m.b.t. aanlenging met water, toevoeging van melkeiwit of vet, misleidende oorsprong. Wereldwijd – vaak binnen de EU zelf.
  • Granen en graanproducten m.b.t. herkomstvervalsing, vervanging door goedkopere soorten, organisch label misbruik. Veelgenoemde origines zijn India, Oekraïne en EU-landen.
  • Vruchtensappen m.b.t. verdunning met water, toevoeging van suikers of kleurstoffen, onjuiste herkomst. Veelgenoemde origines zijn Brazilië, Egypte, Turkije.

Importheffingen VS: extra druk op Europese exporteurs

Sinds april 2025 is de situatie verder verscherpt door nieuwe Amerikaanse importheffingen op Europese levensmiddelen. De VS hanteert nu 20% extra invoerrechten op producten zoals wijn, kaas, olijfolie en vleeswaren. Deze maatregel is onderdeel van een bredere protectionistische koers en zet Europese producenten onder financiële druk.

Die economische druk kan leiden tot meer verleiding tot fraude, bijvoorbeeld om producten goedkoper te maken of om producten als “Amerikaans” of “niet-EU” te laten doorgaan via omwegen. Dit maakt controle op herkomst, certificering en etikettering des te belangrijker. 

Vegetarisch of veganistisch 

Vegetarische en veganistische producten veroveren een steeds groter deel van de schappen van de supermarkten. Met een uiteenlopend assortiment worden verschillende groepen consumenten bedient. Vlees vervangende producten, of kortweg vleesvervangers, zijn bedoeld om de vleescomponent te vervangen bij de warme maaltijd of als broodbeleg. 

Definities

Steeds meer mensen eten (deels) vegetarisch of veganistisch vanwege redenen met betrekking tot gezondheid, dierenwelzijn of het milieu. Van de Nederlanders eet ongeveer twee procent geen vlees maar wel vis, twee procent eet geen vlees en geen vis en 0,5 procent eet volledig plantaardig, oftewel veganistisch (Bron: CBS, 05-03-2024). In België liggen die percentages hoger; van de Belgen is ongeveer zeven procent vegetariër en 1 procent veganist, waarbij Wallonië beduidend meer vegetariërs telt dan Vlaanderen. Binnen Europese lidstaten zijn de percentages zeer uiteenlopend, gemiddeld genomen noemt 5% zicht vegetariër en 3 procent zicht veganist.   

Flexitariers doen het wel goed, er wordt steeds vaker bewust een aantal dagen in de week vegetarisch gegeten. In Europa noemt 27% zich flexitarier, met onderling wel grote verschillen in de toepassing.   

Een veganistisch eetpatroon houdt in dat er alleen producten worden geconsumeerd waarbij tijdens het gehele productie- en verwerkingsproces geen levende dieren en producten van dierlijke oorsprong worden ingezet. Veganisten eten geen vis, vlees, schaaldieren, melk, eieren, honing en andere voedingswaren waar dieren voor gedood zijn. Voor het klaren van (rode) wijn wordt soms gebruik gemaakt van producten op basis van dierlijk eiwit. Om deze reden past niet alle wijn in een veganistisch dieet. 

Vegetariërs zijn een brede groep consumenten, waarvan in het algemeen gesteld kan worden dat de consumptie wordt vermeden van producten waarvoor direct dieren zijn gedood. De meeste vegetariërs eten geen vlees, vis of schaaldieren en ook geen voedingsmiddelen zoals gelatine (gemaakt van beendermeel van geslachte dieren), kaas (bevat stremsel uit de magen  van kalveren) en geen dierlijke kleurstoffen zoals cochenille (kleurstof van rode schildluizen). 

Er worden verschillende vegetariërs onderscheiden: 

  • Lacto- vegetariër: gebruikt wel melkproducten (vaak Hindoeïstische vegetariërs, in het Hindoeïsme is melk vegetarisch); 
  • Ovo-vegetariër: gebruikt wel ei-producten; 
  • Lacto-ovo-vegetariërs: gebruikt wel melk- en ei-producten; 
  • Pescotariërs: eten wel vis, maar geen vlees; 
  • Flexitariër: eten één of meer dagen per week geen vlees, vis of vleeswaren. 

Soorten vleesvervangers en ingrediënten

De levensmiddelenindustrie brengt verschillende typen producten op de markt die bijdragen aan de vermindering van de consumptie van vlees. Traditionele vleesvervangers zoals tofu, tempé en seitan worden gemaakt uit gestremde sojamelk. 

Nieuwe vleesvervangers zijn de meer bewerkte producten die onder andere gemaakt worden van peulvruchten en groenten (zoals kikkererwten en tuinbonen), soja, paddenstoelen en/of noten, pitten en zaden.  

Ook wordt tegenwoordig gebruik gemaakt van zuivel, schimmelculturen of lupine. Zeewieren en algen zijn eveneens voorbeelden van vegetarische producten die (kunnen) worden ingezet als nieuwe eiwitbron ter vervanging van vlees. Algen worden al verwerkt in diverse vleesvervangers zoals burgers. Het kunnen imitaties van vleesproducten zijn (burgers of kipstukjes) of nieuwe producten zoals rondo’s en carrés. 

Hybride producten zijn producten waarbij een deel van het vlees vervangen is door een plantaardig product.  

Vleesvervangers bevatten vaak vergelijkbare voedingsstoffen als in vlees en zijn vaak een bron van eiwit, ijzer, vitamine B1 en/of B12. Een lijst met E-nummers en additieven die mogelijk dierlijke producten bevatten staat hier. 

Procesinformatie

Het productieproces voor meer bewerkte vleesvervangers is zeer divers en afhankelijk van het soort product. Grofweg worden grondstoffen vermengd tot een deeg en op smaak gebracht met kruiden en specerijen. Eventueel worden grondstoffen voorbewerkt, bijvoorbeeld door fijnmalen of weken. Hierna wordt het deeg gevormd tot de gewenste vorm, eventueel gepaneerd en vervolgens gegaard. Afhankelijk van het type product wordt het in olie (frituur) en/of in hete lucht (oven) gegaard. Na het garen worden de producten direct diepgevroren, verpakt en opnieuw diepgevroren voor opslag 

Tofu

Tofu (ook wel tahoe genoemd) wordt gemaakt van gestremde waterextract uit soja (bekend als sojamelk). Het wordt soms sojakaas genoemd omdat het productieproces vergelijkbaar is met kaas. Tempé (of tempeh) is gemaakt van hele gefermenteerde sojabonen. Hieronder wordt het productieproces voor tofu omschreven. De productie van sojamelk wordt hierbij niet verder toegelicht: 

  • Stremmen. Hete sojamelk wordt in een stremvat gemengd met een coagulant. Hieruit ontstaat wrongel. 
  • Persen. De wrongel wordt in een vorm geperst om overtollig wei kwijt te raken. Afhankelijk van de gewenste structuur van de tofu (zacht of meer vast) wordt de perstijd bepaald. 
  • Verwerken en verpakken. De tofu kan in stukken worden gesneden, eventueel gearomatiseerd en verder worden verwerkt. 
  • Pasteuriseren. Verpakte tofu wordt gepasteuriseerd om de houdbaarheid te garanderen. Tofu dient gekoeld bewaard te worden.

Voedselveiligheidsgevaren

Welke voedselveiligheidsgevaren gelden voor de productgroep vega en vegan is erg afhankelijk van de samenstelling van de producten en het productieproces. Omdat vaak ingrediënten van plantaardige oorsprong gebruikt worden, is gewoonlijk het gevaar residuen van gewasbeschermingsmiddelen van toepassing. Ook mycotoxinen zoals Aflatoxine en/of ochratoxine A kunnen voorkomen, wanneer de producten bijvoorbeeld van granen, soja zuidvruchten en/of noten worden gemaakt. 

 

Wetgeving

De definitie voor vegetarische en veganistische producten is (nog) niet wettelijk vastgelegd. De claimsverordening (Verordening (EG) nr. 1924/2006) is niet van toepassing op vermeldingen als ‘vegetarisch’ of ‘veganistisch’. Wel moeten deze vermeldingen voldoen aan de eisen voor voedselinformatie zoals opgenomen in artikel 7 Verordening (EU) Nr. 1169/2011 en mogen zij in het bijzonder niet misleidend zijn. 

In Verordening (EU) nr. 1169/2011 artikel 36, lid 3 staat dat de Europese commissie uitvoeringshandelingen zal vaststellen aangaande de geschiktheid van een levensmiddel voor vegetariërs of veganisten. Hier is geen deadline voor gesteld. 

Er is een voorstel opgesteld voor de wettelijke definities van ‘vegetarisch’ en ‘veganistisch’. De definities komen overeen met die van de European Vegetarian Union (EVU). De definitie van de term ‘vegetarisch’ is gebaseerd op de definitie van ‘veganistisch’:  

  • ‘Veganistisch’ zijn voedingsmiddelen die geen producten van dierlijke oorsprong bevatten en waarbij in geen enkel stadium van de productie of verwerking gebruik is gemaakt van, of het voedingsmiddel is aangevuld met, ingrediënten (met inbegrip van additieven, dragers, smaakstoffen en enzymen) of hulpstoffen of stoffen die geen levensmiddelenadditieven zijn, maar die op dezelfde wijze en met hetzelfde doel als technologische hulpstoffen worden gebruikt in bewerkte danwel onbewerkte vorm, die van dierlijke oorsprong zijn.
  • ‘Vegetarisch’ zijn voedingsmiddelen die voldoen aan de eisen van paragraaf 1, met het verschil dat in hun productie: 
    • melk, 
    • colostrum, 
    • eieren (nr. 5 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004), 
    • honing (bijlage I bij Richtlijn 2001/110 / EG), 
    • bijenwas, 
    • propolis of 
    • wolvet, met inbegrip van lanoline afkomstig van de wol van levende schapen,  of bestanddelen of derivaten daarvan kunnen worden toegevoegd of gebruikt. 

In België wordt deze Europese wetgeving omgezet in de nationale Belgische Wetgeving KB van 24 januari 1977 betreffende de voedselveiligheid en de etikettering van levensmiddelen In Nederland heeft het ministerie van VWS een beleidsstandpunt ingenomen over de benaming van vegetarische producten. Dit standpunt, zoals te lezen in het handboek Etikettering van levensmiddelen, luidt voor vegetarische varianten van vlees- en visproducten: 

  • Er mag gebruik worden gemaakt van gebruikelijke benamingen als ‘schnitzel’, ‘burger’ en ‘worst’ in de benaming van het product, mits het duidelijk is dat het om een vegetarische variant gaat. Dit betekent dat de benamingen ‘vegaschnitzel’, ‘vegaburger’, ‘vegetarische rookworst’ zijn toegestaan; 
  • Er mag gebruik worden gemaakt van diersoortnamen, zolang helder is dat het een vegetarische variant betreft. Dit betekent bijvoorbeeld dat benamingen als ‘vegetarische kipstukjes’, ‘vegetarische tonijn’, ‘vegetarische krabsalade’zijn toegestaan, maar niet uitsluitend de bewoording ‘kipstukjes’, ‘tonijn’ en ‘krabsalade’. 
  • Gereserveerde benamingen mogen alleen gebruikt worden bij producten die aan de wettelijke eisen voldoen die aan de gereserveerde benaming worden gesteld. Voor vlees, vleesproducten en vleesbereidingen vastgestelde gereserveerde benamingen (aanduidingen) zijn niet toegestaan in het gebruik voor vleesloze producten, ook niet in combinatie met ‘vegetarisch’. Ook het gebruik van foutief gespelde diersoortnamen of foutief gespelde gereserveerde benamingen (bijv. vegetarisch ‘gehackt’) is niet toegestaan.
  • In het Warenwetbesluit Vlees, gehakt en vleesproducten zijn gereserveerde aanduidingen vastgesteld voor diverse producten. De mogelijkheid om bij vegetarische vleesvarianten het gebruik van de term ‘vegetarisch’ te verplichten wordt nader onderzocht.

Voor de productgroep vleesvervangers kan de wetgeving omtrent Novel Foods gelden. 

Allergenen

Vleesvervangende producten kunnen diverse plantaardige allergenen bevatten. Aangezien veganistische producten zonder dierlijke ingrediënten worden gemaakt, wordt vaak aangenomen dat dierlijke allergenen zoals melk, ei, vis, schaal- en weekdieren niet aanwezig zijn. Helaas kunnen de producten door middel van kruisbesmetting wel besmet zijn met deze allergenen. 

De definitie voor vegetarische en veganistische producten is (nog) niet wettelijk vastgelegd. Daardoor is ook geen regelgeving opgesteld over het aanwezig zijn van dierlijke allergenen door kruisbesmetting in deze producten. 

De aanwezigheid van een logo als V-label geeft voor de consument ook geen garantie dat dierlijke allergenen niet aanwezig zijn. Het V-label is namelijk toegestaan wanneer alle dierlijke allergenen samen maximaal 0,1% van het eindproduct bedragen. Dit alles kan verwarrend zijn voor de allergische en/of veganistische consument. 

Keurmerken

Voor vegetarische en veganistische producten zijn diverse keurmerken en labels in omloop:  

V-label keurmerk

Het V-label keurmerk is een internationaal gebruikt keurmerk voor vegetarische producten. In Nederland beheert en controleert de Nederlandse Vegetariërsbond het keurmerk, in België wordt dit gedaan door de Belgische Vereniging voor Vegetarisme (BeVeg). 

Een product kan het keurmerk dragen als het geen ingrediënten van dierlijke oorsprong bevat en is bedoelt als verduidelijking voor de consument: het voedingsmiddel is gegarandeerd vegetarisch.  

De definities van veganistisch en vegetarisch zijn (INT-V-Label-Criteria-V02.02-nl,  update: 20.03.2025): 

  • Producten worden als veganistisch (vegan) beschouwd als ze geen producten bevatten van dierlijke oorsprong en indien er in geen enkel stadium van het productie- en verwerkingsproces gebruik gemaakt werd van of het product aangevuld werd met 
    • ingrediënten (inclusief additieven, dragers, aroma’s, geuren, smaakstoffen en enzymen) of  
    • hulpmiddelen of  
    • stoffen die geen additieven zijn, maar op dezelfde manier gebruikt worden en met hetzelfde doel als hulpmiddelen in zowel verwerkte als onverwerkte vorm die van dierlijke oorsprong zijn of 
    • elk ingrediënt of bestanddeel dat van nature dierlijk is, zelfs zonder dierlijke bronnen te gebruiken (bijvoorbeeld door middel van precisiefermentatie). 
  • Producten worden als vegetarisch beschouwd als ze aan de vereisten voor vegan voldoen, met het verschil dat in hun productie melk, biest (colostrum), eieren, honing, bijenwas, propolis of wolvet – inclusief lanoline afkomstig van de wol van levende schapen – of hun bestanddelen of afgeleiden mogen worden toegevoegd of gebruikt.

Fabrikanten kunnen een voedingsmiddel aanmelden voor het keurmerk. De volledige samenstelling inclusief alle additieven dient gedeclareerd te worden, zodat het product gecontroleerd kan worden op aanwezigheid van dierlijke bestanddelen. Alle relevante wijzigingen aan productsamenstelling en proces dienen direct doorgegeven te worden, waarna opnieuw controle plaatsvindt. Er vindt geen periodieke onafhankelijke controle plaats. De audit voor certificering voor het keurmerk kan gecombineerd worden met de audit voor andere (GFSI erkende) standaarden. 

Op de website van V-label is een lijst samengesteld alle voedingsmiddelen die het keurmerk mogen dragen.   

Vegan Keurmerk

In Nederland is de Nederlandse Vereniging voor Veganisme (NVV) vertegenwoordiger van het Vegan Keurmerk, in Belgie is dit De Vegan Society . Wereldwijd wordt het internationaal erkende Vegan Trademark, dat sinds 1990 bestaat, uitgegeven door The Vegan Society uit het Verenigd Koninkrijk. Producten kunnen alleen dit logo dragen wanneer zij volledig veganistisch zijn. De producten dienen vrij te zijn van dierlijke ingrediënten en er mogen geen materialen van dierlijke oorsprong gebruikt worden bij de productie en ontwikkeling. Tevens mag er geen gebruik worden gemaakt van dierproeven. Veganisme wordt gedefinieerd als een levenswijze waarbij, voor zover praktisch haalbaar, wordt afgezien van alle vormen van exploitatie van, en wreedheid naar, dieren voor eten, kleding of andere doeleinden. 

Bedrijven kunnen bij NVV of de Vegan society een aanvraag indienen om het logo te mogen voeren op hun producten. Het bedrijf dient een account aan te maken en diverse documenten te uploaden ter controle. Het logo mag gebruikt worden wanneer de aanvraag door The Vegan Society is goedgekeurd. Het gebruik van het logo wordt goedgekeurd voor een periode van 12 of 24 maanden, waarna een hernieuwde aanvraag moet worden ingediend. Om het logo te mogen dragen dient daarnaast een (jaarlijkse) vergoeding aan The Vegan Society betaald te worden. 

Certificering volgens BRCGS

Vanwege de toenemende populariteit van plantaardige voeding heeft BRCGS begin 2020 een nieuwe certificatiestandaard uitgebracht: Plant-Based Global Standard. Bedrijven kunnen zich laten certificeren tegen deze standaard. Er vindt een audit op het bedrijf plaats waarbij ook het productieproces wordt beoordeeld, waarmee dit schema zich onderscheidt van andere vegan labels. Andere labels controleren alleen de productsamenstelling. De standaard bevat onder andere eisen omtrent een managementsysteem en operationele criteria die nodig zijn om ervoor te zorgen dat producten en ingrediënten vrij zijn van dierlijk materiaal. Er wordt ook aandacht besteed aan de aanwezigheid van dierlijke allergenen en de manier waarop kruisbesmetting hiermee wordt voorkomen. Op producten van een gecertificeerd bedrijf mag het Plant-Based Global Standard Trademark geplaatst worden. 

Misleidende communicatie over vegetarisch en veganistisch

De Nederlandse Reclame Code Commissie (RCC) behandelt geregeld zaken waarbij de klacht is dat de boodschap misleidend is. Jaarlijks wordt een aantal klachten met betrekking tot vegetarisch en/of veganistisch behandeld. 

In september 2020 werd een klacht behandeld over een tweet over ‘vegetarische gehakt van onze vegavarkens’. Feitelijk ging het om varkensvlees waarvan werd vermeld dat de varkens vegetarisch hadden gegeten. Het was volgens de adverteerder een eenmalige, kleinschalige ludieke actie, nadat een klant als kwinkslag gevraagd had om vlees van vegetarische varkens. De reclame-uiting werd in strijd bevonden met de Nederlandse Reclame Code.  

In februari 2020 zette MSC (Marine Stewardship Council) op Facebook de advertentie met de tekst “Al van Seagan gehoord? Een eetpatroon dat ‘vegan’ combineert met ‘seafood’. Anders gezegd: veganistisch, aangevuld met een sporadisch stukje verantwoorde vis. MSC is alvast fan!” 

In dit geval oordeelde de RCC dat het voor de consument duidelijk is dat de consument gewezen wordt op de mogelijkheid verantwoorde vis, waarvan MSC het keurmerk beheert, aan een veganistische maaltijd toe te voegen. Dit staat los van het feit dat veganisten geen vis eten. Oftewel de klacht werd afgewezen. 

Beheersing van drinkwaterkwaliteit: oorzaken en beheersmaatregelen

Aan welke parameters moet drinkwater voldoen, wat zijn mogelijke oorzaken voor overschrijdingen en hoe zijn ze te beheersen? De Drinkwaterrichtlijn (EU) 2020/2184 van de Europese Unie betreft de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie en bevat strikte regels om de volksgezondheid te beschermen en de kwaliteit van drinkwater te waarborgen. De richtlijn schrijft de lidstaten voor waar het drinkwater aan moet voldoen.  

Levensmiddelen bedrijven vragen op hun beurt de testresultaten op van de lokale watermaatschappij. Als levensmiddelenbedrijf is er ook een eigen verantwoordelijkheid. In dit artikel een overzicht van de geldende parameters en mogelijke beheersmaatregelen. Voor de toegelichte Europese, Nederlandse en Belgische wetgeving en de wijzigingen van de drinkwaterrichtlijn welke sinds 2022 stelselmatig worden ingevoerd, lees verder in het artikel: De drinkwaterrichtlijn en nieuwe wetgeving voor drinkwatercontactmaterialen

Microbiologische parameters  

Enterococcen en Escherichia coli

De belangrijkste microbiologische parameters voor de controle van drinkwater zijn Enterococcen en Escherichia coli, beiden indicatoren voor de aanwezigheid van ziekteverwekkende bacteriën. Als levensmiddelenbedrijf ben je verplicht deze te onderzoeken.  

  • Escherichia Coli: <1 kve / 100 ml 
  • Enterococcen:     <1 kve / 100 ml 
  • Aeroob kiemgetal 22°C: <100 kve / ml 

Oorzaken van een te hoog gehalte: 

De aanwezigheid van Enterococcen en Escherichia coli in drinkwater wijst op mogelijke vervuiling door fecale stoffen die ziekteverwekkers kunnen bevatten. Dit kan veroorzaakt worden door verontreiniging van waterbronnen door landbouwafvloeiing, onjuiste riolering, of lekkages in het leidingnet. Intern kan het bijvoorbeeld liggen aan vervuilde leidingen, stilstandplaatsen of onvoldoende hygiëne.  

Mogelijke beheersmaatregelen:  

Implementeren van waterbehandelingssystemen:

  • Chlorering of desinfectie is een veelgebruikte methode om microbiologische verontreinigingen in water te doden. Dit kan preventief of op kritieke momenten in het proces worden toegepast om te zorgen voor veilig water. 
  • UV-desinfectie kan worden gebruikt om bacteriën, virussen en andere micro-organismen te doden zonder het gebruik van chemicaliën. 
  • Omgekeerde osmose (RO) is een geavanceerde filtratietechnologie die kan worden gebruikt om zowel chemische als microbiologische verontreinigingen te verwijderen. Het is bijzonder nuttig in gevallen waar water van lagere kwaliteit in het systeem komt, en het kan helpen om risico’s te minimaliseren. 
  • Filtratie: Fysieke filters kunnen worden ingezet om grotere deeltjes en mogelijk schadelijke bacteriën of micro-organismen uit het water te verwijderen. 

Onderhoud van Waterleidingen en Installaties

  • Inspectie en reiniging van leidingsystemen: Het leidingwaternetwerk in een bedrijf moet regelmatig worden geïnspecteerd en schoongemaakt om de opbouw van biofilms (micro-organismen die zich vastzetten in leidingen) te voorkomen. Biofilms kunnen een broedplaats vormen voor schadelijke bacteriën. 
  • Preventieve maatregelen tegen stagnatie: Stagnatie van water in leidingen kan leiden tot de groei van bacteriën. Levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat waterleidingen goed doorstroomd worden en dat stilstaand water vermeden wordt. 
  • Verwarming van water: Het zorgen voor een voldoende hoge temperatuur in leidingen waar water langdurig blijft stilstaan kan helpen om bacteriële groei te beperken, omdat veel pathogenen zich niet kunnen vermenigvuldigen bij hogere temperaturen. 

Hygiëneprotocollen en Opleiding van Personeel

  • Opleiding van personeel: Het personeel moet goed geïnformeerd zijn over het belang van waterkwaliteit en de potentiële risico’s van microbiologische besmetting. Ze moeten weten hoe ze waterbehandelingssystemen kunnen onderhouden, watermonsters kunnen nemen en besmetting kunnen voorkomen. 
  • Hygiënemaatregelen in productieomgevingen: Het is belangrijk om strikte hygiëneprotocollen te volgen, vooral op plaatsen waar water in contact komt met voedselproducten. Dit houdt in dat het reinigen van machines, apparatuur en oppervlakken, evenals het omgaan met waterbronnen, zorgvuldig moet gebeuren. 

Chemische parameters

Om chemische gevaren in te kunnen schatten, is het belangrijk om bewust te zijn waar deze vandaan kunnen komen. Zijn er mogelijke interne veroorzakers zoals contactmaterialen of chemische (reinigings-)producten welke worden toegepast? Wanneer deze in beeld zijn kunnen ze beheerst worden.  

Of worden er chemische overschrijdingen veroorzaakt door handelen van bijvoorbeeld andere belastende industrieën of de agrarische sector. Het ‘voorkomen van’ ligt in dat geval voor een groot deel bij bewustwording en verantwoording nemen van de andere bedrijven. Zo kan er daar gepoogd worden minder van de belastende producten te gebruiken of een alternatieven product gezocht worden, er kan betere filtering plaats vinden voor er geloosd wordt. Hier heb je als levensmiddelenproducent minder vat op. Maar men kan wel de mogelijke gevaren vanuit de omgeving in kaart brengen, het water zelf goed monitoren en daarnaar handelen door bijvoorbeeld het water een extra behandeling te laten ondergaan. 

De chemische stoffen zijn in te delen in verschillende groepen:
  1. Organische stoffen (zoals pesticiden, PFAS, benzeen, etc.) komen vaak uit industriële lozingen of het gebruik van chemische middelen in landbouw en industrie. 
  2. Inorganische stoffen (zoals fluoride en nitraat) komen vaak uit natuurlijke bronnen of landbouwwatervervuiling. 
  3. Metalen en zouten (zoals lood, koper, nitraat, arsenicum, etc.) komen vaak door verontreiniging uit leidingen, industrie of landbouwpraktijken. 
  4. Blauwalg ontstaat vaak door algenbloei in waterlichamen. 
  5. Radioactieve stoffen (zoals uraan) kunnen van nature in het grondwater voorkomen, afhankelijk van de geologie van het gebied.
Oorzaken van een te hoog gehalte in het water

Organische stoffen

Deze stoffen komen vaak uit industriële processen, landbouw, of het gebruik van chemische stoffen: 

  • Acrylamide (0,10 μg/l): Komt vaak voor door verhitting van water in industrieel gebruik of door bepaalde chemische reacties. 
  • Benzeen (1,0 μg/l): Kan ontstaan door verontreiniging van water met oplosmiddelen uit industriële processen, brandstoffen, of lozingen van petrochemische stoffen. 
  • Benzo[a]pyreen (0,010 μg/l): Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) die vaak afkomstig zijn van verbrandingsprocessen (zoals verkeer of industrie). 
  • Bisfenol A (2,5 μg/l): Kan in water terechtkomen door verwering van bepaalde kunststoffen (bijvoorbeeld uit kunststofbuizen). 
  • Bromaat (10 μg/l), chloraat (0,25 mg/l), chloriet (0,25 mg/l), gehalogeneerde azijnzuren (HAA’s) (60 μg/l) en trihalomethanen totaal (100 μg/l): Deze stoffen komen voor bij de reactie van chloor met organisch materiaal in water. Bijvoorbeeld bij desinfectie van water met chloor of ozon. 
  • 1,2-dichloorethaan (3,0 μg/l) en vinylchloride (0,50 μg/l): Kunnen aanwezig zijn door industriële lozingen van oplosmiddelen. 
  • Epichloorhydrine (0,10 μg/l): Dit kan ontstaan door industrieel gebruik en lozingen van bepaalde chemische stoffen. 
  • Tetrachlooretheen en trichlooretheen (10 μg/l): Organische oplosmiddelen die vaak voortkomen uit industriële lozingen, zoals de textiel- of auto-industrie. 
  • Pesticiden totaal (0,50 μg/l): Vervuiling door het gebruik van pesticiden in de landbouw en tuinbouw. 
  • PFAS totaal (0,50 μg/l): Per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) worden vaak gebruikt in industriële toepassingen zoals waterafstotende producten, brandblusschuim en verpakking. En de Som van PFAS (0,10 μg/l): Verzamelnaam voor een groep van perfluorverbindingen die vaak door industriële activiteiten in water terechtkomen. 

Metalen en Zouten

Deze stoffen komen vaak voor door industriële lozingen, verontreiniging door corrosie van leidingen of door landbouwwatervervuiling: 

  • Antimoon (10 μg/l): Dit element kan afkomstig zijn van industriële activiteiten, zoals de productie van legeringen of batterijproductie. 
  • Arseen (10 μg/l): Arseen komt vaak voor door natuurlijke verontreiniging van grondwater of door industriële lozingen (bijv. uit de mijnbouw of bepaalde productieprocessen). 
  • Cadmium (5,0 μg/l) en Nikkel (20 μg/l): Kan terechtkomen in het water door industrieel afval, zoals van metaalverwerkende industrieën. 
  • Koper (2,0 mg/l): Komt vaak voor door het oplossen van koper uit leidingen (bijvoorbeeld door verouderde koperen leidingen). 
  • Lood (5 μg/l): Lood kan het water verontreinigen door het oplossen uit verouderde loodleidingen of door industriële lozingen. 
  • Kwik (1,0 μg/l): Komt vaak uit industriële lozingen, zoals van de chemische en elektrolytische industrieën. 
  • Seleen (20 μg/l): Een sporenelement dat van nature in bepaalde waterbronnen kan voorkomen, maar ook door industriële activiteiten kan worden verhoogd. 
  • Uraan (30 μg/l): Komt voor in bepaalde grondwaterbronnen, vooral in gebieden met hoge concentraties van uraan in de bodem. 

Inorganische Zouten (Anorganisch)

Deze stoffen komen vaak uit natuurlijke bronnen of landbouwwatervervuiling: 

  • Boor (1,5 mg/l): Komt van nature voor in bepaalde wateren en kan ook afkomstig zijn van industriële activiteiten, zoals de productie van glas of andere chemicaliën. 
  • Fluoride (1,5 mg/l): Kan van nature aanwezig zijn in sommige waterbronnen of wordt toegevoegd voor tandheelkundige gezondheidsdoeleinden. 
  • Nitraat (50 mg/l): Komt vaak uit landbouwvervuiling door het gebruik van kunstmest of het lozen van dierlijke mest. 
  • Nitriet (0,50 mg/l): Ook gerelateerd aan landbouwvervuiling, vaak een afbraakproduct van nitraat. 

Blauwalg

Deze stoffen komen voort uit organische verontreiniging en kunnen in drinkwater terechtkomen door onvoldoende waterbehandeling of door vervuiling van waterbronnen: 

  • Microcystine-LR (1,0 μg/l): Deze toxine wordt geproduceerd door bepaalde blauwalgsoorten (cyanobacteriën) in stilstaande of langzaam stromende wateren. 

Radioactieve Verontreinigingen

Deze stoffen kunnen van nature in sommige waterbronnen aanwezig zijn: 

  • Radionucliden zoals uraan (30 μg/l): Uraan is een zwaar radioactief element dat in bepaalde geologische gebieden van nature in het grondwater voorkomt.
Mogelijke beheersmaatregelen 

Levensmiddelen bedrijven vragen chemische testresultaten op van de lokale watermaatschappij. Als levensmiddelenbedrijf is er ook een eigen verantwoordelijkheid voor de gevaren die in-house kunnen ontstaan en vanuit het HACCP plan bekijken we de beheersing van omgevingsfactoren ook steeds risico gebonden. 

Hieronder staan de belangrijkste beheersmaatregelen per type chemische verontreiniging.  

Regelmatige Monitoring en Testen

  • Waterkwaliteitscontrole: Levensmiddelenbedrijven kunnen water regelmatig testen op specifieke verontreinigingen zoals acrylamide, benzeen, bisfenol A, PFAS en pesticiden. Het gebruik van gecertificeerde laboratoria is belangrijk om ervoor te zorgen dat de waterkwaliteit voldoet aan de wettelijke normen en veilig is voor gebruik in productieprocessen.

Gebruik van Waterbehandelingssystemen

  • Actieve koolfiltratie: Deze methode is effectief voor het verwijderen van organische stoffen zoals benzeen, vinylchloride, 1,2-dichloorethaan, en sommige PAK’s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Actieve kool kan de organische verontreinigingen adsorberen, waardoor de concentratie in het water wordt verminderd. 
  • Ozonisatie en UV-behandeling: Ozonisatie kan effectief zijn bij het verwijderen van stoffen zoals bromaat, chloraat en chloriet die ontstaan door desinfectie van water. UV-behandeling kan ook nuttig zijn om organische verontreinigingen af te breken, hoewel het minder effectief is voor chemische stoffen dan ozonisatie. 
  • Omgekeerde osmose: Dit systeem kan chemische verontreinigingen zoals PFAS, bisfenol A, en andere oplosmiddelen effectief verwijderen. Omgekeerde osmose wordt vaak ingezet wanneer er sprake is van vervuiling door industriële lozingen of wanneer het water afkomstig is van minder gecontroleerde bronnen.

Preventie van Verontreiniging bij de Bron

  • Bescherming van waterbronnen: Levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat hun waterbronnen (zoals grondwater, oppervlaktewater of gemeentelijk water) niet verontreinigd worden door externe bronnen. Dit kan betekenen dat het bedrijf maatregelen moet nemen om vervuiling door industrie, landbouw of andere bronnen te voorkomen, bijvoorbeeld door het opzetten van beschermingszones rond waterbronnen. 
  • Gebruik van veilige materialen voor leidingen: Het gebruik van materialen die bestand zijn tegen verwering en de migratie van verontreinigingen, zoals bisfenol A uit kunststofbuizen, kan helpen de kans op vervuiling van het water te verminderen.

Strikte Hygiënemaatregelen en Onderhoud

  • Reiniging en onderhoud van waterdistributiesystemen: Het waterdistributiesysteem binnen een levensmiddelenbedrijf moet regelmatig worden gecontroleerd en onderhouden om ervoor te zorgen dat er geen verontreinigingen uit leidingen of opslagreservoirs in het water terechtkomen. Dit is belangrijk voor stoffen zoals benzeen, bisfenol A en andere oplosmiddelen die mogelijk uit verouderde leidingen kunnen lekken. 
  • Preventie van legionella: Naast chemische verontreinigingen is het belangrijk om microbiologische verontreinigingen, zoals legionella, te beheersen door het systeem goed te onderhouden. Dit kan onder meer door het regelmatig reinigen van waterreservoirs en leidingen.

Waterbehandelingsprocedures voor Specifieke Verontreinigingen

  • Chloraat en bromaat: Beide stoffen ontstaan vaak bij het gebruik van ozon voor desinfectie van water. Levensmiddelenbedrijven moeten ervoor zorgen dat het ozonisatieproces nauwkeurig wordt gecontroleerd en dat de concentraties van bromaat en chloraat binnen de wettelijke normen blijven. In sommige gevallen kan een combinatie van UV-behandeling en actieve koolfiltratie worden toegepast om deze stoffen te verminderen.

Opleiding en Bewustwording van Personeel

  • Training van personeel: Het personeel moet getraind worden in het belang van waterkwaliteit en de specifieke risicofactoren die gepaard gaan met chemische verontreinigingen. Dit omvat training in het nemen van watermonsters, het uitvoeren van basisanalyse, en het implementeren van waterbehandelingsprocedures. 
  • Bewustzijn van mogelijke verontreinigingsbronnen: Het personeel moet zich bewust zijn van de mogelijke bronnen van verontreiniging, zoals industriële lozingen of het gebruik van verontreinigde materialen in het productieproces, en moet zich inzetten voor het voorkomen van dergelijke verontreiniging. 

Omgevingspathogenen

Pathogenen zijn een veelvoorkomend onderwerp in de voedselindustrie omdat de besmetting van levensmiddelen met pathogenen gevaarlijk kan zijn voor de gezondheid van de consument. Tijdens het productieproces kunnen pathogenen voorkomen in het product maar ook in de omgeving van de productielocatie. Dit noemen we dan een omgevingspathogeen. Er zijn verschillende omgevingspathogenen aanwezig in verschillende sectoren van de levensmiddelenindustrie.

Wat is een omgevingspathogeen en hoe kan het in het product komen?

Omgevingspathogenen zijn ziekteverwekkers (zoals bacteriën, virussen, schimmels of parasieten) die in de omgeving kunnen voorkomen — buiten het lichaam van mensen of dieren — en van daaruit een infectie kunnen veroorzaken. Ze kunnen zich bevinden in water, bodem, oppervlakken in de productieomgeving, lucht en andere plekken binnen de productieomgeving. Deze pathogenen kunnen lange tijd in de productieomgeving overleven en zelfs groeien. Omgevingspathogenen vormen daarom een groot risico voor de consument, omdat ze producten kunnen besmetten ná een reducerende behandeling heeft plaatsgevonden. Dit noemen we dan nabesmetting. Daarom is het belangrijk om deze in kaart te brengen en een goed monitoringsplan op te stellen om de groei van omgevingspathogenen uit te kunnen sluiten.  

De meest voorkomende omgevingspathogenen in de levensmiddelenindustrie zijn Listeria Monocytogenes en Salmonella spp. Ook in de wetgeving ligt op deze twee pathogenen de meeste focus. Daarnaast zijn er nog verschillende omgevingspathogenen die vooral in specifieke sectoren relevant zijn. Voorbeelden hiervan zijn: 

  • Bacillus Cereus 
  • E. coli (STEC) 
  • Campylobacter spp. 
  • Enterobacteriaceae 
  • Staphylococcus aureus 
  • Clostridium perfringens 

Het is goed om te weten dat er zich passanten of persistente stammen (huisstammen) in de productieomgeving kunnen bevinden. Passanten worden eenmalig gevonden tijdens omgevingsmonitoring en kunnen door de reinigings-en ontsmettingsprocedures verwijderd worden, terwijl persistente stammen gedurende langere tijd teruggevonden. Ze kunnen zich bijvoorbeeld vestigen in niches en een herhaaldelijk probleem gaan vormen doordat ze mogelijk niet volledig geïnactiveerd worden door standaard reinigings-en ontsmettingsprocedures. 

De groei van pathogenen hangt sterk af van de omstandigheden waarin het pathogeen zich bevindt. Factoren als temperatuur, aanwezigheid van voeding, pH, aw-waarde (wateractiviteit), zoutgehalte en zuurstof aanwezigheid kunnen ervoor zorgen dat een pathogeen snel of juist vermindert kan groeien. Het is dus belangrijk om te weten wat deze parameters zijn binnen je bedrijf om beter te kunnen begrijpen welke pathogenen een risico kunnen vormen. Hieronder zal verder beschreven worden welke omgevingspathogenen een gevaar kunnen vormen en voor welke sectoren specifiek. 

Listeria Monocytogenes 

Listeria monocytogenes is een bacterie die behoort tot de familie van de Listeriaceae en staat bekend als een gevaarlijk omgevingspathogeen, vooral binnen de voedingsmiddelenindustrie. De bacterie kan de ziekte listeriose veroorzaken, een ernstige infectie die vooral risicogroepen treft, zoals zwangere vrouwen, ouderen en mensen met een verzwakt immuunsysteem. Ook kan Listeria zogenaamde biofilms vormen waarin de bacterie robuuster is en zich kan hechten aan oppervlakten. 

Listeria monocytogenes is bijzonder vanwege zijn vermogen om te groeien onder omstandigheden waar veel andere bacteriën dat niet kunnen: 

  • Temperatuurbereik à groeit tussen -0,4°C en 45°C met een optimum tussen de 30–37°C. Dit betekent dat de bacterie kan groeien in gekoelde producten.  
  • pH-bereik à heeft een pH tolerantie tussen 3,3-9,6 met een optimum van 7. Onder een pH van 4,4 is er geen groei mogelijk. 
  • Aw-waarde à groeit boven een Aw waarde van 0,92 met een optimum van 0,97. Groeit dus niet onder een Aw waarde van 0,92. 
  • Zouttolerantie à Kan groeien bij zoutgehaltes tot 10%. Overleeft in zoutgehaltes van 20%. 
  • Zuurstof aanwezigheid à Listeria is facultatief anaeroob, wat betekent dat het zowel met als zonder zuurstof kan groeien. 

Omdat we het beschouwen als een omgevingspathogeen heeft het naast mogelijk aanwezigheid op het product, ook andere mogelijke leefomgevingen: 

  • Vochtige en koele productieomgevingen 
  • Afvoeren, vloerputten, naden en kieren van machines 
  • Plekken waar condensvorming mogelijk is 
  • Biofilms (listeria kan zich vastzetten in biofilms waardoor het resistenter is tegen standaard reiniging en desinfectie) 

Daarnaast komt de bacterie ook in de natuurlijke omgeving voor zoals in de bodem, in water, planten en uitwerpselen van dieren. Listeria is niet veeleisend als het gaat om voedingsstoffen. Het groeit goed in eiwitrijke en koolhydraatrijke omgevingen zoals: 

  • Vleesproducten (gegaard/gekookt)  
  • Zachte kazen en zuivel (brie, camembert, rauwmelkse kazen) 
  • Vis (gerookt) 
  • Ready-to-eat producten 
  • Voorverpakte rauwkost en/of salades 

Listeria monitoring is vooral van belang in sectoren waar gekoelde, Ready-to-eat producten worden geproduceerd. De reden hiervoor is dat deze producten vaak al een reducerende behandeling hebben gehad, waardoor nabesmetting ervoor kan zorgen dat consumenten de pathogeen direct consumeren zonder een verhittende stap.  

Daarom zijn relevante sectoren voor Listeria Monocytogenes: 

  • Vlees-en pluimvee verwerkende bedrijven (met name gegaarde en gekookte producten zoals vleeswaren) 
  • Zuivelindustrie (met name zachte kazen en rauwe melkproducten) 
  • Visverwerkende bedrijven (met name gerookte, rauwe zalm of andere vissoorten) 
  • Groente verwerkende bedrijven (met name rauwkostsalades en gesneden groenten) 
  • Ready-to-eat producten (kant-en-klaar maaltijden) 

Naast dat het in deze sectoren een verhoogde kans heeft, is het risico op Listeria monocytogenes een relevant gevaar voor vrijwel elke sector. Zorg ervoor dat de factoren in kaart worden gebracht die de groei van listeria kunnen bevorderen of remmen, zodat een goede inschatting gemaakt kan worden betreffend het risico op listeria besmettingen. 

Salmonella spp. 

Salmonella spp. zijn een groep bacteriën binnen de familie Enterobacteriaceae die wereldwijd bekend staat als veroorzaker van voedselinfecties. Salmonella komt vaak voor bij landbouwhuisdieren en hun producten en is daarom een frequente oorzaak van gastro-intestinale infecties. Het veroorzaakt de ziekte salmonellose.

Salmonella heeft relatief milde eisen voor groei en overleving: 

  • Temperatuurbereik: Groeit tussen 8°C en 47°C, met een optimum rond 37°C. 
  • pH-bereik: Tolerantie van ongeveer pH 4,4 tot 9, met optimale groei tussen pH 6,5–7,5. 
  • Aw-waarde: Groeit vanaf een minimale aw van 0,95, maar kan overleven in lagere waarden! 
  • Zuurstofbehoefte: Facultatief anaëroob — groeit zowel mét als zonder zuurstof. 
  • Droge omstandigheden: Salmonella kan overleven in droge omstandigheden. 

Salmonella komt van nature voor in de darmen van dieren en kan via ontlasting in het milieu terechtkomen. Op productielocaties kan het binnenkomen via besmette grondstoffen zoals rauw vlees, eieren, kruiden of noten. De bacterie kan overleven op droge oppervlakken, in stof en in moeilijk te reinigen plekken zoals naden, kieren en machines. Ook in vochtige zones zoals afvoeren, natte vloeren en condensatiepunten kan Salmonella zich ophopen. Via personeel, luchtstromen of kruisbesmetting tussen ‘vuil’ en ‘schoon’ gebied kan het zich verspreiden.  

Salmonella is een bacterie die relatief weinig eisen stelt aan zijn voeding en gebruikt een breed scala aan voedingstoffen die vaak aanwezig zijn in dierlijke producten. Denk hierbij dan vooral aan eiwitten en vetten, maar ook suikers en mineralen worden gebruikt als voedingsstoffen voor Salmonella spp. Als je dat dan vertaald naar producten moet je denken aan producten als: 

  • Vlees, eieren en zuivel (eiwitten) 
  • Deeg, zuivel en groenten (koolhydraten) 
  • Vleesbereidingen en sauzen (vetten) 

Deze voorkeur aan voedingsstoffen is ook terug te zien in de sectoren waar salmonella vooral vaak voorkomt. Denk hierbij aan: 

  • Vlees-en pluimvee industrie 
  • Eierverwerking 
  • Zuivelindustrie 
  • Diervoeder sector 

Daarnaast kan salmonella ook in andere productgroepen voorkomen omdat het ook in droge omstandigheden kan overleven en daardoor alsnog in een product kan komen. Hiervan bewust zijn is cruciaal omdat droge producten vaak niet meteen als risicovol gezien worden voor salmonella. Voorbeelden hiervan zijn: 

  • Kruiden en specerijen 
  • Noten en pinda’s 
  • Chocolade 
  • Meel en bloem

Bacillus Cereus 

Bacillus cereus is een sporenvormende bacterie die veel voorkomt in de natuur en in voedselproductieomgevingen. De bacterie is vooral berucht vanwege zijn vermogen om hittestabiele toxines te produceren die voedselvergiftiging kunnen veroorzaken. Deze sporen zijn lastig te verwijderen waardoor het ook na reducerende stappen als pasteuriseren en garen aanwezig kan blijven in het product. 

De groeifactoren van bacillus cereus: 

  • Temperatuurbereik: Groeit tussen 5°C en 50°C, met een optimum rond 30–37°C. 
  • Sommige stammen kunnen zelfs groeien bij koeltemperaturen, wat ze gevaarlijk maakt in gekoelde producten. 
  • pH-bereik: Ongeveer 4,3 tot 9,3, met een optimum rond 6–7. 
  • Aw-waarde: Groeit vanaf een minimale aw van 0,91, maar overleving in droge producten via sporen is uitstekend. 
  • Zoutgehalte: groeit tot een zoutgehalte van maximaal 10% 
  • Zuurstofgehalte: B. cereus is facultatief anaeroob – groeit zowel mét als zonder zuurstof. 

Zoals eerder vermeld vormt B. cereus sporen die zeer resistent zijn tegen hitte, uitdroging en chemische reiniging – deze kunnen overleven tijdens pasteurisatie en droging. 

Bacillus cereus komt van nature voor in bodem, stof, plantaardig materiaal en water, en is daardoor wijdverspreid in de omgeving. De bacterie kan in productielocaties terechtkomen via grondstoffen zoals granen, rijst, melk en groenten. Omdat B. cereus sporen vormt, kan het overleven op oppervlakken, in stofdeeltjes en in droge producten zoals poeders of kruiden. Slechte hygiëne, onvoldoende reiniging van apparatuur of het gebruik van besmette grondstoffen vergroot het risico op verspreiding. B.cereus haalt z’n voedingsstoffen uit eiwitten en suikers, maar voornamelijk uit zetmeel. De bacterie kan namelijk efficiënt zetmeel omzetten tot voedingsstoffen om daarna toxines te produceren. Daarom kan B. cereus veelvoudig voorkomen in producten als:

  • Aardappelen, rijst, pasta en granen 
  • Melk en roomproducten (zowel rauw als in poedervorm) 
  • Desserts/ Patisserie
  • Kruiden en specerijen 
  • Bereide maaltijden en maaltijdsalades met kruiden en zetmeelcomponent

Dit betekent dat er een aantal sectoren zijn die een grotere kans hebben om B. cereus tegen te komen tijdens hun productieproces: 

  • Zuivelindustrie (melk en desserts) 
  • Graanverwerkende industrie (bron van zetmeel) 
  • Kruiden en specerijen industrie 
  • Bereide maaltijden

Naast verschillende sectoren in het productieproces, is er ook een grote kans om B. cereus aan te treffen in grootkeukens of cateringbedrijven. Denk hierbij aan restaurants, kantines, en andere bedrijven waar eten wordt klaargemaakt. Doordat producten hier worden bewaard (niet altijd even goed gekoeld), voorgekookt en opgewarmd is er een kans dat er toxinevorming heeft plaatsgevonden.  

E. Coli (STEC)

Escherichia coli (STEC), oftewel Shiga-toxine producerende Escherichia coli, is een bacterie die in het darmstelsel van mensen en dieren leeft, maar ook in de omgeving kan overleven. Het is vooral bekend vanwege het veroorzaken van ernstige voedselvergiftiging, met symptomen variërend van diarree tot nierfalen (HUS – hemolytisch-uremisch syndroom). Het gevaar zit voornamelijk in de productie van Shiga-toxines, die schadelijk zijn voor de darmen en nieren. 

De groeiomstandigheden voor STEC zijn als volgt:  

  • Temperatuurbereik: Groeit tussen 2,5 °C en 50 °C met een optimum van 37 °C 
  • pH-bereik: Groeit tussen een pH van 4,2 en 9,5 met een optimum van 6,8 
  • Awwaarde: Groeit vanaf een minimale Aw waarde van 0,935. 
  • Zuurstofgehalte: STEC is facultatief anaeroob – groeit zowel met als zonder zuurstof aanwezigheid. 

Shiga-toxine producerende Escherichia coli (STEC) leeft van nature in de darmen van dieren, vooral runderen, waar het via ontlasting in de omgeving terechtkomt. Het komt op productielocaties via rauw vlees, groenten (via besmet water of mest), en onvoldoende verwerkte zuivel. De bacterie kan overleven op oppervlakken van machines, vloeren en verpakkingsmaterialen, vooral als deze niet goed gereinigd worden. STEC kan zich handhaven in zowel koelomstandigheden als warme omgevingen, wat het risico vergroot. Slechte hygiënepraktijken, zoals kruisbesmetting tussen rauw en bereid voedsel, zorgen ervoor dat STEC zich blijft verspreiden binnen de productielocatie. 

De voornaamste voedingsbronnen van STEC zijn producten die rijk zijn aan eiwitten, vetten en suikers. Voorbeelden hiervan zijn: 

  • Rauw vlees (voornamelijk rundvlees) 
  • Zuivelproducten (voornamelijk rauwe melkproducten) 
  • Groenten (ook voornamelijk rauwe producten) 
  • Vruchtensappen (ongepasteuriseerd) 

Daarom zijn relevante sectoren waarin STEC een vergrote kans van voorkomen heeft ook sectoren waarin deze producten geproduceerd worden. Denk daarbij aan: 

  • Vleesverwerkers die rauwe rundvlees producten maken 
  • Zuivelverwerkers die rauwe melkproducten maken 
  • Groenteverwerkers die onbewerkte producten produceren waarbij de groenten bijvoorbeeld besmet kunnen worden met vervuild water. 
  • Vruchtensappen producenten waar bij het product niet gepasteuriseerd wordt. 

Campylobacter spp. 

Campylobacter spp.(vooral Campylobacter jejuni en Campylobacter coli) zijn bacteriën die wereldwijd verantwoordelijk zijn voor een van de meest voorkomende voedselinfecties bij mensen: campylobacteriose. Een kleine hoeveelheid bacteriën is al voldoende op iemand ziek te kunnen maken. Deze bacteriën kunnen ernstige maag-darmklachten veroorzaken, zoals diarree, buikpijn, koorts en in sommige gevallen ernstige complicaties zoals Guillain-Barré-syndroom. 

De groeiomstandigheden voor campylobacter zijn als volgt: 

  • Temperatuurbereik: Groeit tussen 32°C en 45°C, met een optimum rond 41–42°C. Campylobacter is een thermofiele bacterie en groeit het beste rond de lichaamstemperatuur van pluimvee. Ook kan de bacterie niet groeien buiten het lichaam van dieren. 
  • pH-bereik: Ongeveer 4,9 tot 9,0 
  • Aw-waarde: Groeit vanaf een minimale Aw van 0,99 en is gevoelig voor uitdroging. 
  • Zoutgehalte: groeit vanaf een zoutgehalte van 2-4,5% 
  • Zuurstofgehalte: Campylobacter is micro-aërofiel, wat betekent dat het groeit bij lage zuurstofgehaltes. Het optimum ligt tussen de 6-10% O2 met 2-10% CO2 

Campylobacter komt voor in het maagdarmkanaal van warmbloedige dieren voornamelijk bij pluimvee, maar ook anderen dieren kunnen drager zijn. Op productielocaties komt de bacterie vaak voor in pluimveeslachterijen op de snijmachines, vloeroppervlakken, werkbanken en leidingen. De bacterie kan zich ook gemakkelijk verplaatsen via kruisbesmetting, zowel op de productielocatie als uiteindelijk in de keuken van de consument.  

Vergeleken met andere omgevingspathogenen heeft campylobacter een specifiekere voorkeur voor voedingstoffen. De voorkeur gaat namelijk uit naar aminozuren als energiebron en dan specifiek de aminozuren asparagine, serine en glutamine. Campylobacter gebruikt ten opzichte van andere pathogenen geen suikers als voedingsbron waardoor het goed groeit op eiwitrijke producten zoals vlees en melk. 

Campylobacter is een omgevingspathogeen wat kan voorkomen in dierlijke producten. Daarom zijn de meest relevante sectoren die rekening moeten houden met het omgevingspathogeen zijn daarom als volgt: 

  • Pluimveeverwerking 
  • Dit is veruit de belangrijkste sector. Pluimvee is de natuurlijke drager van campylobacter en in deze omstandigheden groeit het pathogeen het best. 
  • Vleesverwerking van andere diersoorten 
  • Melk en zuivelverwerkers 

Staphylococcus Aureus 

Staphylococcus aureus (S. aureus) is een veelvoorkomende bacterie die leeft op de huid en slijmvliezen van mensen en dieren. Deze bacterie kan voedselinfecties veroorzaken via toxinevorming, en wordt gezien als een typisch omgevingspathogeen door zijn vermogen om lange tijd te overleven op oppervlakken en zich via personeel of luchtdeeltjes te verspreiden. 

De groeiomstandigheden van S. aureus zijn als volgt: 

  • Temperatuurbereik: Groeit tussen 7°C en 48°C, met een optimum rond 35°C. Toxines kunnen worden geproduceerd tussen de 10°C en 48°C. 
  • pH-bereik: Ongeveer 4,5 tot 9,3 met een optimum groei bij 6,8 
  • Aw-waarde: Groeit vanaf een minimale Aw van 0,83-0,86 en gedijt daarom goed bij droge omgevingen.  
  • Zoutgehalte: S. aureus is halotolerant waardoor het groeit in omgevingen tot een zoutgehalte van 15%. 
  • Zuurstofgehalte: S. aureus is een facultatief anaerobe bacterie – groeit zowel met als zonder zuurstof.

S. aureus is een omgevingspathogeen dat niet veel voorkomt in producten zelf maar vooral van nature voorkomt op de huid, neus en keel van mensen en dieren. Binnen productielocaties kan het voorkomen via personeel zelf (vooral met slechte hygiëne), contactoppervlakken zoals snijplanken en werkbanken, en kan zich hechten aan ruwe oppervlakten via de vorming van biofilm.

De voedingstoffen die S. aureus gebruikt om te kunnen groeien bevinden zich vooral in eiwit- en koolhydraatrijke producten zoals: 

  • Vleesproducten  
  • Zuivelproducten 
  • Eiproducten 
  • Banketbakkerswaren 
  • Visproducten 

S.aureus is vooral besmettelijk via slechte bereidingstechnieken in de keuken en grootkeukens, waarbij nabesmetting het grootste risico betreft. Ook wordt S. aureus vooral een probleem wanneer producten niet goed gekoeld bewaard blijven. In die gevallen zijn de volgende sectoren extra gevoelig voor S. aureus: 

  • Zuivelindustrie 
  • Vlees-en vleeswarenindustrie 
  • Banket-en bakkerijsector 
  • Horeca, catering en grootkeukens 
  • Visverwerkende industrie 

Klimaatverandering en effect op voedselzekerheid

Met een groeiende wereldbevolking is er meer aandacht voor de vraag of we in de toekomst nog genoeg voedzaam en veilig voedsel ter beschikking zullen hebben. Wetenschappelijk Comité van het Spaanse Agentschap voor Voedselveiligheid en Voeding (AESAN) heeft recentelijk een verslag uitgebracht over de relatie tussen klimaatverandering en voedselzekerheid en de gevolgen daarvan voor de bevolking. Onderstaand artikel vat samen wat de resultaten zijn uit dat verslag. 

Wat is voedselzekerheid? 

Voedselzekerheid betekent dat mensen genoeg, voedzaam en veilig voedsel hebben. Dit hangt af van hoe beschikbaar en betaalbaar voedsel is. De Verenigde Naties zeggen dat voedselzekerheid betekent dat iedereen op elk moment toegang heeft tot voldoende voedsel voor een gezond leven. Dit is anders dan voedselveiligheid, dat gaat over het voorkomen van schadelijke stoffen in voedsel. De One Health-aanpak wordt steeds meer gezien als een manier om voedselzekerheid te waarborgen, vooral door de gevolgen van klimaatverandering. Dit beleid richt zich op duurzame veehouderij en milieubeheer, zowel lokaal als wereldwijd. Tijdens de klimaattop COP28 in Dubai (december 2023) werd het beëindigen van honger en het aanpakken van voedselrisico’s door klimaatverandering als een belangrijk doel gesteld. Dit vraagt om oplossingen zoals duurzaam landgebruik en sterke voedselsystemen. 

Klimaatverandering, veroorzaakt door menselijke activiteiten, leidt tot hogere temperaturen, minder neerslag en extremere weersomstandigheden, wat een grote bedreiging vormt voor voedselzekerheid. Als de temperatuur wereldwijd met meer dan 2°C stijgt, kan dit leiden tot ernstige voedselonzekerheid, vooral in gebieden die afhankelijk zijn van landbouw. Ook bedreigt klimaatverandering de biodiversiteit, met een kwart van de onderzochte soorten die met uitsterven worden bedreigd, wat de voedselzekerheid verder onder druk zet. Het Wetenschappelijk Comité van de Spaanse Voedselveiligheidsautoriteit (AESAN) onderzoekt de impact van klimaatverandering op voedselzekerheid en biodiversiteit. 

Huidige situatie 

Voedsel is een basisbehoefte en een tekort aan voedsel leidt tot ondervoeding. Door de COVID-19-pandemie steeg het aantal ondervoede mensen wereldwijd van 8,4% in 2019 naar 9,9% in 2020. De FAO (De Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties) schat dat de voedselproductie tegen 2050 met 60% moet toenemen om aan de groeiende vraag te voldoen, terwijl bijna 800 miljoen mensen nog steeds honger lijden. De belangrijkste risico’s van klimaatverandering voor voedselzekerheid zijn onder andere het verlies van inkomen in plattelandsgebieden, de achteruitgang van mariene en terrestrische ecosystemen en de verslechtering van voedselsystemen. 

Verlies van middelen en ecosystemen

Verlies van bestaansmiddelen en inkomen in plattelandsgebieden 

Klimaatverandering vormt een bedreiging voor plattelandsgemeenschappen, maar biedt ook kansen voor aanpassingen. Veranderingen in temperatuur en neerslag beïnvloeden de landbouw en ook de verspreiding van plagen en ziekten speelt een rol. Dit heeft negatieve gevolgen voor de gezondheid van gewassen en dieren, wat leidt tot lagere opbrengsten en economische verliezen. 

Verlies van mariene en kust ecosystemen 

Klimaatverandering heeft grote gevolgen voor mariene ecosystemen, zoals de opwarming van de zee en verzuring, wat de biodiversiteit bedreigt. Dit heeft directe gevolgen voor de visserij, een belangrijke bron van voedsel en inkomen. In Spanje veranderen de gebieden waar vis gevangen wordt door het noordwaarts trekken van vissoorten, wat de beschikbaarheid van zeeproducten beïnvloedt. 

Verlies van terrestrische ecosystemen en binnenwateren 

Land- en zoetwaterecosystemen zijn kwetsbaar voor klimaatverandering, wat leidt tot een versnelde uitsterving van soorten. Dit heeft grote gevolgen voor de biodiversiteit en voedselproductie. De verschuiving van landbouwgebieden en veranderingen in groeiseizoenen beïnvloeden de opbrengsten van gewassen.

De effecten van de verslechtering van voedselsystemen 

Klimaatverandering verstoort de voedselvoorziening en kan leiden tot hogere prijzen en instabiliteit in het voedselsysteem. Dit kan ervoor zorgen dat mensen meer ongezonde voedingsmiddelen gaan eten, wat ondervoeding en obesitas kan verergeren. Er is dringend behoefte aan een herstructurering van het voedselsysteem en aanpassing van consumptiepatronen. Lees in dit artikel verder over hoe mycotoxinen in ons voedsel toenemen door klimaatverandering.  

Vermindering van de impact van klimaatverandering op voedselzekerheid 

Aanpassing aan klimaatverandering vereist dat mensen hun inkomsten diversifiëren en duurzame landbouwmethoden toepassen. Gemeenschappen moeten zich voorbereiden op natuurrampen en de schaarste aan natuurlijke hulpbronnen aanpakken. Duurzaam beheer van deze hulpbronnen is cruciaal om de biodiversiteit te behouden en de gevolgen van klimaatverandering te verminderen. 

Conclusies van het Wetenschappelijk Comité 

Klimaatverandering heeft een grote impact op de toegang tot gezond en veilig voedsel over de hele wereld. De belangrijkste risico’s zijn het verlies van biodiversiteit, de achteruitgang van mariene en kustecosystemen en de verslechtering van land- en zoetwaterecosystemen. Dit zorgt ervoor dat planten en dieren zich anders gaan verspreiden en hun levenscycli veranderen, wat de kwaliteit van de bodem en de biodiversiteit aantast. Dit leidt ook tot lagere gewasopbrengsten en voedingswaarde van voedsel. Daarnaast neemt het risico op plagen en verliezen na de oogst toe en hogere temperaturen hebben een negatieve invloed op de gezondheid van dieren. 

De voedingsstatus van mensen wordt bedreigd door minder beschikbaarheid van voedsel, beperkte toegang tot voedsel en instabiliteit in het voedselsysteem. Het is belangrijk om de risico’s en kwetsbaarheden goed te begrijpen, zodat we effectieve aanpassingsstrategieën kunnen ontwikkelen. Om voedselzekerheid te waarborgen, is het nodig om over te stappen naar sterkere en duurzamere landbouw- en voedselsystemen. Dit vraagt om een geïntegreerde aanpak die sociale bescherming, duurzame praktijken en risicobeheer omvat.