Campylobacter jejuni is een veelvoorkomende veroorzaker van voedselgerelateerde infecties wereldwijd. Binnen Europa is campylobacteriose zelfs de meest gemelde voedselinfectie. De bacterie komt voor in het maagdarmkanaal van veel warmbloedige dieren, met name pluimvee, en kan via besmetting in de voedselketen terechtkomen. Levensmiddelenproducerende bedrijven dragen een belangrijke verantwoordelijkheid in het beheersen van deze microbiologische gevaren. Dit artikel behandelt de kenmerken van de bacterie, de gevolgen voor de volksgezondheid, de betrokken levensmiddelen, beheersmaatregelen en de van toepassing zijnde wetgeving.
Campylobacteriose is een darminfectie die optreedt na consumptie van met Campylobacter besmet voedsel of water. De incubatietijd bedraagt meestal 1 tot 5 dagen. De ziekte begint vaak acuut met symptomen zoals:
De symptomen duren gemiddeld 3 tot 10 dagen. De meeste patiënten herstellen zonder specifieke behandeling. Bij ernstige of langdurige infecties kunnen antibiotica noodzakelijk zijn. In zeldzame gevallen kunnen complicaties optreden, zoals reactieve artritis, sepsis of het Guillain-Barré-syndroom, een neurologische aandoening die verlamming kan veroorzaken.
Campylobacter jejuni wordt aangetroffen in een breed scala aan levensmiddelen, met pluimveevlees als de belangrijkste bron van infectie. De bacterie is bestand tegen lage temperaturen en zuurstofarme omgevingen, waardoor ze kan overleven in gekoelde of vacuümverpakte producten. Belangrijke risicoproducten zijn:
De bacterie kan zich ook verspreiden via contact met dieren of via voedselbereiding in onhygiënische omstandigheden. Zelfs gezonde dieren kunnen Campylobacter bij zich dragen zonder symptomen te vertonen.
Het beheersen van Campylobacter jejuni in de voedselketen vereist een geïntegreerde aanpak, waarbij maatregelen genomen worden van bij de primaire productie tot en met de eindconsument.
Op het landbouwbedrijf ligt de nadruk op het verbeteren van de bioveiligheid. Dit betekent onder meer het weren van wilde dieren uit pluimveestallen, het beperken van bezoekers en het hanteren van strikte hygiëneprotocollen. Ook het behandelen van drinkwater om microbiologische verontreiniging te voorkomen is essentieel. Studies tonen aan dat gesloten huisvestingssystemen, gecombineerd met een goede stalhygiëne, de besmettingsgraad aanzienlijk kunnen verminderen.
Tijdens het transport en de slacht kunnen eveneens kritieke besmettingsmomenten ontstaan. Het is daarom van belang dat transportkooien na elk gebruik grondig worden gereinigd en ontsmet. Stressreductie bij dieren tijdens het vervoer is ook belangrijk, aangezien stress de uitscheiding van Campylobacter kan verhogen. In het slachthuis moeten karkassen zorgvuldig worden verwerkt om kruisbesmetting via apparatuur, personeel of andere karkassen te vermijden. Speciale aandacht gaat hierbij uit naar het evisceratieproces, waarbij beschadiging van het darmkanaal risico’s met zich meebrengt.
Binnen de verwerkende industrie spelen hygiëne en fysieke scheiding een centrale rol. Werkstations, snijmessen, machines en handen van medewerkers moeten regelmatig worden gereinigd en ontsmet. Idealiter worden rauwe en bereide producten in gescheiden ruimtes verwerkt, of op zijn minst op gescheiden tijdstippen met adequate tussentijdse reiniging. Microbiologische monitoring van producten en oppervlakken is hierbij een belangrijke controlemaatregel, zodat mogelijke besmettingen tijdig worden opgespoord.
Tijdens bereiding en consumptie, of dat nu in de horeca of in huishoudens is, speelt verhitting een cruciale rol. Campylobacter wordt geïnactiveerd bij verhitting boven de 70 °C, mits de temperatuur ook in de kern van het product wordt bereikt. Het is van groot belang dat consumenten en koks geen rauw kippenvlees combineren met rauwe groenten zonder tussentijdse reiniging van handen, messen en snijplanken. Kruisbesmetting blijft namelijk een van de grootste risico’s in keukens. Ook correcte bewaring, zoals onmiddellijke koeling na aankoop en ontdooien in de koelkast in plaats van op kamertemperatuur, draagt bij aan risicobeheersing.
De implementatie van voedselveiligheidsbeheersystemen zoals HACCP stelt bedrijven in staat om kritische controlepunten te identificeren in het productieproces en hiervoor beheersmaatregelen te definiëren en te bewaken. Training van personeel in het correct toepassen van deze systemen is noodzakelijk om een hoge mate van voedselveiligheid te garanderen.
De beheersing van Campylobacter jejuni in levensmiddelen is binnen de Europese Unie onderworpen aan specifieke regelgeving. De belangrijkste juridische basis hiervoor is Verordening (EG) nr. 2073/2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen. Deze verordening werd aangevuld met Verordening (EU) 2017/1495, waarin specifieke criteria zijn vastgesteld voor Campylobacter in karkassen van vleeskuikens. Hierin staat onder meer dat er een grenswaarde geldt van 1.000 cfu/g voor Campylobacter op karkassen bij het slachthuis. Producenten moeten steekproefsgewijs 50 monsters per slachtlijn per week nemen, en aan een toegestane maximale afwijking (c-waarde) voldoen. Deze c-waarde is progressief verlaagd: van 20 in 2018 naar 10 vanaf 2025, met als doel de voedselveiligheid verder te verbeteren.
Wanneer het aantal positieve monsters boven de toegestane grens ligt, moeten slachthuizen corrigerende maatregelen nemen. Dit kan variëren van verbeterde hygiënemaatregelen, herziening van het slachtproces tot aanvullende training van personeel. De methode voor het aantonen van Campylobacter is vastgelegd in de norm NEN-EN ISO 10272-2 (detectie en telling in levensmiddelen).
Op nationaal niveau hebben zowel Nederland als België deze Europese regelgeving geïntegreerd in hun voedselveiligheidsbeleid:
Daarnaast treedt vanaf 23 augustus 2026 een nieuwe EU-verordening in werking: Verordening (EU) 2025/179. Deze verplicht Whole Genome Sequencing (WGS) van geïsoleerde stammen van onder meer Campylobacter jejuni tijdens officiële controles in geval van voedselgerelateerde uitbraken. Lidstaten moeten deze gegevens uploaden naar het centrale EFSA-platform voor risicoanalyse en monitoring in het kader van het One Health-principe. Deze maatregel zal de tracering en bronopsporing van Campylobacter-uitbraken in de EU aanzienlijk verbeteren.
In de voedingsindustrie worden er diversen soorten smeermiddelen gebruikt. Soms worden deze meegenomen door de externe contractor maar vaak zijn ze in voorraad bij het bedrijf zelf. Voor het gebruik hiervan zijn afspraken gemaakt. Echter, gebeurt dit altijd voedselveilig? Smeermiddelen verminderen wrijving tussen bewegende onderdelen, voorkomen slijtage en beschermen tegen corrosie. Zonder goede smering zouden machines of onderdelen snel defect raken.
Reguliere smeermiddelen zijn vaak gebaseerd op minerale oliën en bevatten additieven die schadelijk zijn voor de gezondheid. Als er sprake is van lekkage, verneveling of morsen, kunnen deze stoffen het voedsel direct of indirect besmetten. Dit kan leiden tot:
Een voedselveilig smeermiddel herken je doordat er NSF op de verpakking is gedrukt. Het registratieprogramma van NSF is een onafhankelijk, extern toetsingsprogramma voor nonfood compounds en gepatenteerde stoffen voor gebruik in de voedselverwerkende sector.
Je gaat er hiermee vanuit dat als het NSF logo op de verpakking staat het gebruikt mag worden in de productie omgeving van voedingsmiddelen. Echter is het logo geen garantie dat het product ook werkelijk voedselveilig is en er tijdens consumptie van het eindproduct geen risico is voor de volksgezondheid. De National Sanitation Foundation (NSF) hanteert de volgende categorieën:
ISO 21469 is een internationale standaard die specifiek is ontwikkeld voor smeermiddelen die gebruikt worden in toepassingen met mogelijk contact met levensmiddelen, cosmetica, farmaceutische producten of diervoeder. Deze norm gaat verder dan alleen de samenstelling van het smeermiddel (zoals bij NSF H1-certificering) en stelt ook eisen aan het productieproces, de hygiëne en de documentatie van de fabrikant. Goed te weten of, naast de NSF vermelding, de fabrikant hiertegen gecertificeerd is.
Smeermiddelen zijn onmisbaar in de voedingsmiddelenindustrie, maar brengen ook risico’s met zich mee als ze niet voedselveilig zijn. Door te kiezen voor gecertificeerde food grade smeermiddelen en een goed beheersysteem, kunnen bedrijven voedselveiligheid garanderen én voldoen aan wet- en regelgeving. Zo blijft niet alleen het productieproces soepel draaien, maar ook het vertrouwen van de consument behouden.
Verordening (EU) 2021/1165 bevat informatie met toegestane stoffen en producten voor gebruik in de biologische productie. Deze lijsten worden periodiek herzien. De meest recente aanpassingen zijn doorgevoerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2025/973. Controleer of jouw producten nog voldoen aan de actuele wettelijke vereisten en ontdek mogelijkheden door nieuwe toelatingen.
Lees hieronder de belangrijkste wijzigingen van Verordening (EU) 2021/1165 .
Bijlage I bevat de toegestane werkzame stoffen voor gebruik in gewasbeschermingsmiddelen. Enkele stoffen, zoals lavandulylsenecioaat, kaliumwaterstofcarbonaat en kwartszand, zijn na herbeoordeling toegevoegd of geclassificeerd als stoffen met een laag risico. Let op: voor sommige stoffen gelden specifieke voorwaarden en beperkingen, zoals vermeld in de tabel.
In bijlage II zijn meststoffen, bodemverbeteraars en nutriënten opgenomen die onder bepaalde voorwaarden zijn toegestaan, zoals koolstofdioxide, calciumacetaat en matten van plantaardige vezels. Voor het gebruik van koolstofdioxide gelden bijvoorbeeld eisen met betrekking tot de herkomst, en er zijn specifieke voorwaarden voor het verrijken van water bij de productie van algen.
Ook is aanvullende informatie en een verwijzing naar Verordening (EU) 2018/848 toegevoegd over het gebruik van steenmeel, zand van natuurlijke oorsprong, klei en kleimineralen, met inbegrip van hun toepassing bij de productie van kiemzaden.
In de tabel van bijlage IV, betreffende toegestane levensmiddelenadditieven en technische hulpstoffen, is nu een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de voorwaarden en beperkingen voor gebruik als additief enerzijds en als technische hulpstof anderzijds.
Additief E267 (gebufferd azijn) is opgenomen in bijlage V, waarmee het nu officieel is toegestaan als additief in biologische producten. Voorheen kon gebufferd azijn niet meer als ingrediënt worden gebruikt vanwege de classificatie als E-nummer, terwijl het ook nog niet op de lijst van toegestane additieven stond. Deze toevoeging biedt nu de benodigde duidelijkheid en toelating voor gebruik.
Ook gistingsactivatoren zijn toegevoegd aan bijlage V waardoor het weer is toegestaan om gangbare nutriënten uit gistextract of autolysaat tot 5% (drogestof) toe te voegen. Zonder deze wijziging was de productie van biologische gist vanaf 1 januari 2025 niet meer mogelijk geweest.
Ook op het gebied van toegestane producten en stoffen voor gebruik in of bij de productie van diervoeders zijn diverse wijzigingen doorgevoerd, zie bijlage III Verordening (EU) 2021/1165 .
Zo wordt calciumchloride, propyleenglycol en ijzerdextraan 10% toegelaten als diervoeder met bijzonder voedingsdoel. De voorwaarden en beperkingen worden verduidelijkt met verwijzing naar de definities in Verordening (EU) 767/2009 en Verordening (EU) 2020/354. Ook zijn er wijzigingen vermeld m.b.t. eencellige eiwitten, eiwitrijke producten, identificatie functionele groep voor E-nummers en andere toegestane stoffen. Het is raadzaam om de actuele regelgeving zorgvuldig te controleren.
Uitzonderingen op het gebruik van producten en stoffen van oorsprong uit derde landen en ultraperifere gebieden van de EU, bedoeld voor verhandeling binnen de Unie, zijn opgenomen in bijlage VI.
Indien een lidstaat van mening is dat een product of stof vanwege specifieke omstandigheden moet worden toegelaten voor gebruik in een ultraperifeer gebied, kan hiervoor via een dossier een aanvraag worden ingediend.
Recent zijn twee stoffen voor derde landen toegevoegd: het gebruik van micro-organismen, waaronder virussen, als biologische bestrijdingsmiddelen (onder voorwaarden met betrekking tot GGO’s) en ethyleen voor bloei-inductie bij ananas.
Vanaf 1 maart 2025 neemt Skal Biocontrole de controletaken op biologische importzendingen over van de Douane om in lijn te brengen van de wet- en regelgeving van de Europese Unie. Daarmee verandert ook de volgorde van het importproces: eerst viseert Skal het biologische certificaat (COI) in TRACES, en pas daarna mag na goedkeuring de importeur de douaneaangifte indienen.
Om vertragingen in het logistieke proces te voorkomen is het essentieel om de aangepaste werkwijze toe te passen in de interne procedures. Hoewel de totale doorlooptijd van het importproces naar verwachting gelijk blijft – mits correct uitgevoerd – zal de doorlooptijd per stap veranderen.
Een correcte, volledige (dus ook alle bijlages zoals definitief vervoersdocument, paklijst en factuur) en tijdige indiening van het COI in TRACES is cruciaal. Let op: na visering van het COI door Skal kunnen geen wijzigingen aangebracht worden.
Bij samenloopzendingen wordt een zending zowel op biologische status (via COI door Skal) als op voedselveiligheid of dier-/plantgezondheid (via CHED door NVWA) gecontroleerd. Sinds juli 2025 zijn COI en CHED volledig technisch gekoppeld.
Let op bij biologische veterinaire zendingen: de NVWA geeft het inspectierapport en de CHED pas vrij nadat Skal het COI heeft geviseerd.
Het indienen van nieuwe productregistraties is niet langer verplicht. Waar dit eerder wel gold voor receptuureigenaren, importeurs en handelaren onder eigen naam, wordt de productsamenstelling nu beoordeeld tijdens inspecties.
Productregistraties mogen alsnog worden ingediend. Na goedkeuring wordt het product vermeld op het biologische certificaat.
Vanaf eind maart 2025 publiceert Skal op haar website de geregistreerde verkooppunten en webshops. Zij vallen onder het toezicht van Skal registratieplicht, maar zijn uitgezonderd van de certificatieplicht. Dit vergroot de transparantie en stelt kleinschalige bio ondernemers in staat aan te tonen dat zij geregistreerd zijn en voldoen aan de biologische regelgeving.
Skal heeft een nieuwe meldrichtlijn opgesteld voor situaties waarin twijfel bestaat over het naleven van de biologische regelgeving. De richtlijn verwijst expliciet naar artikelen 27 en 28 van Verordening (EU) 2018/848 , waarin is vastgelegd dat bedrijven verplicht zijn actie te ondernemen zodra er twijfel bestaat over de biologische status van een product.
De meldrichtlijn bevat duidelijke instructies over wanneer en hoe een melding moet worden gedaan bij Skal. Een belangrijk onderdeel van de richtlijn is de toegevoegde beslisboom, die bedrijven helpt om te bepalen welke acties vereist zijn, afhankelijk van de aard van de twijfel; fraude, incorrecte documenten / labels / uitvoering processen of positieve analyse van niet toegestane stoffen / GGO. In bepaalde gevallen is ook eigen onderzoek nodig. Hiervoor kunnen de richtlijnen uit de bijlage worden gebruikt, om op gestructureerde wijze de juiste vragen te onderzoeken.
Let op: elke positieve analyse op verboden stoffen moet gemeld worden, ook als er sprake is van twijfel of lage residuwaarden.
Het toezichtmodel is per 2025 verfijnd op basis van een risicoprofiel met onder meer:
Zowel bedrijven als controleorganisaties in derde landen, zoals vastgelegd in bijlage II van Verordening (EU) 2021/1378, moeten volledig voldoen aan de EU-regels voor biologische productie. Ze kunnen zich niet langer beroepen op het principe van equivalentie, waarbij biologische regels werden aangepast aan lokale omstandigheden maar wel als gelijkwaardig werden gezien.
Concreet betekent dit dat:
Skal hanteert een jaarlijkse lijst van hoog-risicoproducten voor bemonstering en laboratoriumonderzoek bij import. Deze producten zijn geselecteerd op basis van risicoanalyses van Skal en de Europese Commissie. Raadpleeg de goederennomenclatuur om te bepalen of jouw product onder deze lijst valt.
De Europese Commissie heeft zeer ambitieuze doelen vastgelegd in het actieplan European Organic Action Plan 2021 – 2027. Het doel is in 2030 tenminste 25% van de Europese landbouwgrond te gebruiken voor biologische landbouw. Ook biologische aquacultuur wordt gestimuleerd.
De EU-landen zullen in nationale plannen hun bijdrage aan deze plannen moeten gaan vastleggen. Veelal zijn reacties op het plan positief, omdat zowel vraag als aanbod van biologische producten wordt gestimuleerd. Echter eén van de obstakels voor het bereiken van de doelen kan zijn het prijsverschil tussen biologische en gangbare producten.
Het actieplan is gebaseerd op 3 pijlers:
Onderdelen van het plan zijn: het delen van ‘best practises’, het vergroten van de biodiversiteit en opbrengsten, het verbeteren van kennis over bio pesticiden en de in 2022 verwachte wetgeving over bio pesticiden.
Ook de biologische aquacultuur krijgt aandacht in het actieplan. Doelstellingen ten aanzien van de uitbreiding van biologische aquacultuur kunnen lidstaten opnemen in hun herziening van het meerjarige Nationaal Strategische Plan Aquacultuur. Het toekomstig Europees Maritiem Visserij en Aquacultuur Fonds (EMVAF) levert een bijdrage en moet worden gebruikt om duurzame aquacultuurpraktijken zoals biologische productie te stimuleren.
Ook biedt het kansen voor initiatieven voor het ontwikkelen en implementeren van meer duurzaamheid, kostprijsverlaging en kwaliteitsverbetering.
Het aandeel biologische productie en consumptie verschilt aanzienlijk tussen de lidstaten. Elke EU-lidstaat moet op basis van dit actieplan gaan aangeven hoe zij van plan zijn bij te dragen aan de EU-doelstellingen. Rekening houdend met de uitgangssituatie, omvat een dergelijk plan welk deel van het landbouwgebied biologisch gaat zijn in 2030 en hoe dit gerealiseerd gaat worden. De Europese Commissie gaat toezien op de voortgang van deze nationale plannen.
De gehele biologische keten moet gecertificeerd zijn om het toezicht op en de betrouwbaarheid van het biologisch keurmerk te kunnen borgen. Het streven van de Europese Unie naar meer biologische productie vraagt om meer verkoop(punten) voor biologische producten.
Het vergemakkelijken van certificering voor supermarktketens moet gaan bijdragen aan meer verkooppunten voor onverpakte biologische producten. Voor de verkoop van verpakte biologische levensmiddelen geldt geen certificeringseis.
Dat de gehele keten tot en met de verkooppunten gecertificeerd moet zijn in geval van onverpakte biologische producten, is een eis uit de Europese verordening (EU) 2018/848 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten.
Voor verpakte biologische producten geldt deze eis niet voor de verkooppunten. Bovendien zijn kleine verkooppunten en speciaalzaken uitgezonderd. Zij moeten zich wel melden bij SKAL Biocontrole en aangeven of zij voldoen aan voorwaarden ten aanzien van de omgezette hoeveelheid of de jaaromzet of het perchttps://www.skal.nl/entage van de omzet besteed aan potentiële certificering. SKAL zal bij kleine verkooppunten wel steekproefsgewijs controles houden, maar certificering is niet noodzakelijk. Horeca en catering vallen ook niet onder de certificeringsplicht.
Doel van de certificering is de betrouwbaarheid van het biologische keurmerk te borgen. Biologische certificering is ook noodzakelijk voor bijvoorbeeld verkooppunten waar biologische producten worden bewerkt vóór verkoop, zoals het afbakken en/of snijden van brood.
Op dit moment zijn relatief weinig supermarktwinkels en -ketens al gecertificeerd of bezig met plannen in die richting., met name uit kostenoverwegingen. Dat zou betekenen dat zij alleen voorverpakte biologische producten kunnen verkopen. Dit is een knelpunt in relatie tot de Europese ‘van Boer-tot-Bord’ strategie’. Hierin is het streven naar 25% landbouwareaal voor biologische producten in 2030 opgenomen. Dan is het juist noodzakelijk dat het aanbod van biologische landbouwproducten in de winkels vergroot, ook voor onverpakte producten. Bovendien sluit het verkopen van onverpakt product aan bij het streven naar 20% reductie van verpakkingsafval in 2025 zoals vastgelegd in het Plastic Pact NL en het Brancheplan Duurzaam verpakken 2019-2022.
Om supermarkten en -ketens te stimuleren zich te laten certificeren, zodat ze ook onverpakte biologische producten kunnen blijven verkopen, heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een Addendum ondertekend zodat certificatie vergemakkelijkt wordt voor supermarktketens. Hierin is opgenomen dat individuele winkels de certificeringverantwoordelijkheid centraal bij het hoofdkantoor of distributiecentrum kunnen leggen. Jaarlijks wordt dan 30 % van de individuele winkels gecontroleerd door Skal (in plaats van nu 100 %).
Bij audits voor biologische producten kan een nieuw type non-conformiteit vastgesteld worden: een opmerking. Dit betekent dat er nu 4 soorten non-conformiteiten zijn. Met de wijziging wordt gehoor gegeven aan een advies van de adviesraad van Skal. De nieuwe indeling van non-conformiteiten is per 1 januari 2021 ingevoerd.
SKAL heeft nu 4 categorieën van non-conformiteiten (NC’s) gedefinieerd:
Bedrijven moeten elke NC zo snel mogelijk aantoonbaar corrigeren, uiterlijk binnen de door SKAL gestelde herstelperiode. Bij een opmerking is in het reglement geen afhandelingstermijn voorgeschreven. Een lichte NC moet uiterlijk binnen 12 maanden worden hersteld. Een ernstige NC moet uiterlijk binnen de gestelde termijn van maximaal 3 maanden structureel zijn hersteld. Een kritieke NC kent geen herstelperiode, het betrokken bedrijf moet per direct haar werkwijze aanpassen.
SKAL kan een kortere periode opleggen waarbinnen een NC gecorrigeerd moet zijn. In zeer specifieke gevallen kan de termijn worden verlengd.
Biologisch (en alle afgeleide termen) zijn beschermde termen voor landbouwproducten en voedingsmiddelen die voldoen aan Europese wettelijke eisen op het gebied van milieu, natuur en landschap, het welzijn van dieren en productiemethoden. Ieder bedrijf in de keten dat biologische producten wil produceren, verwerken, verpakken, importeren, verhandelen of opslaan dient hiervoor gecertificeerd te zijn.
Sinds 1 januari 2022 is Verordening (EU) Nr. 2018/848 van kracht. Deze bio-verordening is de opvolger van Verordening (EU) Nr. 834/2007. Met deze nieuwe verordening zijn er striktere regels gaan gelden voor producten van biologische landbouw. De belangrijkste kenmerken van deze nieuwe regels zijn:
Op de website van de toezichthouder in Nederland: SKAL Biocontrole staat uitgewerkt hoe de wetgeving in elkaar zit. In België kan voor meer info terecht bij de erkende certificeringsinstellingen voor Biologische productie: Certisys, Tüv Nord Integra, en Foodchain ID Certification.
De Europese verordening geeft lidstaten de keuze in de structuur van het controle regime.
Nederland heeft gekozen voor een eenduidige structuur: één controlerende autoriteit die verantwoordelijk is voor alle wettelijke controletaken binnen de biologische productie. Ieder bedrijf in de keten moet gecertificeerd worden door SKAL Biocontrole voordat producten als biologisch verkocht mogen worden:
Er zijn meer certificeringen mogelijk voor biologische productie, maar in Nederland is het SKAL biologisch certificaat verplicht.
Lees hier meer over de indeling van de non- conformiteiten en de afhandeling.
Lees hier over de ketenaanpak tot en met onverpakte producten: Biologisch tot en met de verkoper
In België zijn diverse certificerende instellingen erkend om biologische productie te auditeren: : Certisys, Tüv Nord Integra, en Foodchain ID Certification.
De Europese biologische- en de algemene etiketteringswetgeving stellen eisen aan zichtbare kenmerken die bijvoorbeeld staan op een etiket van een biologisch product of op het vervoersbewijs van een lading biologische producten.
Op het etiket moet bijvoorbeeld duidelijk zijn dat het gaat om een biologisch product. Er moet een duidelijke verwijzing zijn, waarmee aangegeven wordt dat het product biologisch is geproduceerd. In de praktijk zijn aanduidingen:
Op website van SKAL staat de bio-checker, deze helpt bij het correct vermelden van de verplichte kenmerken. Tijdens het checken, wordt zichtbaar welke kenmerken verplicht zijn met de bijbehorende onderbouwing.
De term biologisch is een beschermde term en mag alleen worden gebruikt voor gecontroleerde en gecertificeerde biologische voedingsmiddelen, diervoeding, planten en sierteelt. Deze producten kunnen herkenbaar zijn aan het biologische EU-keurmerk, ook wel het groene blaadje genoemd. Voor het gebruik van het logo zijn regels qua opmaak en gebruik. Deze staan in het portaal van Skal.
Naast het EU-biologo moet het codenummer van het controleorgaan worden vermeld, evenals de plaats waar de samenstellende agrarische grondstoffen zijn geteeld.
Producten met het Demeter en EKO-keurmerk voldoen aan dezelfde eisen als producten met het Europees biologische keurmerk en aan aanvullende normen.
Naast het Europese biologische keurmerk mogen nationale of regionale logo’s worden gebruikt. Het EKO-keurmerk kan dus op het etiket voorkomen naast dit Europese keurmerk, net als het Duitse Bio-Siegel of Naturland keurmerk, het Belgische Biogarantie of het Britse Soil Association keurmerk.
Bionext is de ketenorganisatie voor biologische landbouw en voeding.
Het Demeter keurmerk is een kwaliteitskeurmerk voor producten die afkomstig zijn uit de gecontroleerde biologisch dynamische landbouw, eventueel verwerkt door een gecertificeerde verwerker.
Door Stichting Demeter wordt een certificeringssyteem onderhouden gebaseerd op de wereldwijd geldende Demeter voorwaarden. De controles worden uitgevoerd door vakbekwame inspecteurs van erkende controle organisaties.
Alle producten met een Demeter keurmerk voldoen in ieder geval aan de normen voor Biologische Landbouw. Daar bovenop komen de eisen voor de biodynamische landbouw (normen en richtlijnen) en verwerking (normen).
In het handboek Demeter staan alle normen en richtlijnen van het Demeter keurmerk. Dit handboek wordt jaarlijks herzien. Op de Demeter site is een overzicht van alle informatie nodig voor een Demeter certificering.
Meer informatie over het Demeter Keurmerk is hier te vinden.
Voor het importeren van biologische producten, zijn aanvullende eisen. Biologische producten moeten namelijk actief onder toezicht worden geplaatst voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht.
Voor producten welke geïmporteerd worden buiten de EU geldt bijvoorbeeld:
Groeiende zorgen over klimaatimpact, dierenwelzijn en volksgezondheid zetten dierlijke eiwitten steeds meer onder druk. Tegelijkertijd stijgt de vraag naar alternatieve eiwitbronnen razendsnel, wat een innovatiegolf in de biotechnologie heeft gestimuleerd, waaronder gecultiveerde voedingsmiddelen zoals kweekvlees uit het lab als duurzaam en diervriendelijk alternatief.
Hoe productie in zijn werk gaat lees je in het onderstaande artikel. Wil je weten wat er reeds speelt in de praktijk lees dan verder in het artikel Kweekvlees: hoe ver staan we eigenlijk?
De kweekvleesbedrijven passen verschillende technieken toe. De benodigde tijdspanne om een stuk kweekvlees te produceren is erg afhankelijk van de gebruikte technieken en ook van de vleessoort. Over het algemeen duurt het zo’n twee tot acht weken van een cel tot eindproduct.
Het basistraject is steeds ongeveer hetzelfde. Elke productie van kweekvlees start met een biopt name van stamcellen bij een levend dier. Met de huidige technieken kan dit eenvoudig en pijnloos worden uitgevoerd. De cellen welke zich het beste kunnen delen en differentiëren (ontwikkelen tot verschillende typen cellen) worden geselecteerd.
De geselecteerde cellen worden in een bioreactor in een groeimedium geplaats. Het groeimedium bestaat uit dezelfde voedingsstoffen die cellen in een lichaam nodig hebben om te groeien. Het betreft aminozuren, suikers, vitamines, groeifactoren en andere voedingsstoffen. In sommige gevallen wordt foetaal runderserum (uit het bloed van ongeboren kalveren) gebruikt, echter wordt dit als ethisch onaanvaardbaar ervaren en gebeurt daardoor steeds minder.
Voor vlees zijn zowel vet- als spiercellen nodig. In de eerste fase (proliferatie) delen de stamcellen zich. Vervolgens wordt onder invloed van groeifactoren de groei tot de gewenste cel (spier- of vetcel) gestimuleerd.
De cellen kunnen dan weefsels gaan vormen. Hiervoor binden ze zich aan een soort steigers. Deze steigers kunnen eetbaar of niet-eetbaar zijn. Daarna is het een kwestie van het weefsel ‘oogsten’. De cellen worden gescheiden van het groeimedium en de eventueel niet-eetbare steigers. De celmassa kan als grondstof worden gebruikt in voedselverwerkingsprocessen met andere ingrediënten of direct uit de bioreactor worden geoogst en verpakt, zonder verdere verwerking.
Of kweekvlees duurzamer is dan gewoon vlees, daarover zijn de meningen nog verdeeld. Er bestaan nog veel bedrijfsgeheimen rond de impact van de kweek. Er zou o.a. veel energie, water en plastic aan te pas kunnen komen, wat de milieu impact sterk beïnvloed.
Wel kan het een grote invloed hebben op landgebruik, wat dan weer een sterk positief effect kan hebben op het milieu door besparing van bijvoorbeeld bosrijke gebieden.
De kosten zijn momenteel erg hoog. Er zijn honderden liters groeimedium nodig om een kilogram vlees te produceren en het (nu nog farmaceutische) groeimedium is erg prijzig.
Ook het opschalen van de cel productie is belangrijk om het proces kosten-efficiënt te kunnen maken. Zo zijn er grotere bioreactoren nodig waar het onontbeerlijk is dat er een steriele productie op grotere schaal plaats kan vinden. Samenwerking van verschillende bedrijven en overheden zal nodig zijn om de kosten omlaag te brengen.
Volgens de Chinese speler CELX zijn productiekosten zo’n $100 per 450 gram. Dit kan volgens hen 10 keer lager wanneer er commerciële productie plaats kan vinden. In Shanghai staat al een fabriek waar per jaar een paar ton geproduceerd kan worden.
Het traject van kweekvlees kent niet enkel een stijgende lijn. Er zijn voor- en tegenstanders te vinden en lanceringen houden niet steeds stand. Wel komen er steeds spelers bij en zijn er meerdere ontwikkelingstrajecten lopende welke zowel overheid gesteund als privaat kunnen zijn.
Eerste pionier zou zijn geweest de Nederlandse arts Willem van Eelen. Als huidig Nederlands voorvechter kennen we hoogleraar Mark Post. Ook België heeft zijn start up gekend met ‘Peace of Meat’ wat nu overgenomen is door het Israëlische ‘Standaert Peace of Meat’.
Producenten in de markt zijn bedrijven als Mosa Meat (NL), Meatable (NL), GOOD Meat (VS), Eat Just (VS), Believer Meats (Israël), Standaert Peace of Meat (voormalig in België, nu in Israël). Zij zoeken veelvuldig samenwerkingsverbanden op zoals met ADM (graan), Cargill (palmolie, veevoeder, vlees) en met voorvechters als Bill Gates.
Ook diervoeding- en aquafeedbedrijven zijn actief om celgekweekte vis te produceren. Ze werken aan opschaling van de toeleveringsketen en het verlagen van de kosten voor celvoeding. Actieve bedrijven zijn o.a. Finless Food (VS), Nutreco en BlueNalu.
Stichting Cellulaire Agricultuur Nederland (CAN) bevordert Cellulaire Agricultuur in Nederland en wereldwijd d.m.v.: aanbieden van relevante opleidingen, stimuleren publieke kennisontwikkeling, opschaling openbare faciliteiten voor opschaling, maatschappelijke integratie en het stimuleren van innovatie door start-ups te ondersteunen. Zij werken samen met het ministerie.
CANS heeft een coördineerde rol in de evaluatie van de dossiers van Nederlandse bedrijven die hun producten onder gecontroleerde omstandigheden willen laten proeven. Lees er meer over in het artikel Kweekvlees: hoe ver staan we eigenlijk?
In de week van 12–14 augustus 2025 riepen de Franse autoriteiten tientallen zachte kazen (o.a. camembert, brie, geitenkaas) terug na een uitbraak van listeriose die minstens 21 gevallen en twee overlijdens omvatte. De producten – verkocht onder meerdere merknamen in grote ketens – werden tot 9 augustus in Frankrijk én internationaal gedistribueerd. Kort daarop volgden waarschuwingen in o.a. Spanje, Luxemburg en ook België meldde een eerste gelinkt geval.
Voor producenten begint effectieve Listeria-beheersing al bij het productontwerp en procesontwerp. Door parameters zoals pH, wateractiviteit en zoutgehalte zó in te stellen dat groei van Listeria onmogelijk is, wordt de basis gelegd voor voedselveiligheid. Daarbij hoort ook het beperken van de houdbaarheid en het waarborgen van een strikte koude keten door de hele logistiek. Recepturen en verpakkingsvormen – bijvoorbeeld met gemodificeerde atmosfeer – moeten worden gevalideerd met challengetesten of voorspellende microbiologie, zodat duidelijk is dat de pathogeen niet kan uitgroeien tijdens de houdbaarheid.
Omgevingsmonitoring is vervolgens de eerste verdedigingslinie tegen besmetting. Listeria nestelt zich vaak in vochtige plekken zoals afvoeren, vloerscheuren en koelcellen. Een zoneringsplan waarbij verschillende hygiënezones duidelijk gescheiden worden, helpt besmetting beperken. Swabs moeten zowel vóór productie (pré-operatief) als tijdens productie worden genomen. Positieve vondsten mogen niet worden afgedaan als incidenten, maar moeten leiden tot een grondige root-cause-analyse, intensieve reiniging en hercontrole, gevolgd door trendanalyse om herhaling te voorkomen.
Ook het schoonmaak- en desinfectieprogramma moet praktijkbestendig zijn. Wissel tussen verschillende typen reinigings- en desinfectiemiddelen, zoals oxidatieve middelen en quaternaire ammoniumverbindingen, om biofilmvorming te doorbreken. Waar mogelijk is droog reinigen de voorkeur, en als nat reinigen noodzakelijk is, moet van schoon naar vuil worden gewerkt en moet de installatie volledig droog achterblijven. Voor onderhoudswerkzaamheden waarbij apparatuur wordt geopend, zijn specifieke procedures nodig, inclusief controle voor opstart.
Bij producten zoals zachte kazen, die vaak na pasteurisatie nog handelingen ondergaan, is het cruciaal om nabesmetting te minimaliseren. Dit vraagt om een duidelijke fysieke scheiding van zones met rauwe producten, gecontroleerde luchtstromen en strikte eenrichtingsbewegingen van personeel en materialen. Verpakkingslijnen fungeren daarbij als kritieke controlepunten binnen het HACCP-plan en moeten met dezelfde zorg behandeld worden als de high-care/risk zones.
Tot slot is een robuust traceerbaarheidssysteem essentieel. Producenten moeten in staat zijn om binnen minuten batches op te sporen en terug te roepen. Regelmatige recall oefeningen, bijvoorbeeld elk kwartaal, houden het systeem scherp. Heldere, meertalige communicatie richting consumenten en nauwe samenwerking met nationale recallportalen zoals RappelConso in Frankrijk of AESAN in Spanje, maken dat een daadwerkelijke terugroepactie snel en effectief verloopt.
De Franse kaasuitbraak toont hoe snel Listeria door de hele keten kan reizen, met ernstige gevolgen. Wie omgevingsmonitoring, productontwerp, hygiënisch ontwerp en snelle recall serieus regelt, verkleint het risico dramatisch én voldoet aan de EU-criteria. De tijd om je Listeria-programma te testen (en waar nodig op te schalen) is nu.
In de voedingsindustrie is een goed georganiseerde managementreview cruciaal om de kwaliteit en veiligheid van producten te waarborgen. Certificeringen zoals BRCGS Food, IFS Food en FSSC 22000 vereisen niet alleen dat managementreviews plaatsvinden, maar ook dat ze systematisch en effectief worden uitgevoerd. In dit artikel leggen we uit hoe je dit best aanpakt en geven we enkele praktische tips.
Een managementreview is een formele evaluatie door het topmanagement van het kwaliteitsmanagementsysteem (QMS) of het voedselveiligheidssysteem (FSMS). Het doel is om te beoordelen of het systeem effectief is, verbeteringen te identificeren en strategische beslissingen te ondersteunen. Belangrijke vragen die tijdens een managementreview beantwoord moeten worden zijn:
Een managementreview is veel meer dan een verplichte oefening om aan certificeringseisen te voldoen; het is een strategisch moment waarop het topmanagement actief betrokken wordt bij de borging en verdere ontwikkeling van het voedselveiligheidssysteem. Door kritisch stil te staan bij prestaties, trends en verbeterpunten, toont het management niet alleen leiderschap, maar geeft het ook een duidelijk signaal dat voedselveiligheid en kwaliteit een prioriteit zijn binnen de organisatie.
De betrokkenheid van het management is hierbij cruciaal. Wanneer directie en leidinggevenden zichtbaar deelnemen aan de review, wordt dit door de hele organisatie ervaren als een krachtig statement: voedselveiligheid is niet enkel de verantwoordelijkheid van de kwaliteitsafdeling, maar van iedereen. Dit draagt sterk bij aan het versterken van de voedselveiligheidscultuur. Medewerkers voelen zich gesteund, nemen hun eigen rol serieuzer en zijn eerder bereid verbeterideeën aan te dragen.
Daarnaast vormt de managementreview een belangrijk instrument voor continue verbetering. Door systematisch gegevens te analyseren, zoals auditresultaten, klachten, terugroepacties en procesprestaties, ontstaat er inzicht in trends en risico’s. Dit maakt het mogelijk om gericht bij te sturen en nieuwe doelstellingen te formuleren die aansluiten bij zowel interne ontwikkelingen als externe uitdagingen, zoals veranderende wetgeving of marktverwachtingen.
Hoewel er veel overlap is, hebben de certificeringsstandaarden enkele specifieke vereisten:
Volgens de BRCGS Food-standaard moet het management periodiek het voedselveiligheidssysteem beoordelen. Tijdens deze review worden rapporten van interne en externe audits, klachten van klanten, eventuele terugroepacties en trends in non-conformiteiten en productveiligheid besproken. Het is essentieel dat alle genomen beslissingen en acties goed worden vastgelegd en dat er opvolging plaatsvindt om te waarborgen dat verbeterpunten daadwerkelijk worden geïmplementeerd.
De IFS Food-standaard schrijft voor dat managementreviews minimaal één keer per jaar moeten plaatsvinden. In deze evaluatie moet specifieke aandacht worden besteed aan klanttevredenheid, resultaten van interne audits, klachtenanalyses, uitkomsten van risicobeoordelingen en beoordelingen van leveranciers. Ook veranderingen in wet- en regelgeving dienen meegenomen te worden. Daarnaast geldt dat de volledige review gedocumenteerd moet zijn, inclusief de acties die zijn afgesproken om verbeteringen te realiseren.
Binnen FSSC 22000 ligt de nadruk op het evalueren van de continue geschiktheid, adequaatheid en effectiviteit van het voedselveiligheidsmanagementsysteem (FSMS). De review moet worden gevoed met informatie uit interne audits, klantenfeedback, product non-conformiteiten en procesprestaties, evenals relevante wijzigingen in wet- en regelgeving. Alle resultaten en besluiten die tijdens de review worden genomen, moeten formeel worden vastgelegd, zodat de organisatie kan aantonen dat het systeem voortdurend wordt bewaakt en verbeterd.
Voorbereiding
Analyse
Bespreking
Documentatie
Opvolging
Een goed uitgevoerde managementreview is een krachtig instrument om de voedselveiligheid en kwaliteit in de voedingsindustrie te waarborgen. Door systematisch te werken, input van verschillende bronnen te verzamelen en de vereisten van BRCGS Food, IFS Food en FSSC 22000 in acht te nemen, kan jouw organisatie continue verbetering realiseren en certificeringsaudits met vertrouwen tegemoetzien.