header oranje fruit en groenten

Algen: toepassingen in de voedingsindustrie

Algen zijn een onderdeel van gezonde voeding en dragen bij tot minder CO2-uitstoot en minder waterverontreiniging.  Reden genoeg voor de Europese Commissie om algen te promoten. Het vormt een logische aansluiting op lopende Europese initiatieven als Green Deal, de eiwittransitie, en de duurzame blauwe economie. Men noemt het initiatief: ‘Naar een sterke en duurzame algensector in de EU’

De voordelen van algenproductie en -consumptie op een rij: 

  • Een belangrijke aanvullende bron van eiwitten met oog voor duurzame voedselproductie en mondiale voedselzekerheid. 
  • Andere doeleinden, zoals dier- en visvoeders, farmaceutica, biologisch afbreekbare verpakkingen, cosmetica en biobrandstoffen.
  • De productie ervan helpt de gezondheid van de oceanen te verbeteren door kooldioxide, fosfor en stikstof in mariene ecosystemen te verminderen. Ze zijn ook leef- en schuilplaats voor veel zeedieren, wat de biodiversiteit onder water bevordert.  
  • De branche kan zorgen voor het creëren van nieuwe mogelijkheden voor kustgemeenschappen in de vorm van oceaanlandbouw, als aanvulling op duurzame visserijpraktijken.

Populariteitsinhaalslag van de alg 

Algen worden al eeuwenlang overal ter wereld geproduceerd en geconsumeerd. Ze worden vooral gewaardeerd in de Aziatische keuken vanwege hun hoge voedingswaarde en aparte zoute of umami smaak. De laatste jaren worden ze ook gezien in westerse veganistische gerechten. Ondanks al het bovenstaande gaat de acceptatie van algenproductie en -consumptie in Europa langzaam. Daarom zet de Europese Commissie een tandje bij. 

Het platvorm EU4Algae is gelanceerd, waar de verschillende partijen, informatie en lopende projecten bij elkaar komen. Het is vooropgesteld als een driejarig project dat de schaalvergroting van klimaatvriendelijke algenindustrie in Europa zal versnellen.  

Specifieke doelen zijn het ondernemingsklimaat verbeteren, het maatschappelijk bewustzijn en de acceptatie van algen en algenproducten door consumenten vergroten en de gaten op het gebied van kennis, onderzoek en technologie wegwerken. Om dit te verwezenlijken heeft men 23 acties geformuleerd. Deze gaan van toolkits voor startende algenkwekers tot gericht onderzoek naar toepassingsmogelijkheden en van financiering van projecten tot educatieve programma’s op scholen.  

Zijn er ook nadelen? 

Er wordt op gewezen dat het een sector is die zich moet ontwikkelen op een manier die geen schadelijke gevolgen heeft voor het evenwicht van mariene ecosystemen en dat vermeden moet worden dat fouten die in het verleden op het land zijn gemaakt worden herhaald. Europese lidstaten worden gestimuleerd om vergunningen sneller te verlenen zonder daarbij het evenwicht uit het oog te verliezen.  Op dit moment zijn er nog hoge productiekosten door productie op beperkte schaal en nog een beperkte kennis van milieueffecten.  

Nutrivigilantie: verplicht melden van bijwerkingen voor Belgische bedrijven 

De Belgische FOD Volksgezondheid heeft een toezichtsysteem gelanceerd dat de ongewenste bijwerkingen van vier categorieën voedingsmiddelen in kaart moet gaan brengen. Het melden van bijwerkingen was reeds mogelijk, echter met een vrijblijvend karakter. De verplichting komt vanuit het Koninklijk besluit van 03/12/2023 Nutrivigilantie.  

 

Om welke producten gaat het?  

  •  Voedingssupplementen;
  • ‘Nieuwe’ voedingsmiddelen. Dit zijn voedingsmiddelen of ingrediënten die voor 15 mei 1997 niet of nauwelijks in de EU werden geconsumeerd; 
  • Voedingsmiddelen voor specifieke groepen zoals babyvoeding;
  • Voedingsmiddelen die worden verrijkt met vitaminen of mineralen zoals ontbijtgranen.

Hoe werkt de regelgeving precies? 

Alle bedrijven (operatoren) die betrokken zijn bij de keten, dus fabrikanten, distributeurs, detailhandelaars, zijn wettelijk verplicht om alle bijwerkingen of gevallen van verkeerd gebruik die hen gemeld worden te melden via het portaal van NutrivigilantieHet gaat om gevallen waar je als operator van op de hoogte bent, of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat je op de hoogte bent. Het melden moet binnen de tijdspanne van 10 dagen plaatsvinden.   

Voor melden is het niet nodig om als operator zelf al een beoordeling van het geval uit te voeren. Het melden is ook niet afhankelijk van een bepaalde ernst. Wel moet de verantwoordelijke voor het product voor elk van zijn producten een register van de bijwerkingen bijhouden en dit ter beschikking stellen van de bevoegde autoriteiten. Ook gezondheidswerkers en burgers kunnen melding doen op dezelfde wijze. Zij zijn echter niet verplicht. 

Na ontvangst van een melding zal een verantwoordelijke van het product altijd direct ingelicht worden. Er wordt door het FOD Volksgezondheid onderzocht of de gemelde bijwerking inderdaad toegerekend kan worden aan het product. Verdere maatregelen zijn afhankelijk van de aard van de melding. Het kan gaan van een aanvullend veiligheidsonderzoek wat gevraagd wordt van de fabrikant of een wijziging van het etiket tot een wijziging in wetgeving.  

Voor- en tegenstanders 

Er zijn voor- en tegenstanders van deze wet. Bijvoorbeeld vanuit de B-Sup, de belangenorganisatie van de supplementenbranche, zijn kritische geluiden te horen. Zij hebben er al voor gezorgd dat de eerdere voorstellen geconcretiseerd zijn geworden en geven aan zich blijvend voor te zetten voor o.a. duidelijkheid voor de branche en het bevorderen van objectiviteit van het beoordelen per case. Het is dus mogelijk dat er in de (nabije) toekomst aanpassing aan deze wetgeving zal komen.  

Hoe gaat dit in Nederland, Duitsland en Frankrijk? 

In Nederland bestaat het meldplatvorm ‘bijwerkingencentrum Lareb’.  Dit is het meld- en kenniscentrum voor bijwerkingen van onder meer geneesmiddelen, vaccins en voedingssupplementen. Daarnaast is er bij het NVWA ook mogelijkheid tot melden van onveilige voedingssupplementen. Het betreft hier steeds een vrijblijvend karakter.  Op de websites van het NVWA en voedingscentrum wordt aanvullende informatie voorzien.  

Voor Duitsland kunnen alle meldingen rond voedselveiligheid gedaan worden bij lebensmittelwarning.de. Uitgebreide informatie is te vinden op het Duitse voedselveiligheidsplatvorm BVL.de. 

In Frankrijk geld dezelfde indeling als in België. Men spreekt van Nutrivigilance. Het meldingsplatvorm is via anses.fr te bereiken en biedt uitgebreide informatie.   

Aroma’s

Wat zijn aroma’s? 

Aroma’s zijn stoffen die worden gebruikt om de geur en/of smaak van levensmiddelen te verbeteren of te wijzigen. Ze worden als ingrediënt toegepast en nooit als zodanig geconsumeerd.  Voor het gebruik van aroma’s, voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen en uitgangsmaterialen worden voorwaarden gesteld. Zo mogen ze geen gevaar voor de volksgezondheid opleveren en de consument niet misleiden. Vanuit dit oogpunt zijn gemeenschappelijke EU-regels en -normen opgesteld zoals Verordening (EU) 1334/2008 inzake aroma’s en bepaalde voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen en Verordening (EU) 2065/2003 inzake rookaroma’s . 

Europese wetgeving:

Verordening (EU) 1334/2008 bevat de regels over aroma’s en ingrediënten met aromatische eigenschappen. Hierin staan de volgende zaken beschreven:

  • De verschillende aromacategorieën en hoe sommige categorieën slechts mogen worden verkregen door bepaalde geschikte procedés en/of uit bepaalde uitgangsmaterialen. 
  • De categorieën zijn: 
    • aromastoffen 
    • aromatiserende preparaten 
    • aroma’s voor thermische processen 
    • rookaroma’s 
    • aromaprecursoren 
    • andere aroma’s 
  • Welke aroma’s geëvalueerd en goedgekeurd moeten worden voor ze in of op levensmiddelen mogen worden gebruikt en in Europa in de handel mogen worden gebracht. 
  • Een Europese lijst van goedgekeurde aroma’s en uitgangsmaterialen. 
  • De FL-nummers: het unieke identificatienummer van de stof. 
  • Maximumgehalten aan bepaalde stoffen die van nature aanwezig zijn in aroma’s en voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen.
  • Beperkingen aan bepaalde uitgangsmaterialen. Beperkingen en maximumgehalten zijn opgenomen in bijlagen III, IV en V van Verordening (EU) 1334/2008. 
  • Etiketteringsvoorschriften.

Het in de handel brengen van aroma’s, levensmiddelen die aroma’s bevatten en/of voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen waarvan het gebruik niet voldoet aan de verordening is verboden. Het autorisatieproces is vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1331/2008 gemeenschappelijke autorisatieprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s. 

Over het algemeen vormen aromastoffen geen probleem voor de gezondheid. Voor D-kamfer, kinine en glycyrrhizine zijn er echter wel regels vanwege hun effecten op de gezondheid. 

Voor rookaroma’s zijn de specifieke vereisten opgenomen in Verordening (EU) 2065/2003 inzake rookaroma’s en Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 1321/2013 .  

Etiketteren aroma’s 

Algemeen

Op het etiket worden aroma’s in de ingrediëntenlijst gedeclareerd als ‘aroma’ of met een meer specifieke benaming of beschrijving van het aroma.  Deze verplichting komt voort uit Verordening (EU) 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. 

Aanvullend op Verordening (EU) 1169/2011 bevat Verordening (EU) 1334/2008  ook meer specifieke etiketteringsvoorschriften voor aroma’s en levensmiddelen met aroma’s zoals etiketteringsvoorschriften voor aroma’s die niet of juist wel bestemd zijn voor verkoop aan de eindverbruiker en specifieke voorschriften voor het gebruik van de term “natuurlijk” ter aanduiding van een aroma. 

Lidstaten hebben de mogelijkheid om voor te schrijven dat bepaalde informatie in één of meer officiële talen wordt vermeld. Het gaat hier alleen om de etikettering van niet voor de eindverbruiker bestemde producten (B2B). Voor Nederland moet dit in ieder geval in het Engels of het Nederlands worden vermeld. Het is toegestaan de informatie daarnaast ook in andere talen te vermelden. 

Etiketteren rookaroma’s 

De aanduiding van rookaroma’s in de lijst van ingrediënten is verplicht indien het rookaroma aan het levensmiddel een rooksmaak verleent. Deze verplichting is opgenomen in Verordening (EU) 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten .   

Wetgeving België en Nederland

Voor België is het Koninklijk Besluit van 24 januari 1990 betreffende aroma’s voor gebruik in voedingsmiddelen opgesteld en verleent het FOD informatie via de website. Het Warenwetbesluit additieven, aroma’s en enzymen in levensmiddelen zorgt voor Nederland voornamelijk voor een overzicht van de geldende wetteksten. Het NVWA verzorgt aanvullende informatie voor Nederland. Zo wordt het etikettering van aroma’s verder toegelicht.  

Beperking op microplastics: voor wie heeft dit gevolgen?

Op 17 oktober 2023 is Verordening (EU) 2023/2055 van kracht geworden. Deze verordening is ter beperking van microplastics welke opzettelijk toegevoegd worden aan mengsels. Deze verordening wijzigt bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 met betrekking tot beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) wat betreft synthetische polymeer microdeeltjes. 

Wat houdt de verordening in? 

De nieuwe regels verbieden de verkoop van microplastics en van producten waaraan opzettelijk microplastics zijn toegevoegd en die deze microplastics afgeven bij gebruik. Bekende voorbeelden zijn cosmetica, wasmiddelen en opvulmateriaal voor kunstmatige sportoppervlakken.  

 Op welke producten die microplastics bevatten is deze beperking van toepassing? 

Volgens de definities in de verordening zijn synthetische polymeer microdeeltjes vaste polymeren die aan beide volgende voorwaarden voldoen: 

  • Zich in deeltjes bevinden en minstens 1% van die deeltjes uitmaken; of een ononderbroken oppervlaktelaag op deeltjes vormen, en 
  • Ten minste 1% van de deeltjes in het bovenstaande punt voldoen aan een van de volgende vereisten: 
  • ≤ 5 mm voor alle deeltjesafmetingen, of 
  • ≤ 15 mm voor de lengte van de deeltjes met een lengte/diameterverhouding van meer dan drie .

 We moeten de toepassing voor de voedingsmiddelenindustrie dus vooral in de hoek van verpakkingen en decoraties zoeken.  

 Welke producten vallen NIET onder de beperking? 

De volgende producten zijn vrijgesteld van het verkoopverbod: 

  • Producten die microplastics bevatten, maar waarbij deze niet vrijkomen of waarbij het vrijkomen ervan tot een minimum kan worden beperkt. 
  • Producten die op industriële locaties worden gebruikt; 
  • Producten die al onder andere EU-wetgeving vallen, zoals geneesmiddelen, levensmiddelen en diervoeders. 

Deze producten mogen verkocht blijven worden. Hun fabrikanten moeten elk jaar de geschatte microplastics uitstoot van die producten rapporteren aan ECHA. Ze moeten ook instructies geven voor het gebruik en de verwijdering van het product om microplastics uitstoot te voorkomen. 

Producten waaraan de microplastics niet opzettelijk zijn toegevoegd, maar die onbedoeld aanwezig zijn, zoals slib en compost vallen niet onder de beperking. 

 Waarom wordt het ook wel de ‘glitter beperking’ genoemd? 

Glitter is niet helemaal verboden. Het hangt af waar het van gemaakt is, waarvoor het gebruikt wordt en hoe het gevormd is. 

  • Alleen plastic glitter dat niet afbreekt of oplost in water is verboden. 
  • Losse plastic glitters die gebruikt worden voor knutselwerkjes mogen per 17 oktober 2023 niet meer verkocht worden, tenzij ze afbreken of oplossen in water. 
  • Plastic glitters die vastzitten aan decoratieve voorwerpen zoals kerstversieringen zijn ook niet toegestaan als ze gemakkelijk loslaten. 
  • Plastic glitters die vastzitten in een vaste stof zoals lijm, verf of inkt of in vaste voorwerpen zoals sieraden of sneeuwbollen, zijn wel toegestaan. 

Het is dus niet van toepassing op eetbare glitters. 

Deze verordeningen zijn rechtstreeks toepasbaar voor de Europese lidstaten. Bijkomend heeft men in Nederland dit vastgelegd in de Warenwetregeling algemene chemische productveiligheid in verband met een wijziging van de Europese REACH-verordening. 

 

Bemonsteringsprocedures en analysemethoden aangepast voor controle op mycotoxine en plantentoxine in levensmiddelen

Dit is een premiumartikel. Premiumartikelen maken deel uit van het Normec Foodcare Kenniscentrum abonnement.  Alle kennis en ervaring vanuit elke expertise komt samen in de Kennisbank. Je vindt hier alle relevante informatie over diverse productgroepen en wetgeving. Benieuwd? Lees wat het Normec Foodcare Kenniscentrum jou kan bieden.

Bij Verordening (EU) 2023/915 (Bijlage I) zijn maximumgehalten aan bepaalde plantentoxinen, mycotoxinen en moederkorensclerotiën in levensmiddelen vastgesteld.  In Verordeningen (EU) 2015/705 en nr. 401/2006  werden bemonsteringswijzen en analysemethoden vastgesteld voor mycotoxinen en plantentoxinen die voor de officiële controle op het gehalte in levensmiddelen moesten worden gebruikt. Deze worden nu vervangen door Publicatieblad EU L, 2023/2782 van 15 december 2023  voor mycotoxinen-gehalte en door Publicatieblad EU L, 2023/2783 van 15 december 2023 voor plantentoxinen-gehalte.  

Mycotoxinen

Mycotoxinen zijn toxinen (gifstoffen) die, onder bepaalde omstandigheden, geproduceerd worden door schimmels.  Zowel mensen als dieren kunnen vergiftigd worden door mycotoxinen. Onder mycotoxinen vallen aflatoxine, ochratoxine A, patuline,  DON (deoxynivalenol), moederkoren (ergotalkaloiden), zearalenon (ZEA), phomopsine, T-2 en HT-2, citrinine en fumonisinen.  Omdat mycotoxinen veelal stabiele stoffen zijn, en dus grotendeels niet worden afgebroken door productieprocessen, kunnen deze vervolgens via de voedselketen in de voeding van mensen terechtkomen.

In veel grondstoffen kunnen mycotoxinen voorkomen, bijvoorbeeld in granen en graanproducten (meel en bloem), noten, zaden, pitten, gedroogde (zuid)vruchten, peulvruchten en appels.   

Planttoxines

Plantengifstoffen (fytotoxinen) zijn natuurlijke gifstoffen. Ze komen van nature voor in bepaalde planten. Plantengifstoffen kunnen voorkomen in verschillende onderdelen van de plant, zoals de bladeren, stengels, vruchten, wortels en knollen. De voornaamste zijn Erucazuur Tropaanalkaloïden, cyanogene glycosiden, Pyrrolizidine alkaloiden (PA’s) en Opiumalkaloïden. Mensen kunnen plantengifstoffen binnenkrijgen via een aantal verdachte producten zoals:

  • Onrijpe aardappelen of uitlopers van oude aardappelen
  • Vruchten zoals vlierbessen en pitten van steenvruchten, appels en peren
  • Lijnzaad, bittere amandelen en exotische knolgewassen (zoals cassave)
  • Honing, kruidenthee, frisdrank en snoepjes met kruidenextracten en voedingssupplementen
  • Plantaardige oliën, hennepzaad
  • Groenten uit de look familie, zoals sjalot, bieslook en prei

Risk Safety Data Sheets

In de Risk Safety Data Sheets van Normec Foodcare Kenniscentrum is specifiek terug te vinden welke toxine voor welke productgroep een gevaar vormt. Raadpleeg ze via deze links. 

Mycotoxines

Planttoxines

Wetgeving

Bij Verordening (EU) 2023/915 (Bijlage I) zijn maximumgehalten aan bepaalde plantentoxinen, mycotoxinen en moederkorensclerotiën in levensmiddelen vastgesteld.  In Verordeningen (EU) 2015/705 en nr. 401/2006 werden bemonsteringswijzen en analysemethoden vastgesteld voor mycotoxinen en plantentoxinen die voor de officiële controle op het gehalte in levensmiddelen moesten worden gebruikt. Deze worden nu vervangen door Publicatieblad EU L, 2023/2782 van 15 december 2023  voor mycotoxinen-gehalte en door Publicatieblad EU L, 2023/2783 van 15 december 2023 voor plantentoxinen-gehalte.  

Categorieën betreffende monsternamemethodes 

In Bijlage I van (EU) 2023/2782 en (EU) 2023/2783 worden de producten ingedeeld in categorieën met specifieke monsternamemethodes. Bij producten waarvoor geen specifieke bemonsteringsprocedure is vastgesteld, worden criteria vastgesteld om te bepalen welke bemonsteringsprocedure in dergelijke gevallen moet worden toegepast. Deze staan beschreven in artikel 2 van beide verordeningen. 

Kort gezegd houdt dit in dat in het geval van een levensmiddel dat niet kan worden ingedeeld in een levensmiddelencategorie de bemonsteringsprocedure wordt bepaald op basis van de deeltjesgrootte van dat levensmiddel of de gelijkenis van dat levensmiddel met een product dat kan worden ingedeeld in een van de levensmiddelencategorieën in bijlage I. 

In het geval dat een levensmiddel niet kan worden ingedeeld in een levensmiddelencategorie en het toxine gelijkmatig in dat levensmiddel is verdeeld, wordt het levensmiddel bemonsterd volgens de bemonsteringsprocedure die is vastgelegd in deel B van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 333/2007.

Een overzicht van verdere wijzigingen 

  • De bemonsteringswijzen voor de verschillende voedingsmiddelen moeten worden toegepast bij de controle op alle mycotoxinen in plaats van specifiek genoemde mycotoxinen in die voedingsmiddelen.  
  • De bemonsteringswijze voor voedingssupplementen moet geactualiseerd worden en voorzien in een bemonsteringswijze voor gedroogde kruiden, kruidenthee en theesoorten.  
  • Officiële controles kunnen worden uitgevoerd op levensmiddelen waarvoor geen specifiek maximumgehalte voor mycotoxinen of plantentoxinen en geen specifieke bemonsteringsprocedure is vastgesteld. Het is daarom passend criteria vast te stellen om te bepalen welke bemonsteringsprocedure in dergelijke gevallen moet worden toegepast. 
  • Er worden algemene prestatiecriteria vastgesteld voor de analysemethoden voor plantentoxinen. De prestatiecriteria voor de analyse van mycotoxinen worden geactualiseerd.  
  • Voor Ericazuur werden de bemonsteringswijzen en prestatiecriteria voor de analysemethoden reeds vastgelegd in (EU) 2015/705. Deze zal worden ingetrokken en vervangen door (EU) 2023/2783. 

De verordeningen zijn van toepassing met ingang van 1 april 2024. Analysemethoden voor plantentoxinen die vóór de inwerkingtreding van de verordening zijn gevalideerd, mogen tot en met 1 juli 2028 in gebruik blijven. Bemonsteringswijzen voor mycotoxine-gehalte die vóór de inwerkingtreding van de verordening zijn gevalideerd, mogen tot 1 januari 2029 in gebruik blijven.

Interessante links: 

Je las een premiumartikel van het Normec Foodcare Kenniscentrum. Smaakt het naar meer? Bekijk dan de mogelijkheden van het Kenniscentrum abonnement. Hiermee heb je direct toegang tot alle kennis.

Perslucht: een vaak onderschatte bron van vervuiling.   

Vaak wordt het gebruik van perslucht onvoldoende meegenomen in de maatregelen vanuit de risicoanalyse. Toch heeft de kwaliteit van de perslucht rechtstreeks invloed op de voedselveiligheid en moet de kwaliteit van perslucht ook gecontroleerd worden.  

Normen en voorschriften

Er bestaan geen wettelijke voorschriften voor de kwaliteit van perslucht. Voedingsmiddelenproducenten zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van de producten en dus ook voor de kwaliteit van de perslucht. Op het gebied van voedselveilige perslucht worden in de diverse kwaliteitsnormen wel eisen genoemd waaraan de perslucht moet voldoen. Daarin worden alleen geen specifieke, meetbare waarden aangegeven voor de perslucht. Voor meetbare waarden voor perslucht in de voedingsindustrie is een richtlijn opgesteld door BRC in samenwerking met BCAS (British Compressed Air Society). Hierin is informatie te vinden over de te gebruiken filters:  

  • Contact met levensmiddel: ISO 8573.1 aanbevolen klasse = 2.2.1 
  • Geen contact met levensmiddel: ISO 8573.1 aanbevolen klasse = 2.4.1 
  • Geen contact met levensmiddel, high risk area: ISO 8573.1 aanbevolen klasse = 2.2.1

Mogelijke gevaren 

Vocht 

Om te voorkomen dat poeders gaan klonteren moet de perslucht absoluut droog zijn.  In bepaalde gevallen wordt perslucht gebruikt om vloeistoffen te verdampen. Het kan ook als transportmiddel dienen voor droge voeding zoals meel, koffie of specerijen. Controle op vochtigheid is dan van groot belang.   

Vochtige lucht wordt in de compressor samengeperst tot perslucht. Deze perslucht is voor 100 procent verzadigd met waterdamp. Opslag vindt plaats in de persluchtketel en gaat via leidingen waar deze afkoelt en condenseert tot olieachtig water of waternevel. Vocht zorgt voor verkleving van wateraantrekkende producten zoals poeder, kruiden, zout of suiker. Water in de perslucht leidt tot corrosie van de persluchtapparatuur. 

Microbiologische gevaren 

Het vocht kan voor een ideale omstandigheid zorgen voor micro-organismen, welke zich gemakkelijk kunnen reproduceren in de verwarmde en met vocht verzadigde perslucht. Ook de corrosie die kan zijn ontstaan door de condens kan de groei van micro-organismen bevorderen.  Steriel gefilterde perslucht is aangewezen voor kwetsbare producten, denk aan poeders voor babyvoeding en verse maaltijden. Microbiologische risico’s van perslucht kunnen dus worden beperkt door het drogen van de perslucht en door het gebruik van steriel filtratie.  

Fysische gevaren 

Voorbeeld van fysische gevaren zijn vuildeeltjes zoals pollen, stofvezels, roet en zware metalen. Verontreiniging met dergelijke vaste stoffen tast onder meer de houdbaarheid en de smaak van voedsel aan. 

Minerale oliën 

Wanneer olie geïnjecteerde schroefcompressoren gebruikt worden is de opgewekte perslucht verontreinigd met minerale olie. Risico’s van olie in de perslucht kunnen worden beperkt door het gebruik van persluchtfilters, food grade olie of olievrije compressoren.  

Food grade olie bevat geen of nauwelijks vluchtige toxische componenten, maar ook hierbij is het gebruik van persluchtfilters noodzakelijk. Olie in een compressor neemt namelijk verontreinigingen op vanuit de aanzuiglucht en zal na enige tijd niet meer food grade zijn. Het risico van olie kan ook worden beperkt door het gebruik van een olievrije compressor. 

Houd ook steeds rekening met de lucht die wordt aangezogen. Is er bijvoorbeeld uitstoot naburige bedrijven of wegverkeer of hangt er veel stuifmeel in de lucht. Welke filter is er dan het meest effectief? 

Direct of indirect contact 

Direct contact wordt gemaakt wanneer de perslucht specifiek gericht is op het product of op de primaire verpakking die in contact komt met het product. Voorbeelden van indirect contact zijn het reinigen van oppervlakken of het transporteren van voedselverpakkingen. Bij indirect contact tussen de perslucht en het levensmiddel zijn de eisen aan de persluchtkwaliteit niet zo hoog als bij direct contact. Toch moet worden opgemerkt dat het levensmiddel ook via de verpakking kan worden verontreinigd. 

Factoren om mee te nemen in de risicoanalyse:  

  • Maakt de perslucht direct of indirect contact? 
  • Zuigt de compressor schone lucht aan? 
  • Machinegegevens:  
    • Compressor: prestatiegegevens, olievrij, oliegesmeerd, controle, onderhoudstoestand 
    • Drukvaten, leidingsystemen 
    • Certificaten en specificaties 
    • Hoe is de compressorruimte opgebouwd?  
  • Persluchtbehandeling: welke filtratie wordt gebruikt? Wordt er gedroogd?  
  • Kwaliteitscontroles 

 

Wijzigingen EU wetgeving voedingsmiddelenindustrie 2024 

Dit is een premiumartikel. Premiumartikelen maken deel uit van het Normec Foodcare Kenniscentrum abonnement.  Alle kennis en ervaring vanuit elke expertise komt samen in de Kennisbank. Je vindt hier alle relevante informatie over diverse productgroepen en wetgeving. Benieuwd? Lees wat het Normec Foodcare Kenniscentrum jou kan bieden.

Wet- en regelgeving is ook op Europees vlak voortdurend onderhevig aan verandering. In dit artikel vind je een aantal veranderingen die je mag verwachten in 2024.

Levensmiddelenhygiëne – producten van dierlijke oorsprong Verordening 853/2004 

Voor verordening (EG) nr. 853/2004 ligt een voorstel voor wijziging van bijlagen II en III. Dit met als achterliggende gedachte om:  

  • Het bedwelmen en verbloeden op de boerderij van een beperkt aantal schapen en schapen en geiten onder bepaalde voorwaarden toe te staan en de voorwaarden voor alle hoefdieren te wijzigen;
  • Specifieke voorschriften voor de dry-ageing van rundvlees in te voeren, waarvoor een overgangsperiode geldt; 
  • De voorwaarden voor het vervoer van karkassen en bepaalde delen van als landbouwhuisdier gehouden van als huisdier gehouden hoefdieren en de harmonisatie van het testen van de oppervlaktetemperatuur van dergelijk vlees;
  • Toestaan dat gekweekt wild dat op het bedrijf is geslacht, wordt vervoerd naar een wildverwerkingsinrichting;
  • Alternatieve opties in te voeren om de doeltreffendheid van warmtebehandelingen van melk aan te tonen;
  • Het aromatiseren van eieren onder bepaalde voorwaarden toe te staan.

Ook wordt de kans gezien om bepaalde eisen te verduidelijken die zijn vastgesteld in bijlagen II en III om dubbelzinnigheid te voorkomen, met name wat betreft: 

  • het identificatiemerk van producten van dierlijke oorsprong; 
  • de certificeringsvoorschriften op het punt van binnenkomst in de Unie van bepaald vlees van hoefdieren; 
  • de handeling om de temperatuur voor het in plakken snijden van verse of verwerkte visserijproducten of om de temperatuur van ingevroren visserijproducten te verhogen en het verbod om visserijproducten op te slaan of te vervoeren bij die tijdelijk technologisch vereiste temperatuur. 

Geplande goedkeuringsdatum datum is vierde kwartaal 2023. 

Toevoeging van vitaminen en mineralen (minimum- en maximumgehaltes) 

Vitaminen en mineralen in levensmiddelen en voedingssupplementen zijn belangrijk voor de gezondheid. Sommige zijn echter schadelijk als ze in grote hoeveelheden worden ingenomen.  Bij dit initiatief gaat het om de vaststelling van: 

  • maxima voor de gehaltes aan vitaminen en mineralen die aan voedingssupplementen en verrijkte voedingsmiddelen (zoals ontbijtgranen en margarines) worden toegevoegd 
  • minima voor de gehaltes aan bepaalde vitaminen en mineralen die aan voedingssupplementen worden toegevoegd 

 Geplande goedkeuringsdatum is het eerste kwartaal van 2024. 

Lees er hier verder over. Eenduidige aanvaardbare bovengrens vitaminen en mineralen voor de EU.”

Herziening van de EU-regels voor voedselcontactmaterialen – Verordening (EU) 10/2011 

Het EU-voedselveiligheidsbeleid stelt eisen aan materialen die met levensmiddelen in contact komen (zoals voedselverpakkingen, keuken- en tafelgerei, en apparatuur voor de verwerking van levensmiddelen). 

Deze eisen worden nu geactualiseerd om: 

  • de voedselveiligheid te garanderen en de volksgezondheid goed te beschermen 
  • de aanwezigheid en het gebruik van gevaarlijke chemische stoffen te beperken 
  • rekening te houden met de meest recente wetenschappelijke en technologische inzichten  
  • de innovatie en duurzaamheid te bevorderen door veilige, herbruikbare en recycleerbare oplossingen te stimuleren en de milieu-impact van de sector te verminderen

Deze wijziging is reeds gepubliceerd, producenten van verpakkingsmateriaal die de betrokken stoffen gebruiken moeten hiermee in orde zijn tegen 01 februari 2025. 

Lees er hier verder over: “Aandachtspunten bij wijzigingen in de kunststofverordening

Beperkingen voor bisfenol A (BPA) en andere bisfenolen in materialen die met levensmiddelen in contact komen 

Dit initiatief verbiedt het gebruik van BPA in materialen die met levensmiddelen in contact komen, waaronder kunststof en gecoate verpakkingen. Aanleiding is de publicatie van het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, waarin wordt gewezen op een punt van zorg voor de menselijke gezondheid. 

De maatregel zal ook: 

  • het gebruik van andere bisfenolen in materialen die met levensmiddelen in contact komen aanpakken om te voorkomen dat BPA door andere schadelijke stoffen wordt vervangen 
  • voorzien in afwijkingen en overgangsperioden die van toepassing kunnen zijn op bedrijven. 

Geplande goedkeuringsdatum is het eerste kwartaal van 2024. 

Lees er hier verder over: “Nieuwe wetgeving voor BPA in voedselcontactmaterialen

Voedselverspilling — reductiestreefcijfers 

De Europese Commissie komt met een voorstel om lidstaten te verplichten om de voedselverspilling te verminderen. Het weggooien van voedingsmiddelen moet in de verwerking en productie met 10% afnemen voor 2030.  Ook bij consumenten en Retail moet de voedselverspilling afnemen met 30% (per hoofd van de bevolking), in vergelijking met 2020. De Commissie wil dat er wettelijke, bindende doelstellingen komen om voedselverspilling in te perken. Hiermee hoopt ze dat voedselverspilling in alle lidstaten daadwerkelijk afneemt. Het voorstel van de Europese unie is op 5 juli 2023 aangenomen. Het is aan de lidstaten om hier zelf een invulling aan te geven. Nederland en België waren hier reeds vooruitstrevend mee aan de slag.  

Zo heeft Nederland de ‘Theory of change’ met een versnellingsagenda gepubliceerd en geeft daarin aan dat in 2025 de opschalingsfase volop in gang dient te zijn. Deze fase houdt in:  

  • Voor verspilling door consumenten ligt de focus in de versnellingsagenda op het out-of-home kanaal (food service) en op de keuzemogelijkheden in het retailkanaal om bewuste aankoop- en eetkeuzes te maken die bijdragen aan verspilling.
  • Voor het bedrijfsleven ligt de focus op het stimuleren van ketenregisseurs, vooral supermarkten en inkoophuizen, op het doorvoeren van ketenbrede preventiemaatregelen als een “normaal” onderdeel van de bedrijfsvoering en ketenbeheer, en het scheppen van een stimulans in de vorm van science based targets 
  • In deze bredere benadering zijn primaire producenten nadrukkelijk partij. Voor de primaire producenten ligt de nadruk op aanhaken bij de verspillingsagenda – de verspilling op de akker, bij tuinders en in de visserij moet binnen de definitie van vermijdbare verliezen worden gebracht. De inzet is gericht op het beëindigen van het vernietigen van voedsel en verwaarding in directe, plaatsgebonden kanalen en initiatieven.
  • Voor de Rijksoverheid ligt de nadruk op het inpassen van het verminderen van voedselverspilling in coherente beleidsagenda’s rond klimaat-slimme en duurzame voedselsystemen waarin voedsel maximaal wordt verwaard en met minimale verliezen. Daarvoor is het nodig om de slag te maken van kilo’s naar impact op CO2-emissies en andere systeemambities.

Vlaanderen heeft het Actieplan voedselverlies en biomassareststromen circulair 2021-2025 lopende.  Hierin wordt gewerkt aan concrete acties in drie kringlopen, waarvan de eerste kringloop volledig inspeelt op voedselverlies en voedselreststromen.  Het stelt een beleid voor de periode 2021-2025 voor, voor het inperken van voedselverlies en het circulair inzetten van biomassa en biomassareststromen. Het actieplan focust op drie kringlopen: 

  • kringloop 1: voedselverlies en voedselreststromen van producent tot en met consument; 
  • kringloop 2: biomassa(rest)stromen van groen-, natuur, bos- en landschapsbeheer; 
  • kringloop 3: hout(rest)stromen van industrie en huishoudens. 

Er staan drie krachtlijnen centraal welke de basis vormen van het beheer van elke kringloop. 

Krachtlijn 1:

Meer preventie, minder verlies;  oa. Samenwerking binnen productieketens stimuleren, Vanuit de keten voedselverlies terugdringen bij de consument, Sociaal circulair ondernemen opschalen, Start-ups rond voedselverlies ondersteunen, Thuiskringlopen stimuleren. 

Krachtlijn 2:

Beter sorteren en inzamelen;  Selectieve inzameling van keuken- en levensmiddelenafval bij bedrijven verbeteren. 

Krachtlijn 3:

Meer hoogwaardige valorisatie;  De circulariteit en duurzaamheid van de recyclagemarkt verhogen en de toegevoegde waarde van de afzetmarkt verhogen. 

De doelstellingen van dit Actieplan voor eind 2023, 2025 en 2030 zijn gebaseerd op: 

  • de doelstellingen in de Kaderrichtlijn Afval 
  • de ambitie van de Vlaamse Regering, cfr. Regeerakkoord 2019-2024. 
  • de bijdrage van de circulaire bio-economie aan de doelstellingen van het Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030. 

Het streven is om de hele keten 30 % van de voedselverliezen te laten voorkomen, herverwerken als voedsel of hoogwaardiger valoriseren ten opzichte van 2015. Dit kan o.a. door: 

  • Schenking van voedseloverschotten via de voedselbank, sociale organisaties, …  
  • Preventie en valorisatie acties in de ganse voedselketen (van producent tot en met consument) 

Reststromen uit groen-, natuur-, bos- en landschapsbeheer en houtreststomen worden optimaal gemobiliseerd en hoogwaardig gevaloriseerd.  

Milieuprestaties van producten en bedrijven – onderbouwing van claims 

Door dit initiatief worden bedrijven verplicht om beweringen over de ecologische voetafdruk van hun producten/diensten te onderbouwen aan de hand van standaardmethoden. Hierdoor moeten dergelijke beweringen in de hele EU betrouwbaar, vergelijkbaar en controleerbaar worden en wordt “greenwashing” (onterecht een milieuvriendelijk imago uitdragen) bestreden. Zo kunnen commerciële afnemers en investeerders duurzamere keuzes maken en zal het consumentenvertrouwen in groene keurmerken en de informatie hierover toenemen. Het advies is uitgebracht door de Europese commissie, een geplande goedkeuringsdatum is er tot op heden nog niet.  

Lees er hier verder over: “Betrouwbaarheid van milieuclaims en gevaar voor greenwashing”

Je las een premiumartikel van het Normec Foodcare Kenniscentrum. Smaakt het naar meer? Bekijk dan de mogelijkheden van het Kenniscentrum abonnement. Hiermee heb je direct toegang tot alle kennis.

Wet- en regelgeving van bijzondere voeding

Welke voedingsmiddelen vallen onder de noemer ‘bijzondere voeding’? In welke wetgeving vind ik hierover eisen? Wat zijn de speciale eisen rond claims? Wij nemen je graag mee in deze onderwerpen.  Wetgeving op het gebied van voeding voor specifieke groepen is bedoeld om bepaalde kwetsbare consumentengroepen te beschermen door het reguleren van de levensmiddelen én de marketing hiervan.  

Wie zijn de doelgroepen? 

Het gaat hierbij om baby’s en jonge kinderen, mensen met specifieke medische aandoeningen en mensen met obesitas die een energiebeperkt dieet volgen.  Aanvullend op de algemeen geldende wetgeving is Verordening (EG) Nr 609/2013 opgesteld voor deze doelgroepen: 

  1. volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding
  2. bewerkte voeding op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en jonge kinderen
  3. voedingsmiddelen voor medisch gebruik
  4. volledig dag vervangende voedingsmiddelen voor gewichtsbeheersing

Voor elk van deze categorieën zijn specifieke bepalingen op het vlak van de samenstelling, etikettering en reclame opgenomen. Voor enkele van deze categorieën zijn gedelegeerde verordeningen opgesteld.  

Volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding 

Binnen deze groep vallen de producten volledige zuigelingenvoeding voor kinderen jonger dan 6 maanden en de opvolgzuigelingenvoeding voor kinderen tussen 6 en 12 maanden. Naast de algemene voedselveiligheidseisen die gelden voor zuigelingenvoeding vanuit de algemene wetgeving, zijn er specifieke voorschriften opgenomen in de gedelegeerde verordening EG Nr 2016/127. Hier worden aanvullende eisen gesteld voor samenstelling, bestrijdingsmiddelen, voedselinformatie, voedingswaardevermelding, voedings- en gezondheidsclaims, promotie, informatie, en kennisgeving van zuigelingenvoeding. 

In Verordening (EU) 2016/128 zijn specifieke eisen voor residuen van pesticiden voor voeding voor medisch gebruik voor zuigelingen en peuters.  

Enkele belangrijke zaken uit de verordening 2016/127:  

  • Voor volledige zuigelingenvoeding (0-6 maanden) zijn geen voedings- of gezondheidsclaims toegestaan (artikel 8). Dit betekent dat elke vermelding die stelt of impliceert dat een product heilzame voedingseigenschappen heeft die toe te schrijven zijn aan voedingsstoffen die in het product zitten, verboden zijn. Uitzondering op de regel is DHA: Tot 22-02-2025 geldt een overgangsregeling, maar vanaf die datum kan ook de toevoeging van DHA niet langer worden benoemd, omdat de toevoeging van dit vetzuur voortaan verplicht is. 
  • Voor residuen is de algemene eis dat zuigelingenvoeding niet meer dan 0,01 mg/kg residuen van pesticiden mag bevatten. Daarnaast gelden voor 16 pesticiden striktere maximale gehaltes tussen de 0,003 en 0,008 mg/kg zuigelingenvoeding. 

Bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en babyvoeding  

Babyvoeding is bestemd voor gezonde zuigelingen en peuters vanaf ongeveer 6 tot 36 maanden. Het is vooral bedoeld om de voeding aan te vullen (naast borstvoeding of opvolgzuigelingenvoeding) en/of om hen geleidelijk aan gewoon voedsel te laten wennen.  Voor babyvoeding geldt dat de ‘oude’ richtlijn 125/2006/EG nog van toepassing is. Deze richtlijn bevat voorschriften over samenstelling, bestrijdingsmiddelen en etikettering. 

Een aantal belangrijke zaken uit de richtlijn 125/2006:  

  • Gezondheidsclaims op producten die exclusief bedoeld zijn voor zuigelingen en peuters worden beschouwd als zogenaamde “kinderclaims” (artikel 14, lid 1, b van Verordening (EG) nr. 1924/2006). Alleen de voor de EU goedgekeurde kinderclaims mogen worden gebruikt. Deze goedgekeurde kinderclaims zijn te vinden in het EU Claims Register 
  • Voor residuen is de algemene eis dat babyvoeding niet meer dan 0,01 mg/kg residuen van pesticiden mag bevatten. Daarnaast gelden voor 16 pesticiden striktere maximale gehaltes tussen de 0,003 en 0,008 mg/kg babyvoeding. 
  • Op melk gebaseerde dranken voor jonge kinderen en gelijkaardige producten vallen niet onder de definitie van ‘babyvoeding’. Deze producten dienen, indien verrijkt, genotificeerd te worden als verrijkt voedingsmiddel.  

Voeding voor medisch gebruik 

Op voeding voor medisch gebruik is de Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/128 van toepassing. Deze Europese Verordening bevat voorschriften voor samenstelling, bestrijdingsmiddelen, etikettering, voedingswaardevermelding, voedings- en gezondheidsclaims, voeding voor medisch gebruik voor zuigelingen en kennisgeving. 

Een aantal belangrijke zaken uit de verordening 2016/128: 

  • Voedings- en gezondheidsclaims zijn in zijn geheel verboden voor deze productgroep. 
  • Strenge normen voor residuen van pesticiden voor voeding voor medisch gebruik voor 0-3-jarigen. De algemene eis is dat voeding voor medisch gebruik voor deze leeftijdsgroep niet meer dan 0,01 mg/kg residuen van pesticiden mag bevatten. Daarnaast gelden voor 16 pesticiden nog striktere maximale gehaltes tussen de 0,003 en 0,008 mg/kg zuigelingenvoeding. 
  • In België is er een beperkte groep verkooppunten van waaruit voeding voor medisch gebruik verkocht mag worden. Het Nederlandse NVWA houdt zich ook met dit onderwerp bezig. Onder andere met het oog op fraudegevoeligheid. In Nederland vallen er dus ook toekomstige wijzigingen te verwachten.

 

Dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing

De definitie van maaltijdvervangers is veranderd naar ‘de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing’. Dit betekent dat alleen maaltijdvervangers die bedoeld zijn om de gehele voeding te vervangen, onder bijzondere voeding vallen. 

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1798 geeft aanvullingen en uitzonderingen op de algemene regels en is vanaf 27 oktober 2022 van kracht geworden. Deze Europese Verordening bevat voorschriften voor de samenstelling, etikettering, voedingswaardevermelding, voedings- en gezondheidsclaims en kennisgeving. 

 Een aantal belangrijke zaken uit de verordening 2017/1798: 

  • Voor volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing zijn voedings- en gezondheidsclaims niet toegestaan. Uitzondering is een claim rond de toevoeging van vezels en de vermeldingen “caloriearm dieet” of “zeer caloriearm dieet”. Het is ook verboden om melding te maken van de snelheid of de mate van gewichtsverlies.   
  • Andere voedingsmiddelen die verwijzen of suggereren naar gewichtsbeheersing, maar geen volledige vervanging zijn van dagelijkse voeding, vallen onder het toepassingsgebied van de Europese claim verordening EU Nr 1924/2006. 

Algemene Europese wetgeving 

Naast de Verordening (EU) Nr. 609/2013 en de product specifieke EU-regelgeving voor voeding voor specifieke groepen moeten deze levensmiddelen ook voldoen aan de EU-regelgeving die geldt voor alle levensmiddelen, zoals voor etikettering en hygiëne. Als er voor hetzelfde onderwerp regels zijn in algemene Europese regelgeving en in de product specifieke regelgeving, dan heeft de specifieke regelgeving voorrang. 

Microbiologische eisen 

In verordening 2073/2005 staan de microbiologische criteria voor levensmiddelen vastgelegd. Bijlage I van deze verordening bevat de microbiologische criteria voor alle levensmiddelen waaronder specifieke criteria voor o.a. zuigelingenvoeding, babyvoeding en voeding voor medisch gebruik. 

Contaminanten 

In Verordening 2023/915 staan de eisen omtrent contaminanten in levensmiddelen, hier zijn veelal specifieke eisen voor kwetsbare groepen opgenomen. Wanneer er geen specifieke eis genoemd staat, kan het zijn dat een lidstaat hier zelf strengere eisen voor heeft vastgelegd.  

Voedselcontactmaterialen en migratie 

Verordening 10/2011 omvat specifieke eisen voor contactmaterialen bestemd voor babyvoeding én zuigelingen en peuters. Zo is er een specifieke globale migratielimiet (GML) voor dit type producten vastgelegd: de totale migratie van bestanddelen van materialen en voorwerpen van kunststof die bestemd zijn om in contact te komen met levensmiddelen voor zuigelingen en peuters naar levensmiddelsimulanten mag niet hoger zijn dan 60 mg/kg levensmiddelsimulant.

Verder zijn er ook voor specifieke bestanddelen restricties en voorwaarden opgenomen zoals o.a. bepaald in enkele amendementen. Bijvoorbeeld:

  • Verordening 2018/213 beschrijft het verbod op migratie van BPA via vernissen en coatings voor voedselcontactmaterialen bestemd voor volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding, bewerkte levensmiddelen op basis van granen, babyvoeding, voeding voor medisch gebruik voor 0-3 jaar, of op melk gebaseerde dranken en soortgelijke producten voor 1-3 jaar. Deze wetgeving zal naar verwachting worden aangepast. Na het onderzoek van de EFSA van april 2023 verwacht men per eerste kwartaal van 2024 vanuit de Europese Commissie een verbod op het opzettelijk gebruik van BPA. Lees er hier meer over. 
  • Benzylbutylftalaat en diësters van ftaalzuur mogen als weekmaker gebruikt worden in voorwerpen voor herhaald gebruik én eenmalig gebruik die met niet vette levensmiddelen in contact komen. Maar mogen niet gebruikt worden voor voorwerpen voor eenmalig gebruik die in contact komen met volledige zuigelingenvoeding en bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en peuters.
  • Voor geëpoxideerde sojaolie is een andere specifieke migratielimiet vastgelegd voor pvc- verpakkingen die worden gebruikt voor het afdichten van glazen recipiënten die volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding bevatten.

Etikettering 

Lees hier mee over etikettering voor bijzonder voeding.  

Aanvullende informatie/wetgeving voor bijzondere voeding voor Nederland en België 

Voor België geldt het KB 18 februari 1991 betreffende voedingsmiddelen bestemd voor bijzondere voeding. Het FAVV bundelt de informatie via de pagina Normen voor voeding voor specifieke groepen. Van daaruit is het mogelijk om verder in te zoomen op de specifieke groepen. Aanvullend is er voor fabrikanten van voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen nog een omzendbrief gepubliceerd.  

In Nederland is het Warenwetbesluit Bijzondere voeding uit 2016 van kracht. Verder is de informatie gebundeld in het handboek voeding voor specifieke groepen. Dit handboek geeft informatie over de specifieke groepen én over de groepen welke hier niet onder vallen.  

Wanneer bijzondere voedingsproducten op de markt gebracht worden moeten deze steeds genotificeerd worden aan de Nederlandse of Belgische overheid. 

Wijziging specificatie en toegelaten gebruik mono- en diglyceriden van vetzuren (E471)

De specificaties voor mono- en diglyceriden van vetzuren (E 471) zijn gewijzigd. Dit naar aanleiding van een aanbeveling van de EFSA. De zuiverheidsnormen zijn strenger geworden voor meerdere componenten en er is een verschil tussen regulier gebruik en gebruik in voeding voor zuigelingen en peuters. Het wordt van belang dat de leverancier kan aantonen dat het geschikt is voor het beoogde gebruik. De wijzigingen zijn reeds verwerkt in Verordening (EU) 2023/1428 

Wat is E 471 en waar wordt het in gebruikt?  

Mono- en diglyceriden van vetzuren worden veelvuldig in de voedingsmiddelenindustrie toegepast. Het zijn synthetische vetten die verkregen zijn uit glycerol en natuurlijke vetzuren. Ze hebben de capaciteit om water en vet te mengen (emulgator) en om producten in een bepaalde toestand te houden (stabilisator). Ze kunnen ook ingezet worden om de houdbaarheid te verlengen. De vetzuren waarmee het wordt gemaakt zijn vrijwel altijd afkomstig van plantaardige oliën, soms wordt dierlijk vet gebruikt. Producten waar het onder andere in voor komt:   

  • Brood 
  • Chocolade 
  • Frisdranken 
  • Koek en gebak 
  • Snacks 
  • Snelkookrijst 
  • Voedingssupplementen 
  • Zuivelproducten

Voor de producenten van het additief betekent de wijziging met name:  

  1. Het gebruik van glycerol voor de productie van het levensmiddelenadditief moet worden beperkt tot glycerol dat voldoet aan de herziening van de specificatie in EU 231/2012. 
  2. Bij de huidige vermelding “gehalte” voor mono- en diglyceriden van vetzuren (E 471) moet een maximumgehalte aan erucazuur worden vastgesteld. 
  3. De huidige maximumgehalten voor arseen, lood, kwik en cadmium moeten worden verlaagd en de maximumgehalten voor de som van 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD) en vetzuuresters van MCPD (uitgedrukt als 3-MCPD) en vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) moeten worden vastgesteld in overeenstemming met de specificatie in EU 231/2012.

Specifieke bepalingen voor kwetsbare consumenten 

Om kwetsbare consumenten te beschermen tegen een hoge blootstelling aan die onzuiverheden en zorgwekkende bestanddelen, worden voor levensmiddelen voor zuigelingen en peuters strengere waarden vastgesteld. Bij deze maximumwaarden wordt rekening gehouden met het niveau dat momenteel redelijkerwijs haalbaar is door de toepassing van goede productiepraktijken.   

Overgangsperiode 

Aangezien nieuwe productietechnieken moeten worden toegepast krijgen de fabrikanten van dit levensmiddelenadditief en de fabrikanten van levensmiddelen waar het aan is toegevoegd een overgangsperiode. Deze periode duurt tot 30/01/2024 (of einde voorraden of houdbaarheid), maar gezien de stof glycidol genotoxisch en kankerverwekkend kan zijn, zijn er hiervoor reeds restricties in gehalte per 30/07/2023. Ook voor de kwetsbare groep zuigelingen en peuters zijn strengere maatregelen.  

Overgangsmaatregelen samengevat

Is het additief E471:  

  • In de handel gebracht voor 30/07/2023 en voldoet niet aan maximumgehalten* voor arseen, lood, kwik, cadmium, 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD) en 3-MCPD-vetzuuresters of erucazuur, dan mag het toegevoegd worden aan levensmiddelen tot 30/01/2024.  
  • In de handel gebracht voor 30/07/2023 en voldoet niet aan maximumgehalten* voor glycidol, dan mag het toegevoegd worden aan levensmiddelen tot 30/01/2024. Met uitzondering van levensmiddelen voor zuigelingen en peuters. 
  • In de handel gebracht na 30/07/2023 tot 30/01/2024 en voldoet niet aan de maximumwaarden voor glycidol, dan mag het worden toegevoegd aan levensmiddelen totdat de voorraden zijn uitgeput. Met uitzondering van levensmiddelen voor zuigelingen en peuters.

 Levensmiddelen waaraan E471 is of wordt toegevoegd welke:  

  • In de handel voor 30/07/2023 en bevatten E471 dat niet voldoet aan maximumgehalten* voor arseen, lood, kwik, cadmium, 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD) en 3-MCPD-vetzuurester, of erucazuur, dan mogen deze in de handel worden gebracht tot 30/01/2024 en blijven tot einde houdbaarheid. 
  • In de handel voor 30/07/2023 en bevat E471 dat niet voldoet aan maximumgehalten* voor vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol), dan mogen deze in de handel worden gebracht tot 30/01/2024 en blijven tot einde houdbaarheid.  Met uitzondering van levensmiddelen voor zuigelingen en peuters. 
  • Voor zuigelingen en peuters, in de handel voor 30/07/2023 en bevat E471 dat niet voldoet aan maximumgehalten* voor vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) mogen tot minimale houdbaarheidsdatum” of “uiterste consumptiedatum” in de handel blijven. 
  • In de handel na 30/07/2023 en voor 30/01/2024 en niet voldoen aan de maximumgehalten voor vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol), dan mogen deze verder in de handel worden gebracht en blijven tot einde houdbaarheid.  Met uitzondering van levensmiddelen voor zuigelingen en peuters.

*Maximumgehalten staan beschreven in de specificatie van E471 in EU 231/2012

Legionella risico’s en beheersmaatregelen

Wat is Legionella? 

Legionella is een bacterie die zich bevindt in het water en die een (ernstige) longontsteking kan veroorzaken. Er zijn tot nu toe 52 soorten Legionella bekend. Afhankelijk van het type Legionella zijn de gevolgen en verschijnselen verschillend. In het algemeen wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten legionella infecties: de veteranenziekte en de legionellagriep. 

Veteranenziekte 

De veteranenziekte is een ernstige vorm van longontsteking en kan dodelijke gevolgen hebben. De incubatietijd van de veteranenziekte ligt tussen de 2 en 20 dagen. Deze ziekte is te herkennen aan symptomen als hoge koorts, spierpijn, extreme vermoeidheid, kortademigheid, verwardheid en snel opkomende hoofdpijn.  

Legionellagriep 

Een lichtere vorm wordt herkend als de legionellagriep, ook wel de Pontiac-fever genoemd. De legionellagriep verloopt als een normale griep en is niet gevaarlijk voor de mens. Bij legionellagriep voelt de patiënt zich ongeveer 2 tot 5 dagen grieperig. Symptomen zijn onder andere spierpijn, hoofdpijn en koorts. 

Hoe kan een besmetting optreden? 

De legionellabacterie is in kleine hoeveelheden ongevaarlijk, maar in stilstaand water bij 20 tot 50 °C kan het aantal bacteriën binnen een week zijn uitgegroeid tot een gevaarlijke kolonie.  

Door het drinken van met Legionella besmet water zal men geen besmetting oplopen. Dit kan enkel door het inademen van kleine waterdruppeltjes (aërosolen) met een hoge concentratie van de legionellabacterie. Aërosolen kunnen vrijkomen bij vernevelende tappunten zoals bij (oog) douches, luchtbevochtigers, airconditioning systemen, waterbassins en koeltorens.  

Waar komt Legionella veelal voor? 

Legionella kan zich op verschillende locaties ontwikkelen. Plaatsen waar :egionella regelmatig voorkomt zijn onder andere: sproei installaties, luchtbevochtigers, drinkwaterinstallaties, (brandweer)slangen, koelsystemen, waterreservoirs/bassins en waterzuiveringsinstallaties. 

Waterbassins: Bijvoorbeeld in glastuinbouw waar veelvuldig met waterbassins gewerkt wordt, zien we gevallen van Legionella voorkomen. Wanneer regenwater wordt opgevangen in de waterbassins kan de watertemperatuur tijdens warmere periodes oplopen tot 25 graden of hoger. Een ideale omgeving voor vermenigvuldiging van de legionellabacterie. Er is van de afgelopen jaren een aantal gevallen bekend waarbij mensen ernstig ziek geworden zijn door besmetting met Legionella na het voorbijfietsen of wandelen van een nabijgelegen waterbassin.  

Slangen: Wanneer slangen minder dan wekelijks gebruikt worden kunnen ze een risico vormen en een belangrijke besmettingsbron zijn voor medewerkers. Het risico wordt zeker groot wanneer men brandweerslangen oneigenlijk gebruikt voor het reinigingen. Vaak staat het water in de brandleidingen lange tijd stil.  

Waterzuiveringen: In de aerobe waterzuiveringsinstallatie wordt water verneveld, zodat het zuurstofgehalte verhoogd wordt en de zuiveringsbacteriën het water optimaal kunnen zuiveren. Optimaal voor Legionella om zich te ontwikkelen en via de nevel zich in de longen vast te zetten.  

Koelsystemen: Voor koeltorens is er specifieke wetgeving voorzien. Deze staat verderop in dit artikel beschreven.  

Biofilm  

Wanneer Legionella aanwezig is door zich vast te hechten aan biofilm, is deze vaak moeilijk te verwijderen. Biofilm is een slijmvormige laag die zich vormt aan de binnenkant van een waterleiding of op de bodem van waterbuffertanks zoals boilers of waterbassins. Kalk of corrosie kunnen oneffenheden veroorzaken en een ideale hechtingsplaats voor bacteriën vormen. Het belang van onderhoud is daardoor zeer groot.  

Hoe meer biofilm er aanwezig is, hoe meer Legionella er kan groeien. Biofilm is afhankelijk van diverse factoren zoals het leidingmateriaal, de doorstroming van water en de waterkwaliteit. 

Bepaalde materialen kunnen stoffen afgeven die de groei van biofilm bevorderen. De mate van groeibevordering wordt gemeten aan de hand van de biomassa-productiepotentie (BPP). Biofilm groeit voornamelijk op materialen met een BPP van minimaal 400. Materialen die een lagere BPP hebben zijn onder andere RVS, koper en PVC-U. Materialen die een hogere BPP hebben zijn onder andere PE-40, PE-80 en PP. BPP kan wel beïnvloed worden door het product. Geadviseerd wordt om de exacte BPP op te vragen bij het product. 

Wet- en regelgeving

Om Legionella besmetting te voorkomen zijn er strenge regels opgesteld door de overheden. Zo zijn voedingsmiddelenbedrijven met een koeltoren verplicht om voor de koeltoren een beheersplan specifiek voor Legionella te hebben. Vanuit de arbeidswetgeving moeten voedingsbedrijven tevens alle risico’s voor hun medewerkers en derden zo goed mogelijk vermijden. De eventuele aanwezigheid van Legionella valt daar ook onder. Een risicoanalyse (in Nederland RI&E) is daarom verplicht, net als de daaropvolgende nodige maatregelen. Een beheersplan voor Legionella is niet voor alle voedingsbedrijven verplicht, maar wordt wel aangeraden om de gezondheid van de medewerkers zo goed mogelijk te borgen. Een ondernemer kan aansprakelijk worden gesteld wanneer hij onvoldoende maatregelen getroffen heeft en een medewerker besmet raakt en de veteranenziekte oploopt. 

De linken naar de geldende wetgeving staan onderaan in het artikel.  

Beheersplan Legionella

De belangrijkste uitgangspunten bij het voorkomen van legionellabesmetting zijn:

  • De temperatuur van het water in het groeigebied (tussen 20 -50 °C kan Legionella groeien);
  • Het voorkomen van stilstaand water en lange verblijftijden;
  • Het ontstaan van een biofilm voorkomen door toepassing van juiste (gladde) materialen en het voorkomen van vervuiling en roest.

Een gericht beheersplan wordt bepaald op basis van een risicoanalyse.

Risicoanalyse 

De aanpak van Legionella begint bij een risicoanalyse. Startende vanaf de watermeter worden de risicopunten in kaart gebracht. Van hieruit kan een beheersplan opgemaakt worden waarin o.a. mogelijke monsternameplaatsen staan.  

In de productieruimte zijn alle activiteiten waarbij verneveling van water plaatsvindt risicovolle plaatsen. Denk aan waterslangen, watersnijders en watersproeiers. Hierbij wordt ook nagegaan hoe lang sommige zaken stilstaan, bij welke omgevingstemperatuur en of er eventueel vervuiling of slijtage in de leidingen kan zitten.  

Wanneer er risico’s ontstaan moeten er maatregelen genomen  worden, denk aan periodieke spoeling van te weinig (minder dan wekelijks) gebruikte leidingen en tappunten, aangevuld met een reiniging en desinfectie of de installatie voorzien van een terugslagklep in de leidingen.   

PCR-analyses zijn populair omdat een positief of negatief resultaat binnen 24 uur beschikbaar kan zijn. Bij de klassieke methode kan dat tot tien dagen oplopen. 

Beheersplan 

Bij het opstellen van een beheersplan op basis van de risicoanalyse wordt een aantal zaken meegenomen: 

  • Beoordeling van de installaties zelf; 
  • Bedrijfsvoering van de installaties;
  • De effectiviteit van de waterbehandelingsprogramma’s m.b.t. Legionella;  
  • De mogelijke biofilm vorming;
  • De risico’s voor medewerkers en derden. 

De maatregelen worden verdeeld in twee groepen: mogelijke aanpassingen aan installaties en beheer-/onderhoudsmaatregelen. Betrokkenheid van de productieafdeling en de technische dienst bij de beoordeling en bepalen van maatregelen zullen hoogstwaarschijnlijk tot het meest grondige en effectieve resultaat zal leiden. 

Onze laboratoria ondersteunen je graag bij het uitvoeren van risicoanalyses. Deze zijn gebaseerd op wetgeving en modeldocumenten van waaruit een beheersplan kan volgen. Ook voeren we analyses uit op Legionella.

Nuttige info

Meer info en betrokken wet- en regelgeving vind je o.a.:

EU
Nederland
Vlaanderen